Posts tonen met het label frans rosier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label frans rosier. Alle posts tonen

vrijdag 9 augustus 2024

53. AMERICA LATINA. MEXICO

Een spotprent van Sjarel aan het eind van het plakboek dat ik kreeg bij het afscheid van CLAT-Nederland, aangepast voor de gelegenheid door mijn collega Gerrit Pruim.

 

Begin september vraagt het Directoraat Generaal Internationale Samenwerking van het ministerie voor buitenlandse zaken of ik belangstelling heb om de gaan werken als junior professional officer op het kantoor van de VN ontwikkelingsorganisatie UNDP  in Mexico. Ik besluit de benoeming te aanvaarden. Eind september volgt de officiële aanstelling met de nodige instructies.

De benoeming past in mijn afspraak met CLAT Nederland dat ik minimaal twee jaar bij de vereniging zou blijven werken alvorens een aanstelling bij een VN organisaties te aanvaarden. 

Mijn vertrek naar de VN betekent het einde aan mijn korte maar zeer intensieve tijd als "vormingsmedewerker" van de vereniging. Dat was de formele naamgeving van mijn functie in de praktijk was ik samen met collega secretaris Pruim een organisator, redacteur, journalist, activist, lobbyist, tolk en vertaler en misschien nog wat kleine dingetjes. 

Het was een bar leuke tijd maar vooral ook een leerzame tijd waarin ik mensen ontmoette uit alle hoeken van Nederland, van alle lagen, klassen en niveau's. Ik leerde de politiek kennen, nationaal en internationaal, het Nederlandse actiewezen, arbeidsproblemen naast politieke opvattingen en nog veel meer. 

Mijn vriend en mentor juichte was positief over mijn vertrek naar de UNDP maar -hoe kan het anders- had ook zijn bedenkingen. 

“Proficiat met de mogelijkheden die je krijgt om met de VN samen te werken. In een gesprek met Alvaro gaf ik te kennen dat UNDP veel meer perspectieven geeft dan willekeurig welke CLAT of CLASC combinatie. Niet dat ik het werk van deze laatste instanties onderschat maar CLASC lijkt mij hoofdzakelijk een Venezolaanse affaire, die althans hier in Colombia niet veel heeft te betekenen.” (Brief van Frans Rosier, 17 oktober 1974)

Zoals zovelen, ook in Nederland, beseft ook Frans niet dat CLASC, sinds enige tijd CLAT geheten,  een overkoepeling is van nationale bonden. In Colombia is de vakcentrale CGT aangesloten bij CLAT, een centrale die zich laat inspireren door de priester Camilo Torres, notabene een vriend van Frans die door omstandigheden terecht kwam bij de Colombiaanse guerrillagroep ELN. De CGT heeft als nationale vakcentrale nationale betekenis als het gaat om scholing, CAO onderhandelingen en politieke druk t.b.v. de arbeiders.

Volgens Frans is het zaak “een visie te hebben voor mogelijkheden op korte en lange termijn, ook een gunste van CLASC. Ik ben er heilig van overtuigd dat je je in Mexico dood zult vervelen. Je aanstelling is om te beginnen voor een jaar…Het zullen echter wel meerdere jaren worden en wellicht begint zich nu een levenstaak af te tekenen. Over mest gesproken, beschouw de hele dodende bureaucratie van de VN als een voedingsbodem om meer reële visies te kunnen verwerkelijken. Hetzij in de short hetzij in de long run. Als je niet in tijdsperspectieven weet te denken en niet in staat bent je enige jaren hartstochtelijk te vervelen, werk je in het moment en dat is wat wij juist niet nodig hebben.” (Idem, 17 okt. 1974)

Uit de passage over Mexico spreekt veel ergernis over het land en dat maakt mij nieuwsgierig. 

“Mexico als stad en land is indrukwekkend voorzover het de Indiaanse cultuur betreft, maar het afschuwelijke is, dat deze cultuur aan de huidige Mexicanen een psychische inflatie heeft bezorgd, die nergens aan beantwoordt. Er zijn twee steden die mij dermate verzadigd hebben, in zeer korte tijd, dat ik er geen enkele behoefte aan voel om er terug te keren tenzij in geval van nood. Die steden zijn Buenos Aires, waar je binnen een paar dagen weet dat daar alle cultuur begint en eindigt, en Mexico City, waar men nog chauvinistischer is. Er is geen momentele cultuur. De grootheid van Mexico dateert van vóór Columbus en daar gaat men zo prat op, dat Egypte, Griekenland en willekeurig welke andere cultuur in het niet verzinken. Na een week voel je je zeeziek. Tot en met de boekjes in de lagere school wordt de grootheid van Mexico ingeprent. De realiteit is ellende, maar daar mag je niet over spreken. De boeken van Oscar Lewis werden oorspronkelijk in Mexico verboden. Je moet de hele dag hiep hiep hoera roepen. Dit verveelt na een week, laat staan na een jaar. De Mexicaanse revolutie is een science fiction. De armen zijn nog even arm maar de rijken zijn een beetje rijker, that is all. Een betere revolutie wordt als volkomen overbodig geacht. Enfin dit staat je te wachten naast alle verveling van bureauwerk. Maar je nieuwe functie kan een springplank zijn, d.w.z. als je het goed speelt en niet onnodig op zere (lange?) tenen gaat staan, waartoe de bekoring zeer groot is”  (Idem, 17 okt. 1974)

Ik moet toch eens aan Frans vragen wanneer hij voor het laatst in Mexico is geweest. Misschien is er intussen meer veranderd dan hij kan vermoeden. We zullen het zelf gaan zien.

EINDE VAN DEZE EPISODE


vrijdag 24 mei 2024

43. AMERICA LATINA. HET GRAF VAN SINT JAN VAN HET KRUIS

 

petrus nelissen, 'Jezus aan het Gas' , beeldcollage

Staande bij het graf van Sint Jan van het Kruis, komt Frans met een wonderlijke verrassing. Hij haalt een schriftelijke gelofte tevoorschijn waarin we hier en nu bij het bij het graf van Sint Jan van het Kruis plechtig beloven zoveel mogelijk te leven in de geest van de Karmel. 

Ik weet zo snel niet wat ik daarvan denken moet. Ik voel me aangesproken door de gedichten met uitleg van Sint Jan van het Kruis. Ze zijn geestelijk voedsel voor me dat mijn leven beïnvloedt. Dankzij hem sta ik minder krampachtig tegenover het Roomse geloof dan toen ik letterlijk de kerk uitliep. 

Het vertrek voelde toen aan als een bevrijding. Eindelijk verlost van de kerkelijke discipline, de hiërarchische verhoudingen en voorschriften. Ik vond dat ik zelf wel kon uitzoeken hoe het eigenlijk zit met het geloof in God, zijn zoon Jezus en zijn moeder Maria en de hele santenkraam er omheen waarmee ik ben opgegroeid. 

Dat ben ik gaan doen. Sint Jan van het Kruis heeft me met zijn geschriften en gedichten een nieuwe kijk op geloof, religie en zin van het leven gegeven net als Kierkegaard, Sartre, Gabriel Marcel enz. Maar Jan van het Kruis steekt er met kop en schouders bovenuit. 

Ik zal wel extra gevoelig zijn voor religieuze mystiek. Maar om nu een soort fanclub voor hem op te richten, gaat me te ver. Ik hou sowieso niet van fanclubs. Daarvoor wil ik teveel meester blijven van mijn eigen geest en lotsbestemming en mijn eigen weg ontdekken. Volgeling worden, zit niet in mijn aard tenzij op basis van een overdachte overtuiging.

Maar uit respect voor Frans, hij heeft per slot van rekening Sint Jan van het Kruis op mijn pad gebracht, luister ik naar zijn uitleg. De bedoeling van de gelofte is onze bestaande levenswijze te bestendigen, dat wil zeggen dat we niet streven naar grote materiële rijkdom maar ons uit liefde voor de mens bekommeren om onze medemensen en dan vooral de minsten onder hen. 

Ik heb ondertussen genoeg levenservaring om te beseffen dat dit geen gemakkelijke opdracht is maar het is wel de enige die zin aan mijn of liever ons leven kan geven. Dus moeten we het er maar op wagen. Alvaro en ik tekenen de gelofte.

Later blijkt dat zulke geloftes van leken in een lange traditie passen van verschillende kloosterordes. Zij kennen seculiere "derde ordes" die bestaan naast de gebruikelijke mannelijke en vrouwelijke kloosterorde. Leden van een seculiere derde orde leven als normale mensen met een gezin, een baan en al die andere dingen die bij een normaal bestaan horen.

Ik kan me in de regels van de Karmel wel vinden omdat het bij de Karmel gaat om te leven volgens de geest van de regels en niet naar de letter ervan te leven. De Karmelieten is als beschouwende orde maatschappelijk en wereldlijk niet autistisch. Ze sluit zich niet af van de wereld en het praktische leven. De regels zijn geen onbuigzame wetten maar flexibel, in te vullen naar gelang de persoon en zijn leven. 

Sint Jan van het Kruis was geen zweverig type die bij wijze van spreken door het raam zat te staren naar het licht van God. Hij was ook niet op zoek naar zijn hogere zelf. Zijn gedichten zijn geen sentimenteel gezwijmel over liefde. Bij hem kan liefde hard en meedogenloos zijn zoals de schaduwen in de Spaanse zon, de schroeiende hitte en dorre grond op de Spaanse hoogvlakte.

Bovendien kan hij ook nog eens haarscherp en zonder gewichtig doenerij uitleggen waar zijn gedichten over gaan en hoe je ze moet lezen en begrijpen. Dat leverde hem de Roomse eretitel van kerkleraar op. Zo zie je maar, er komen ook wel eens goeie dingen uit Rome.

Of dat allemaal al niet genoeg is om de libris literatuur prijs, de prijs der Nederlandse letteren, de Ida Gerhardt Poëzie prijs, de Nobelprijs voor Literatuur en God weet wat voor prijzen nog meer te ontvangen, heeft hij ook nog het organisatietalent gehad om nieuwe kloosterordes te stichten. 

Had Jan van het Kruis in onze tijd geleefd dan was hij dichter, schrijver en zakenman geweest, in geestelijke zaken wel te verstaan. Wie weet was hij zelfs wel activist geworden, zonder klooster maar als lid van een actiegroep of misschien had hij er zelf wel een opgericht.

vrijdag 26 april 2024

39. AMERICA LATINA. HONDERD JAAR EENZAAMHEID

De Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Márquez (rechts) is zijn leven lang bevriend gebleven met de Cubaanse dictator Fidel Castro. Een merkwaardige en absurde vriendschap als je beseft dat Castro er niet tegenop zag dichters en schrijven die kritisch over hem schreven gevangen te zetten of te verbannen. Een absurde vriendschap die verwant is aan de absurditeit van de geschiedenis van Colombia die Marquez zo virtuoos beschrijft in zijn boek 'Honderd Jaar Eenzaamheid'. Merkwaardig is dan weer dat hij zijn invloed op Castro uitoefende om politieke gevangenen vrij te krijgen. Zo kwam bijvoorbeeld de vakbondsman Reinol Gonzalez, een vroegere medestander van Castro die zich later verzette tegen zijn dictatuur, dankzij Marquez vrij.


Het weerzien met Alvaro en Martha is alsof we nooit weg geweest zijn. Na ons vertrek uit Colombia zijn beiden naar New York vertrokken alwaar Alvaro sociale psychologie heeft gestudeerd. Na de afsluiting van zijn studie had hij nog geld van de beurs over. Die mocht hij in Madrid besteden. 

Ze hebben sinds ruim een jaar een dochter. Martha is speciaal voor de bevalling teruggegaan naar Colombia. Een bevalling in een ziekenhuis in New York, zonder haar vertrouwde omgeving zag ze niet zitten. Nu is ze samen met Lorena meegekomen naar Madrid. 

In Madrid volgt Alvaro colleges Spaanstalige litteratuur. Ze bespreken er onder andere het pas verschenen boek 'Honderd Jaar Eenzaamheid'  van de Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Marquez. Aangezien ik het boek net gelezen heb, hebben we een aanknopingspunt voor uitgebreide gesprekken over Colombia. 

Ik deel het enthousiasme van Alvaro. Zelden heb ik een boek gelezen waar fantasie en werkelijkheid zo boeiend en gemakkelijk in elkaar overgaan. Generaties van de familie Buendia in het afgelegen stadje Macondo beleven de meest werkelijke en onwerkelijke avonturen, echte avonturen van liefde en dood maar ook vreemde zaken als de ontdekking van de natuurwetten. De stamvader van de familie Buendia ontdekt bijvoorbeeld dat de wereld rond is en van wie weet nog groter belang voor de toekomst van het stadje, hoe je ijs kunt maken. 

Marquez beschrijft het lot van Colombia, verloren in de tijd tussen vele culturen, eenzaam en alleen achtergebleven nadat de Spaanse heersers verdreven waren door de grote bevrijder Simon Bolivar. Wat achterbleef was een land met oude pre-Colombiaanse culturen waaronder ook nog in het woud levende indianenstammen, een dominante blanke cultuur van Spaanse afstammelingen met aan de kusten nakomelingen van de zwarte slaven uit Afrika. Maak daar maar eens een land van. 

Dan was de geboorte van de Republiek der Nederlanden een stuk eenvoudiger. Nadat de Spanjaarden verdreven waren, bleef een land achter met dominante protestanten en onderworpen katholieken maar hoe dan ook, ze spraken dezelfde taal en deelden dezelfde geschiedenis.

Colombia daarentegen heeft meer weg van de vreemde wereld van Alice in Wonderland, een wereld afgezonderd van de echte wereld. Het staat met een been in de moderne wereld en met het andere been in een oude wereld met verschillende bijgeloven en geschiedenissen. 

Geen wonder dat in het land een zekere chaos en verwarring heerst. De tegenstellingen tussen de nieuwe steden en het oude uitgestrekte platteland, tussen de verschillende culturen en rassen, de elite en het volk enz. maakt dat je een gevoel van vervreemding en absurditeit krijgt, alsof Colombia ergens in de ruimte op een eigen planeet bestaat, afgezonderd van de rest van de wereld en toch ook weer niet. Dat geeft een permanent gevoel van eenzaamheid, verlaten te zijn van god en alleman.

De Mexicaanse schrijver, dichter en essayist Octavio Paz schreef niet ook toevallig nog voor 'Honderd Jaar Eenzaamheid'  het boek ‘Het Labyrint van de Eenzaamheid’. Ook Mexico is ontstaan uit een mengelmoes van oude Indiaanse culturen waaronder sommigen die behoorlijk ontwikkeld waren als die van de Azteken en van de Maya’s. Daarover heen legden de Spaanse veroveraars net als in Colombia bijna letterlijk hun cultuur. Ze vernietigden piramides van Azteken om met de stenen kathedralen te bouwen.  

Net als Marquez stelt Paz zich de vraag wie de Mexicanen nu eigenlijk zijn? Ze zijn afstammelingen van culturen uit de oude pre-Colombiaanse wereld, de wereld van voor Columbus maar ook van de blanke Spanjaarden die het Christendom hebben verspreid als de enig geldende waarheid. 

Is het een wonder dat er aan het begin van de twintigste eeuw net als in Colombia het tot een burgeroorlog komt tussen de nog in hun eeuwenlange traditie levende kleine indiaanse boeren op het platteland en de blanke plantage eigenaren, tussen wat heet de conservatieven en de liberalen, tussen democraten en aristocraten? 

Blijkbaar kan het niet anders dan dat de geboorte van een nieuw land gepaard gaat met heftige tegenstellingen en onderlinge oorlogen. We vragen ons af of en wanneer dat ooit afgelopen zal zijn. 

 


vrijdag 2 februari 2024

27. AMERICA LATINA. MODERNE EGYPTISCHE SLAAF

Fernando (rechts) was een van de studenten die meewerkte aan het onderzoek in de armenwijk Meissen in Bogotá.  Deze foto (1971) is gemaakt tijdens ons bezoek aan Fernandoin het het dorpje Chocontá alwaar hij in het kader van zijn antropologie studie onderzoek deed naar leven en werken van de dorpsgemeenschap. In het hoog in het Andesgebergte gelegen dorpje gebruikten we in een plaatselijk restaurantje een eenvoudige maaltijd van soep met brood. Links Frans Rosier die met ons meereisde. 


Tussen zijn beslommeringen over het einde van zijn contract met den Haag en de vraag hoe het nu verder moet in zijn leven, krijg ik van hem soms adviezen over mijn leven en toekomst.

“We zitten beiden in hetzelfde schuitje, overladen met werk, met als gevolg dat vele dingen niet op tijd afkomen of dat men het een en ander moet afzeggen, wat dan gemakkelijk geïnterpreteerd wordt als gebrek aan belangstelling of verantwoordelijkheidsbesef. Al meer dan 25 jaar ben ik bezig mij te verzetten tegen de druk van de wereld om mij tot een machine of een robot om te vormen. Ik neem eigenlijk alleen maar tijd voor mijzelf om te slapen. Niemand betaalt een zestienurige werkdag en niemand snapt wat ik nu eigenlijk uitvoer. Vele bezoeken, niet de jouwe, maken mij nerveus omdat stapels werk te wachten liggen. Iedereen die beslag op mij legt schijnt te denken dat ik niets anders te doen heb dan te luisteren naar drama waarin weinig of niets aan kan doen….

Beste Piet, ik spoor je niet aan tot egoïsme als ik je aanraad om te trachten menselijk te leven ondanks je drukke bezigheden. Met enige uitzonderingen voor zeer goede vrienden moet je je huisgezin als een kleine oase behouden om de kracht te behouden om je in te zetten voor anderen. Mijn doktoren zeggen, ofschoon ik geen huisgezin heb, dat ieder normaal mens rondom zeven uur ’s avonds zijn privé leven begint. Dat is existentieel even noodzakelijk als ademhalen en eten. Maak je geen moderne Egyptische slaaf. Ik mag dat wel zijn, omdat het ergens mijn roeping is en ik geen gezin heb. Men mag mij ook onnodig vermoorden, maar jou niet. En in feite, is het resultaat van je arbeid wellicht beter als je enige tijd uittrekt voor je zelfverwerkelijking, welke onmogelijk abstract kan zijn in je inzet voor noden van miljoenen op afstand. Blijf optimistisch, al zie je geen resultaten. Al je doen is waardevol, al bouw je geen klokkentorens, ziekenhuizen of scholen. Ik hoop dat het geen zelfmisleiding is als ik je zeg dat ik op deze wijze praktisch heel mijn publieke leven verwerkelijk. Ik zaai soms iets verstandigs vaak wellicht dwaasheden, wie weet het, als de boer uit het Evangelie. Een gedeelte van het zaad viel in vruchtbare aarde, een gedeelte op rotsen, een gedeelte tussen doornen. Als iemand alleen maar successen wil zien frustreert hij zichzelf omdat hij geen notie heeft van de menselijke existentie. Dit soort lieden zal je wel bij bosjes omringen. Ondanks hun zogenaamd succes zijn ze massa gris of “das Man” in de terminologie van Heidegger. Je brieven zijn voor mij een een verkwikking. Hoewel je het misschien niet altijd met me eens bent, hoe zou je het kunnen en ik vraag je dat ook niet, weet ik of ervaar ik hoever we aan elkaar gelijk zijn. Jij een jongere editie van iemand die op het punt staat te verdwijnen.” (passages uit brief van Frans Rosier, 25 oktober 1973)

Frans legt verderop in de brief uit waarom ik geen brieven meer krijg van Fernando.

“Het is begrijpelijk dat Fernando je niet schrijft. Niet dat hij iets tegen je heeft. Integendeel, we hebben samen je artikels in het Spaans vertaald. Maar hij leeft in een enorme frustratie omdat hij geen perspectieven heeft voor de toekomst. Hij lijdt aan een soort psychische verlamming, wat je hem natuurlijk niet moet schrijven. In het leven van vele begaafde mensen komen momenten voor die St. Jan van het Kruis donkere nachten noemt. En in een donkere nacht schrijf je geen brieven. Merkwaardigerwijs zegt Sartre dat Sint Jan van het Kruis de enige auteur is die geheel in zijn denkwijze ligt, hoewel de een atheïst is en de ander heilige.” (idem 25 oktober 1973)

De brief gaat verder over de nog staats gaande beslommeringen als gevolg van het einde van zijn contract met Den Haag. Hij heeft weinig vertrouwen in een commissie van het ministerie die half november naar Colombia zal komen en bestaat uit hooggeleerde heren, “die waarschijnlijk alleen maar uitgaven weten op te tellen en af te trekken.”

Aan het eind van zijn brief kondigt hij zijn komst naar Nederland aan in verband met een medische keuring. Dit is de tweede keer dat hij sinds ik terug ben uit Colombia, naar Nederland komt. De eerste keer was in 1971 op doktersadvies. Hij kwam toen volledig uitgeput aan en is met een ambulance van Schiphol direct naar het ziekenhuis Dekkerswald in Groesbeek gebracht. Na een paar maanden is hij weer teruggegaan naar Colombia om zijn professoraat en werk te hervatten.

De reden van zijn komst nu is dat zijn contract met Den Haag stopt en hij geen idee heeft hoe het nu verder moet. Het liefst zou hij met zijn werk doorgaan in Colombia maar of dat financieel mogelijk is, is maar zeer de vraag. Hij schrijft dat hij uitgenodigd is om naar Amerika te komen, maar hij zou niet weten wat hij daar moet doen en “in Nederland ben ik ook welkom, maar wat ik daar moet doen is mij evenmin duidelijk.” 

Dat laatste begrijp ik goed. Sinds ik terug ben uit Colombia heb ik het idee dat Nederland zo goed als af. Natuurlijk, er moeten hier en daar nog details worden bijgewerkt maar het grote geheel is gedaan. Dijken, rivieren en wegen, boerderijen en hun land, steden en dorpen liggen er verzorgd bij. Niemand hoeft te leven in armoede. Daarentegen is er in de rest van de wereld nog veel te doen.

vrijdag 26 januari 2024

26. AMERICA LATINA. FRANS ROSIER

Frans Rosier in zijn appartement in Bogotá, 1971.


Sinds mijn vertrek uit Colombia schrijven Frans Rosier en ik elkaar regelmatig. In Colombia zijn we vrienden geworden en de vriendschap zet zich nu al schrijvend voort. Voor mij is hij een betrouwbare en vooral ook dierbare raadgever geworden. 

Ik schrijf hem over mijn licht filosofische zoektocht naar houvast in mijn leven. Sinds ik uit de katholieke kerk ben gestapt - letterlijk opgestapt tijdens een preek - ben ik op zoek naar een nieuw houvast. Teleurgesteld in Marx en zijn aanhang, voel ik me genoodzaakt andere mogelijkheden te onderzoeken. Frans kan me daar bij helpen. 

Maar hij heeft ook zijn eigen zorgen. Zijn grootste zorg is tijd te vinden om de studie van de krottenwijk Meissen te kunnen uitschrijven. Al een paar jaar doet hij samen met enkele studenten onderzoek naar problemen van bewoners van de krottenwijk Meissen, een miljoenenstad aan de rand van Bogotá. 

Een aantal studenten heeft daarvoor langere tijd in die wijk bewoond. Terwijl ze daar woonden, bespraken ze onder begeleiding van Frans  met elkaarhun bevindingen. Frans maakte een verslag van die gesprekken. Hij zou al die verslagen willen verwerken in een alomvattende studie.

Frans ziet het verblijf van de studenten en de besprekingen van hun ervaringen als een tweesnijdend zwaard. Aan de ene kant maakt het wonen tussen arme gezinnen onder precaire omstandigheden zijn studenten, waarvan sommigen uit de hogere klasse komen en anderen uit de lagere middenklasse,  bewust van het leven van  miljoenen arme Colombianen. 

Aan de andere kant helpt het verblijf met de opgedane inzichten en ervaringen om inzicht te krijgen wat armoede betekent en wat er aan gedaan kan worden. Studie en praktijk dragen daarmee bij aan sociale bewustwording bij een groep studenten. Wat nu ontbreekt is om het in een overzichtelijk verhaal te gieten zodat ook anderen er hun voordeel mee kunnen doen. Door zijn professoraat aan de Andes Universiteit, meegefinancierd door Nederland, komt hij daar niet aan toe.

Hij schrijft mij dat hij Den Haag enige tijd geleden tijd heeft gevraagd voor het uitschrijven van zijn gedachten en ervaringen zonder de verplichting colleges te geven. “De Andes is daar sterk voor, maar als ik Harry van den Hout (eveneens uitgezonden door Den Haag) goed begrepen heb is Den Haag niet in staat mij die faciliteiten te geven. Alsof universitair werk alleen maar bestaat in het geven van colleges. In de wirwar waarin ik op het ogenblik leef, komt van schrijven niet veel terecht. Het schijnt dat ik in van mijn momentele functie moet afzien ondanks het feit dat ik verbonden blijf met de Andes. Als zogenaamde deskundige geldt een contract in principe slechts voor twee jaar. ik ben nu al vijf jaar in dienst van Den Haag. Mijn aanvraag om mijn taak enige tijd te wijzigen zal een welkome gelegenheid zijn om mij uit staatsdienst terug te trekken. Dit heeft het voordeel dat ik vrijer ben om mijn meningen te uiten maar het nadeel dat ik geen bestaansmiddelen meer heb tenzij op een zeer laag niveau. Mijn voorstel heb ik al in januari ingediend maar ik heb nog steeds geen antwoord. Men weet er schijnbaar geen goed raad mee. Intussen struggle ik verder.” (brief van 25 april 1973)

Ondanks zijn bekendheid als schrijver, zijn faam als priester -arbeider, kenner van Latijns Amerika, geestelijke en sociaal psycholoog blijkt ook Frans grote moeite te hebben om voldoende tijd te vinden om zich te kunnen wijden aan het schrijven van zo een studie. 

Zijn volgende brieven gaan over zijn onzekere toekomst. Eind december houdt zijn contract met Den Haag op. Dan is hij al langer in dienst geweest van Den Haag dan gebruikelijk. De vraag is wat daarna? de universiteit wil wel dat hij met haar verbonden blijft, maar dat betekent een salaris waar je amper van kunt bestaan. 

Hij schrijft dan dat hij nog nog wat wil blijven “op de eerste plaats om mijn vrienden en onmiddellijke medewerkers te begeleiden bij de inzet voor de emancipatie van hun land en vervolgens ook omdat het uitwerken van mijn ervaringen een milieu nodig heeft dat nu niet precies Nederland is. Mijn verbondenheid met dit continent is nu eenmaal van dien aard, dat ze niet lijkt op een emmertje water waar ik Nederlandse bloemetjes mee kan begieten. Verder is het ook niet mijn aard om in long distrance preocupation te werken. Enfin, voor eind december kan nog veel gebeuren.” (brief van 22 augustus 1973)

Rosier zelf is ontworteld. Dat kan ook moeilijk anders als je zo lang van huis bent, in zoverre je van huis kunst spreken bij een kloosterling. Hij is al vroeg in zijn leven pater Karmeliet geworden en paters hebben geen thuis in de gebruikelijke betekenis van het woord. Hun thuis is onder normale omstandigheden een klooster, maar Frans is nooit een vaste bewoner van een klooster geweest. 

Meteen na zijn priesterwijding en intrede bij de Karmelieten is hij aanvankelijk in opdracht en daarna op eigen initiatief op zoek naar Gods afwezigheid onder de arbeiders in mijnen en staatsbedrijven gegaan. Hij deelde leven en werk bij mijnwerkers en staalarbeiders in verschillende Europese landen. Dan kun je moeilijk nog van een thuis spreken. 

Het resultaat van die zwerftocht waren twee boeken met de titel "Ik zocht Gods afwezigheid, psychologische peilingen inzake religieus-sociale toestanden in Europa."  Deel I gaat over zijn ervaringen in Frankrijk en Spanje. Deel II  over Italië en Oostenrijk. 

Toen hij vanwege zijn verschenen boeken, naar Rome werd geroepen, maakte hij het ook daar zich niet gemakkelijk. In Rome zoekt hij de mensen op die leven in de marge van de stad, in de armoede wijken. Daar ontmoet hij de zwerver Renzo waarvan hij in het tweede deel van “Ik zocht Gods afwezigheid” verslag doet. 

"Het hier volgende verhaal is, in tegenstelling met het voorafgaande, de beschrijving van een enkele ontmoeting, waarin men echter de mentaliteit en de problemen van het gehele Romeinse sub-proletariaat kan beluisteren. Het is een geschiedenis vol clair-obscur van leugen en oprechtheid, van immoraliteit en geloof, van geraffineerdheid en kinderlijkheid, kortom van een welhaast artistiek levensspel, dat de Latijns volkeren en bij uitstek het Italiaanse volk in het bloed zit. Het is geen litteraire roman maar de weergave van mijn regelmatige notities betreffende mijn contact met een der vele jonge mensen, die in Italië verloren dreigen te lopen in delinquentie vanwege de materiële en morele ellende van het milieu waaruit zij voorkomen." ( blz.306 van deel II)

Na 8 jaar Rome komt hij via een Chileense bisschop terecht in Chili alwaar zijn liefde voor Latijns Amerika begint (1959). Vandaar komt hij uiteindelijk terecht in Bogotá waar hij een thuis heeft geïmproviseerd samen met enkele van zijn studenten. In zijn  boek "Een wereld van mensen, Odyssee door de Amerikas" verschenen in Bogotá, 1970 vertelt hij in fragmenten over zijn ervaringen in dat continent.

Het is op dat moment dat we elkaar leren kennen. In Bogotá heeft hij een bescheiden appartement met twee slaapkamers. Een huishoudster houdt het schoon en kookt voor hem als het zo uitkomt. Verder is het een zoete inval voor elke student die zijn pad kruist waaronder ik ook mezelf reken. Het einde van zijn contract met Den Haag zou wel eens het einde kunnen betekenen van dit zijn eigen bescheiden thuis. 

vrijdag 12 mei 2023

29. TERUG NAAR NIJMEGEN. JAN VAN HET KRUIS

 

Schilderij (olieverf, 1951) van de kruisiging door de surrealist Salvador Dalí. Het is een voorstelling van Jezus Christus hangend aan een kruis van bovenaf gezien in een donkere lucht, zwevend boven het water compleet met boot en vissers. Het is het landschap van de baai van Port Lligat (Catalonië), een landschap dat Dalí vaker heeft gebruikt in zijn werken. Hoewel het een afbeelding is van de kruisiging, is het verstoken van spijkers, bloed en doornenkroon, omdat Dalí door een droom werd overtuigd dat deze eigenschappen de afbeelding zouden ontsieren. Volgens Dalí werd hem in een droom het belang om Christus in een extreme hoek te schilderen geopenbaard.

De compositie van de gekruisigde Christus is geïnspireerd op een tekening die werd gemaakt door de 16e-eeuwse Spaanse monnik en mysticus Johannes van het Kruis tijdens een visioen in extase, waarbij hij de kruisiging van bovenaf aanschouwde. De tekening wordt nog steeds bewaard in het klooster van Avila.


Bron: Tilburg School of Catholic Theology

Tijdens onze wandelingen vraag ik Frans of zijn zoektocht naar Gods’ afwezigheid ook niet een zoektocht was naar de afwezigheid van God bij hemzelf. Hij vindt van niet. Hij ziet God in de grootsheid van de natuur of misschien beter gezegd in die van de schepping. 

Terwijl hij om zich heen wijst naar de bomen, de struiken en de wolken boven ons, nodigt hij mij uit om me te verwonderen over de schepping. Voor Frans openbaart God zich in de schepping. Daar valt wat voor te zeggen maar het blijft moeilijk. De schepping is niet alleen maar schoonheid, er is ook veel lelijkheid en rotzooi. Natuurrampen zijn er altijd wel ergens. 

Maar ik moet zeggen dat ik ook wel eens zo een wonderlijke schoonheidservaring heb gehad. De wereld op z'n mooist alsof hij volmaakt is. Door de schoonheid van de natuur, een ondergaande zon is het meest gebruikelijke cliché, krijg je dan het gevoel dat de wereld met jou zelf daarin volmaakt is. Heel bedrieglijk want al snel komt de lelijke kant weer tevoorschijn. Het is een betovering van korte duur.

Wat blijft is het gevoel dat de wereld ondanks alle wetenschappelijke verklaringen een mysterie blijft, een niet te verklaren raadsel met het al even grote raadsel waarom jij er bent. We weten niet waartoe we op aarde zijn en we weten ook niet waarom de aarde en het universum er zijn, hoe we ook ons best doen om het te verklaren.

Ik kan niet geloven dat een God of noem het een Opperwezen het sluitstuk van het mysterie van mijn bestaan en dat van het universum is. Naar mijn idee is dat te gemakkelijk. Het voelt kunstmatig aan en nogal vaag. God zelf is immers niet te vinden in de wereld en ook niet in het universum. Waarom is hijzelf niet in de wereld? 

Dan waren de Oude Grieken slimmer. Hun goden zaten op een berg en gingen zelfs met aardse vrouwen van stand naar bed. Aan zo een menselijke God heb je wat maar veel verklaren doet het ook niet. Dat soort Goden zijn een afspiegeling van onszelf, een ideaalbeeld geïnspireerd op onszelf. Daar schieten we uiteindelijk ook niet zoveel mee op. Het mysterie mens en universum wordt er niet echt mee opgelost.

Op dit punt aangekomen in ons gesprek komt Frans met zijn verhaal dat God liefde is. Hij heeft uit liefde de wereld en de mensen geschapen. God wil liefhebben en dat kun je niet alleen. Daar heb je een ander voor nodig en daarom zijn wij mensen er. Hij verwijst naar de heilige Jan van het Kruis een Spaanse karmeliet en mysticus die zijn ervaringen met de liefde van God heeft uitgedrukt in liefdesgedichten.

Geen vage, zweverige of zwijmelden gedichten over het grote geluk van de liefde maar krachtige poëtische beelden waarin de liefde gepaard gaat met eenzaamheid, tederheid, angst en onzekerheid. Liefde zoals liefde hoort te zijn en dat is geen eeuwigdurende zonsondergang. Liefde gaat met veel pijn en moeite gepaard en dat is wat Jan van het Kruis ons leert volgens Frans. Ik besluit om Jan van het Kruis te lezen. Baat het niet, schaadt het niet.
 

vrijdag 28 april 2023

27. TERUG NAAR NIJMEGEN. ZWERVENDE KARMELIET

 

Amerikaanse uitgave van "Ik zocht Gods afwezigheid" met het deel over Frankrijk. Uitgever Sheed and Ward, New York 1960.

Ik heb een vrouw en een kind, wat men noemt een thuis. Zo een thuis of gezin is een soort uitvalsbasis waar vanuit je de wereld en de mensen aankunt. Dat heeft Frans niet. Zijn enige thuis is hijzelf. Hij had natuurlijk als karmeliet van het kloosterleven een soort thuis kunnen maken maar daar heeft hij uiteindelijk niet voor gekozen. Hij is een zwervende karmeliet geworden, een priester zonder bijbehorende witte boord of monnikspij, die zich tussen werkende en arme mensen bewoog, ja zelfs probeerde tijdelijk zijn leven met hen te delen.

Hij vertelt in een interview hoe dat zo gekomen is.

“Die spirituele belangstelling trok mij veel meer dan de gedachte missionaris te worden. Toch wil ik, als ik op mijn leven terugkijk, best toegeven dat ik missionaris geworden ben, zij het niet op de klassieke manier. … Een missionaris was in mijn jeugd iemand die het christendom preekte aan volken die dat niet kenden. Die behoefte heb ik niet gekend. Maar op mijn zwerftochten door de Europese industriegebieden en de zelfkant van Rome kwam ik voor een ander missionarisvraag te staan, die mij mijn hele leven is blijven boeien.” (Irenaeus Rosier en Marinus Huijbregtsuitgave, ‘Onverwoestbare Levensdrift, over de ellende van armen’, Mensen met een missie, Oegstgeest pinksteren 1978, blz. 89)

Op verzoek van mensen om hem heen stelt hij van zijn aantekeningen twee boeken samen: “Ik zocht Gods afwezigheid, psychologische peilingen inzake religieus-sociale toestanden in Europa”. De boeken verschijnen midden jaren vijftig en kondigen een doorbraak aan in het denken over de relatie tussen kerk, geloof, kerkvolk en niet gelovigen.

Dat zwervend bestaan brengt een zekere eenzaamheid met zich mee. In de inleiding van deel I benoemt hijzelf die eenzaamheid en  noemt het zelfs isolement. Vanwege dat isolement omschrijft hij zich als toeschouwer. Dat blijft hij zijn hele leven.

“Reeds als student had ik het isolement van de geestelijke stand en ook van de vorming, welke daaraan vooraf gaat sterk aangevoeld. Dit ondanks het feit, dat de geestelijkheid in Nederland het vertrouwen van het volk heeft en met haar activiteit in alle mogelijke levensgebieden doordringt. Ieder beroep en iedere stand heeft een dergelijk isolement. Wij moeten ons hoofdzakelijk beperken tot invoeling in anderen, maar waar het mijn levenswijze zelf betreft zijn we slechts toeschouwers”. (pag. 9 van voornoemd boek, deel I Frankrijk-Spanje)

Om toch die ander te kunnen bereiken spreekt hij over invoeling maar  - en ook daar spreekt hij veel over - daar heb je wel een antenne voor nodig. Noem het een sociale antenne waarmee je de signalen van de ander in de volle breedte kunt opvangen, verstandelijk en geestelijk.

Maar er is nog meer nodig om het tot vriendschap te laten komen. Beiden hebben niet alleen een sociale antenne nodig maar ze moeten ook op dezelfde golflengte zitten. Het gaat Frans dus om een gedeeld levensgevoel en dat kun je slechts met een beperkte aantal mensen hebben. Je kunt nu eenmaal niet van de hele wereld houden. 


 


 

vrijdag 21 april 2023

26. TERUG NAAR NIJMEGEN. GRIEKSE LIEFDE

 

Aan  beelden uit de Griekse Oudheid en afbeeldingen op vazen is te zien dat de oud Grieken onbeschroomd genoten van naakte mannelijke schoonheid. Foto gemaakt in de Glyptoteka te Kopenhagen.



Op een van mijn bezoeken tref ik Frans gekleed liggend op bed aan, uiteraard met een sigaret in zijn hand. We starten ons gesprek met het gebruikelijke gekeuvel over doordeweekse zaken.  Ik weet het onderwerp niet meer, maar ineens zo zonder enige aanloop, zonder enige voorbereidende woorden en ook zonder omwegen vuurt hij als een kanonskogel die me midscheeps treft de vraag op me af of hij me naakt mag zien. 

Hij moet een afwisselend verrast, vragend en vervolgens twijfelend gezicht hebben gezien want dat zijn de fasen die ik doorloop. Waar komt dit vandaan, waar wil hij heen en heb ik het wel goed begrepen? Dat laatste is zo. Zijn vraag is helder. Maar wat is mijn antwoord? Gezien onze vriendschap moet mijn antwoord eerlijk zijn. Een onwaarheid, een uitvlucht of wat dan ook betekent rot voor onze vriendschap en dat wil ik niet.

Ik zeg hem dat ik niet van de Griekse liefde ben al kan ik de schoonheid van een mannenlijf bewonderen, maar dan wel van een afstand. Ik ben van Venus, de vrouw is mijn geliefde tegenpool en metgezel in de liefde. Bij haar vind ik schoonheid, erotiek en warmte. Op dit punt zijn we anders, zo anders dat we buiten elkaars lichamelijk bereik zijn.

Ik snap Frans dat ook hij naar schoonheid, geborgenheid en liefde verlangt. Ik besef ineens dat onze vriendschap bij hem meer oproept dan bij mij. Dat moet hij geweten hebben of zeker vermoed en dan toch doet dit aanzoek. Hoe wanhopig kun je zijn in je eenzaamheid? Tragisch genoeg kan ik hem daar niet uit verlossen.

Hij heeft vast mijn gedachten van mijn gezicht afgelezen met tot slot mijn onmacht om op zijn aanzoek in te gaan, want hij zwijgt. Zo te zien legt hij zich neer bij onze onmacht om nader tot elkaar te komen. Er is niks aan te doen. Na enige tijd zwijgen stelt hij voor dat we gaan wandelen in het park. 

Zonder het uit te spreken, weten we dat onze vriendschap niet zal lijden onder zijn aanzoek. Wat mij betreft het tegendeel. Ik besef nu pas hoe kwetsbaar hij in zijn eenzaamheid is. Dat maakt de vriendschap intenser.  

Ik hoop dat ik hem tot troost kan zijn, zijn gemis kan verzachten want een gemis is het. Elk mens heeft op enig moment behoefte aan lichamelijke geborgenheid en liefde ook al zal ook dat niet de verlossing zijn uit zijn existentiële eenzaamheid. Is verlossing ooit mogelijk behalve in de dood?
 

vrijdag 14 april 2023

25. TERUG NAAR NIJMEGEN. LEVENSKUNSTENAAR

 

Dora en Frans wandelen door het winterse park van Dekkerswald

Frans begint aardig op te knappen. Het idee om zijn Colombiaanse vrienden uit te nodigen voor een afscheid raakt op de achtergrond. Hij is weer terug in het land van de levenden. Mijn bezoeken doen hem goed. Ik ben niet zijn enige bezoeker,  maar wel de enige met wie hij een vriendenkring in Colombia deelt wat maakt dat je toch wat meer te praten hebt. 

Onze wandelingen, de goede verzorging waaronder vooral het regelmatig goed en gezond eten en de rust doen hem goed. Er staat geen telefoon naast zijn bed en hij kan genieten van klassieke muziek.

Naast de pleegzuster die ik af en toe aantref, heb ik slechts een bezoeker meer ontmoet. Dat is de zoon van de geneesheer directeur van Dekkerswald. Hij is jonger dan ik en erg verlegen, haast te verlegen om te praten. Ik heb de indruk dat hij moeite heeft zijn draai in het leven te vinden en daarom geestelijke hulp zoekt bij Frans. Zoals altijd draait het in het leven om zingeving. Frans kennende probeert hij hem daarbij te helpen. 

Tijdens onze wandeling door het winterse park met de nog kale bomen en struiken voeren we gesprekken die dankzij Frans luchtig en relativerende blijven zonder te bagatelliseren. Zwaarwichtigheid ligt hem niet en dat bevalt me prima.

Als ik weer eens begin over de jonge Marx luistert hij met enige welwillendheid. Hij vindt dat de jonge Marx het zichzelf veel te moeilijk maakt maar dat doen nu eenmaal alle jonge studenten. Ze zijn druk met de ontdekking van de wereld en zich afzetten tegen de vorige generatie net als Marx die zijn leermeester Hegel op zijn kop zette.

De meesten blijven zonder erg steken in wat al langer is beweerd of bedacht. Weinigen ontdekken een nieuwe wereld en waarheid zoals Marx die met zijn filosofie zijn eigen zingeving schiep, een zingeving die volgens hem de mensheid zou verlossen van zijn vervreemding en ellende.  

Maar geen enkele filosofie is in staat om de gebroken wereld ofwel het verloren paradijs te herstellen, ook Marx niet. Het enige antwoord dat overblijft is een eigen zingeving gepaard aan levenskunst en dat moet je zelf uitvogelen.

vrijdag 7 april 2023

24. TERUG NAAR NIJMEGEN. DEKKERSWALD

Frans Rosier en Fernando tijdens een lunch in een heel sober restaurantje in een dorp hoog in de Andes waar Fernando net begonnen was aan een antroplogisch onderzoek onder kleine boeren.

Tussen de bedrijven door ga ik een paar keer per week bij Frans Rosier op bezoek. Hij heeft boven op zolder, ver weg van het sanatorium gedoe, een eigen ruime kamer. Daar tref ik hem meestal uitgestrekt op bed liggend aan. In het begin hulpeloos onder de dekens zodat mijn bezoek een echt ziekenbezoek is. Ik ga in een ouderwetse leunstoel naast het bed zitten en we beginnen ons gesprek over de dagelijkse beslommeringen.

Hij wordt met toewijding verzorgd door een oudere, vriendelijke, geroutineerde verpleegster tevens religieuze. Dankzij Frans weet ze al het en en ander over mij. Voor haar is dat genoeg om met mij om te gaan als ene oude bekende.

Frans is voor haar een kleine of misschien wel grote held. Ze is bezorgd maar doet opgewekt om Frans te bemoedigen. Of dat bij ook zo werkt betwijfel ik. Het amuseert hem enigszins. Ze is blij om iemand als Frans te mogen dienen, ook dat is haar aard. Ze laat doorschemeren dat zij en ik samen ervoor moeten zorgen dat hij er weer bovenop komt. 

Frans heeft het inderdaad lichamelijk en geestelijk zwaar. Zijn bleke gezicht is ouder geworden sinds we elkaar voor het laatst gezien hebben in Colombia. Zijn grijze haar is nog grijzer of eigenlijk zo goed als wit geworden. Hij ligt er hulpeloos, verloren bij. 

Tijdens een van onze eerste ontmoetingen begint hij over afscheid nemen van zijn dierbare jonge Colombiaanse vrienden. Hij vraagt mij of ik het gek vind dat hij hen laat overkomen uit Colombia om afscheid te nemen. Of hij daar wel zoveel geld aan mag uitgeven?

Ik vind dat hij dat best mag doen. Waarom zou hij geen afscheid mogen nemen van zijn beste vrienden als hij hun vlucht kan betalen? Hij noemt er twee. De beminnelijke Alvaro, zijn wetenschappelijke assistent die hij min of meer beschouwt als zijn opvolger. Alvaro en zijn vrouw hebben Frans een paar keer opgevangen in crisistijd. Dat was al toen ik in Colombia was. En dan de voor zichzelf strenge Fernando die de rol speelt van secretaris maar vooral op zijn appartement past. 

Zijn vraag verraadt een zekere mate van onzekerheid die ik niet van hem gewend ben.  Frans was altijd degene die oplossingen had. Hij presenteerde die steevast spelenderwijs, alsof het hem geen moeite kost terwijl hij er vaak toch ook de nodige inspanningen voor moest doen. Hij deed daar nooit moeilijk over. Hij is de eenvoud zelve.

Het ergste voor hem is het niets doen. Dat is hij niet gewend. Frans had in Colombia altijd een druk sociaal leven,  te druk en ik denk dat hem dat uiteindelijk is opgebroken. Hij is geestelijk en lichamelijk  overspannen. Hij verzorgt zijn lichaam slecht, eet ongezond en onregelmatig terwijl hij aan een stuk door rookt. 

Hij zelf relativeert zijn ziekte en praat mild spottend over de artsen. De enige voorgeschreven remedie is rust houden. Maar de spanning is toch nog niet echt weg. Misschien is hij daarom in dit sanatorium geplaatst? Gedwongen rust is waarschijnlijk de enige manier om zijn lichaam weer boven Jan te krijgen. Voor rust in zijn geest moet hijzelf zorgen.


vrijdag 31 maart 2023

23. TERUG NAAR NIJMEGEN. HECTISCHE TIJDEN

 

Tussen de bedrijven door bleef ik mij oefenen in de fotografie. Een zwangere Dora was een dankbaar onderwerp voor mijn oefeningen.

Het zijn hectische tijden. Er wordt nog steeds elke zaterdag gedemonstreerd tegen de oorlog in Vietnam. De leden van de socialistische studentenbond politicologie radicaliseren al maar meer. Een bezetting van de houten barakken van het politicologisch instituut gelegen naast het Bisschop Hamerhuis in de Verlengde Groenestraat, markeert een nieuwe fase in de oorlog tussen studenten en het politicologisch instituut. 

De ingang van de barak is gebarricadeerd. Via een brug van planken stap ik door een zijraam naar binnen. De meeste bezetters zijn vrienden en bekenden van mij, allemaal politicologen. De onbekende gezichten zijn van een nieuwe generatie. Ik merk dat ik als oudere student mij niet meer zo betrokken voel bij de actie. Ik kan het conflict maar moeilijk doorgronden. Door mijn jaar in Colombia heb ik het een en ander rond het democratiseringsproces gemist. 

Mijn indruk is dat het idealisme van het eerste uur is veranderd, misschien wel ontaard in bureaucratische conflicten, d.w.z. meningsverschillen over procedures en regels en die zijn niet mijn sterkste kant. Het is het lot van elke opstand. Het grootse gebaar wordt gevolgd door conflicten op de vierkante centimeter. De volhouder om niet te zeggen de boekhouder wint.  Door mijn verblijf in Colombia sta ik helemaal niet afgestemd op die golflengte. Ik denk dat ik voor de universitaire opstand verloren ben.  

Dat wordt versterkt door de verrassende komst van mijn Colombiaanse mentor Frans Rosier naar Nederland. Hij is op spectaculaire wijze, waar hijzelf later nog om kon grinniken, door een ambulance met sirenes naar het sanatorium in Dekkerswald te Groesbeek gebracht. Dat ligt op nog geen half uurtje rijden met de brommer van onze woning in de van de Havestraat. 

Zodra ik dat te horen krijg, stap ik ter plekke uit de wekelijkse anti-Vietnam demonstratie en ga naar hem toe. Onderweg peins ik over wat er aan de hand kan zijn. In Colombia klaagde hij al over zenuwpijnen over zijn hele lijf en dat hij zich moe voelde. Een oorzaak was niet gevonden. 

Maar zelfs een leek als ik kan zien dat hij vol zenuwen zit. Alleen al dat hij rookt als een ketter. Hij is een gevorderde kettingroker. Dat was al zo toen ik hem leerde kennen maar misschien is het nog meer geworden net als de vermoeidheid.

Die oververmoeidheid is niet zo gek als je ziet waar hij zich allemaal mee bezighoudt binnen en buiten de universiteit en hoeveel mensen hem willen spreken. Hij weigert zelden of nooit een gesprek en luistert welwillend naar ieders verhalen. 

Voeg daar nog zijn eenzaamheid aan toe en het plaatje is rond. Want hoeveel contacten hij ook heeft, hoe bekend hij ook is en wordt gewaardeerd in zijn werk, hij heeft niemand waarmee hij zijn leven tot in zijn diepste wezen kan delen. Dat is voor niemand niet goed maar zeker niet voor iemand die zo gevoelig is.

Natuurlijk, Frans heeft vrienden, veel vrienden. Maar veel van die vrienden in Colombia hebben verwachtingen. Het zijn vaak geen belangeloze vriendschappen. Ze doen een beroep op hem soms is dat geld maar vaker nog voorspraak om ergens binnen te komen en een enkele keer om troost. 

Op sommige mensen oefent het priesterschap een soort aantrekkingskracht uit. Alsof priesters een magische kracht hebben, een speciale verbinding hebben met daarboven die je kan helpen om je uit de put te halen. Zulke gesprekken en contacten vreten energie en je krijgt er weinig voor terug. Frans zal dat zeker beseffen maar kan het niet laten. Hij is een kind van de mensen.

Ik hoef niks van hem behalve zijn vriendschap die ons leeftijdsverschil overbrugt. Frans is van een andere generatie, van voor de Tweede Wereldoorlog. Ik ben van na die oorlog.  Zijn leven is gebouwd op heel andere fundamenten dan het mijne. Bovendien  is hij al zijn hele leven priester en voor zover ik kan nagaan uit overtuiging. 

Dat heb ik nooit gehad. Hoewel het in mijn jeugd wel voorkwam, ik ben zelfs heel even misdienaar geweest, heb nooit ook maar enig moment overwogen om priester te worden. Ik zou dat niet gekund hebben, geestelijk en lichamelijk niet. 

We vinden beiden dat dit verschil in levenshouding geen belemmering hoeft te zijn voor onze vriendschap. Op de een of andere manier lukt het ons om de afstand tussen ons beiden in tijd en  plaats, hij als priester en ik als een getrouwde man, te overbruggen. Het doet me deugd dat ik hem nu van dienst kan zijn.
 

vrijdag 6 januari 2023

11. TERUG NAAR NIJMEGEN. EEN BAAN

 

Met Frans Rosier tijdens een wandeling in Dekkerswald bij Nijmegen waar hij op doktersadvies tot rust moest komen.

Afgestudeerd en wat nu?  Ik heb het voornemen om terug te gaan naar Latijns Amerika, als het kan als ontwikkelingswerker bij de Verenigde Naties. Dat is misschien te hoog gegrepen maar je weet nooit hoe een koe een haas vangt. Ik meld me per omgaande bij het Directoraat Generaal Internationale Samenwerking, in de volksmond degis genoemd. 

Ik word zowaar uitgenodigd om een proeve van bekwaamheid af te leggen, bestaande uit voornamelijk keuze tests. Het komt me allemaal bekend voor van mijn sollicitatie bij Philips 7 jaar geleden. Als ik dat zo zie, is er niet veel veranderd in het testwereldje. Toen kwam ik er goed door dus waarom nu ook niet?

Er volgt een gesprek met twee hoge ambtenaren van degis. Ik word gevraagd om in het Engels iets te vertellen over het hoe en waarom van mijn sollicitatie. Ze vragen of ik enigst kind ben. Ik ben de oudste van drie broers en een zus. Als ik vertrek blijven mijn ouders niet eenzaam en alleen achter. Die hebben hun handen vol aan de rest van het gezin en mij dus niet nodig. Hetzelfde geldt voor Krullenbol. Zij is de oudste van drie kinderen thuis. 

Dan is de vraag hoe de samenwerking met Frans Rosier in Colombia was. Hij staat bij het directoraat hoog aangeschreven om zijn inzet en werk op de Nationale Universiteit en later op de Andes universiteit. Als prof is hij belast met de opzet van een afdeling sociale psychologie, een project dat meegefinancierd wordt door Nederland.

Voor Rosier betekent dit project dat hij studenten kan betrekken bij de sociale problematiek van het land, de miserabele armoede in de krottenwijken. Hij heeft een aantal sociaal bewogen studenten uit verschillende lagen van de bevolking om zich heen verzameld. Met hen heeft hij een langjarig studieproject opgezet. Onderdeel van het project is om een tijd lang, minstens een half jaar, in een krottenwijk te wonen. Hun ervaringen worden gerapporteerd en onderling besproken. Op die manier leren ze de sociale problemen van hun land van binnenuit kennen. Het wordt een existentiële ervaring die verder reikt dan boekenwijsheid.

Het sollicitatiegesprek krijgt een licht dramatische wending als een van de directieleden vertelt een goede vriend te zijn geweest van mijn voormalige baas bij Philips. Ze kenden elkaar uit het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, een kant die ik van hem niet kende maar mijn waardering voor hem des te groter maakt. Ik hoor tot mijn diepe spijt dat hij twee jaar geleden na een ziekbed is gestorven. Ik ben hem nog altijd dankbaar dat hij mij gesteund heeft om mijn weg te vinden, eerst bij Philips en na nog eens op zijn verzoek getest te zijn, op de universiteit terecht ben gekomen. 

Niet geheel tot mijn verrassing, het was per slot van rekening een goed gesprek, word ik aangenomen als assistent deskundige voor internationale uitzending via een van de instellingen van de Verenigde Naties. Zodra er een geschikte post is, krijg ik dat te horen. Dat kan wel even duren. Ik kan ondertussen gerust een tijdelijke baan zoeken. 

Die liggen niet voor het opscheppen, de werkloosheid onder sociaal wetenschappers is hoog. Ik heb me daarom ingeschreven als werkzoekende bij de gemeente Nijmegen. Met de bijbehorende uitkering kan ik voorlopig in het onderhoud van ons gezin voorzien.

Sommige medestudenten verbazen zich dat ik wel ben aangenomen en zij niet. Een van hen heeft een jaar op de Californische Berkeley University gestudeerd, het centrum van de opstand tegen de Vietnam oorlog. Hij is daarna cum laude afgestudeerd aan de faculteit Sociologie in Nijmegen. Hij vermoedt dat zijn afwijzing het gevolg is van zijn activisme tegen de Vietnamoorlog. Ik weet dat niet. Mijn Vietnam activisme is niet ter sprake gekomen. Maar ja, je weet maar nooit hoe je bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst te boek staat.

(wordt vervolgd)
 

vrijdag 30 december 2022

10. TERUG NAAR NIJMEGEN. HOE SCHRIJF JE EEN SCRIPTIE?

 


Hoe schrijf je een scriptie? Eerst dacht ik een grootse en meeslepende wetenschappelijk verhandeling te schrijven. Geen idee hoe precies, maar ik wilde alles zeggen wat ik er zeggen valt en dat is veel en origineel, dacht ik. 

Maar mijn wetenschappelijke begeleider tevens mentor Frans Rosier heeft mij in Colombia behoedzaam gemaakt. Jonge wetenschappers maken het zichzelf veel te moeilijk, zo sneerde hij af en toe als we weer eens in een ingewikkeld gesprek over de Marx en God hadden.

Ze willen onnodig geleerd doen met gewichtige verwijzingen en een uitgebreid notenapparaat terwijl de eenvoudige dingen des levens hen ontgaan, beweerde hij. Hij relativeerde daarbij zijn eigen rol als mentor daarbij voortdurend. Hij zei me herhaaldelijk niks te snappen van politicologie. Ergens in de verte klonk dat alsof hij het een modieus vak vond, maar zeggen deed hij dat nooit.

Ik had er geen probleem mee dat hij niks wist van politicologie. Politicologie is bijzaak. Hoofdzaak is dat ik een land als Colombia sociaal en politiek leer begrijpen. Zijn scherpe waarnemingen en zijn brede ervaring in Colombia zijn daarbij voor mij van groter nut dan een theoretische verhandeling over het politieke partijenstelsel. 

Maar leg dat maar eens uit aan een professor in Nijmegen die zweert bij wetenschap volgens het boekje. Had die niet ooit tijdens een van zijn  eerste colleges gezegd dat politicologie straks een net zo geordende en strak georganiseerde wetenschap zal zijn als de medische wetenschap? Zullen straks niet politicologen in een witte jas politicologische studies uitvoeren die de basis zullen zijn van overheidsbeleid? Zal de politicoloog straks niet zijn als een arts die politieke ziektes te lijf gaat? 

Een toekomstbeeld van de politicologie waar ik vriendelijk voor bedank. Ik voel me toch al niet aangetrokken tot een wetenschappelijke carrière zo die al mogelijk zou zijn. Ik vind het niks om opgesloten in een studeerkamer uit te zoeken hoe politiek en maatschappij in elkaar zitten. Daarvoor ben ik teveel een doener al moet je het nadenken over wat je doet niet laten.

Je kunt toch ook geen goeie timmerman worden door alleen maar verhandelingen over timmeren te lezen zonder ooit zelf iets in elkaar te timmeren? Zo is het ook met politiek en maatschappij. Wil je daar enige vat op krijgen, hoe gering ook dan zul je er zelf mee aan de slag moeten.

Rosier in dit opzicht een bron van inspiratie en ondanks ons leeftijdsverschil ook een goede vriend. Hij is als priester en pater de wereld in getrokken. Heeft niet uit alleen boekjes gelezen over God en de mensen maar is naar de mensen toegegaan. Hij is op zoek gegaan naar God bij de mensen en heeft daarna zijn ervaringen te boek gesteld. 

Zo wil ik het ook doen. Ik ben niet op zoek naar God, maar naar sociale rechtvaardigheid en om te weten hoe dat zit, moet ik me onder de mensen begeven. Sociale rechtvaardigheid prediken is een ding maar meewerken aan het bevorderen van sociale rechtvaardigheid is beter. Daarvoor moet ik me op de een of andere manier onder de mensen begeven.

Met dit allemaal in mijn achterhoofd, besluit ik mij niet langer te forceren tot het schrijven van een baanbrekend politicologisch werk over de Liberale en Conservatieve Partij in Colombia, maar mij te beperken tot een simpele afstudeer scriptie uiteraard met een goed notenapparaat om professor Hoogerwerf en zijn wetenschappelijke ambities tevreden te stellen. Per slot van rekening moet ik wel een voldoende halen.

Toen dat inzicht bij me was ingedaald, ging het schrijven van de scriptie een stuk gemakkelijker. De last om alles wetenschappelijk theoretisch te verantwoorden was van me afgevallen. In de beperking kent men de meester. Dat vindt  Hoogerwerf blijkbaar ook want hij is zo genereus om mij op 7 juli 1972 een voldoende te geven met de opmerking dat het bijzonder te waarderen was dat ik zoveel moeite had gedaan om ook nog Spaans te leren. Inderdaad, je moet je taal wel spreken als je de mensen wil verstaan en begrijpen.

(wordt vervolgd)