Posts tonen met het label dora. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dora. Alle posts tonen

vrijdag 14 april 2023

25. TERUG NAAR NIJMEGEN. LEVENSKUNSTENAAR

 

Dora en Frans wandelen door het winterse park van Dekkerswald

Frans begint aardig op te knappen. Het idee om zijn Colombiaanse vrienden uit te nodigen voor een afscheid raakt op de achtergrond. Hij is weer terug in het land van de levenden. Mijn bezoeken doen hem goed. Ik ben niet zijn enige bezoeker,  maar wel de enige met wie hij een vriendenkring in Colombia deelt wat maakt dat je toch wat meer te praten hebt. 

Onze wandelingen, de goede verzorging waaronder vooral het regelmatig goed en gezond eten en de rust doen hem goed. Er staat geen telefoon naast zijn bed en hij kan genieten van klassieke muziek.

Naast de pleegzuster die ik af en toe aantref, heb ik slechts een bezoeker meer ontmoet. Dat is de zoon van de geneesheer directeur van Dekkerswald. Hij is jonger dan ik en erg verlegen, haast te verlegen om te praten. Ik heb de indruk dat hij moeite heeft zijn draai in het leven te vinden en daarom geestelijke hulp zoekt bij Frans. Zoals altijd draait het in het leven om zingeving. Frans kennende probeert hij hem daarbij te helpen. 

Tijdens onze wandeling door het winterse park met de nog kale bomen en struiken voeren we gesprekken die dankzij Frans luchtig en relativerende blijven zonder te bagatelliseren. Zwaarwichtigheid ligt hem niet en dat bevalt me prima.

Als ik weer eens begin over de jonge Marx luistert hij met enige welwillendheid. Hij vindt dat de jonge Marx het zichzelf veel te moeilijk maakt maar dat doen nu eenmaal alle jonge studenten. Ze zijn druk met de ontdekking van de wereld en zich afzetten tegen de vorige generatie net als Marx die zijn leermeester Hegel op zijn kop zette.

De meesten blijven zonder erg steken in wat al langer is beweerd of bedacht. Weinigen ontdekken een nieuwe wereld en waarheid zoals Marx die met zijn filosofie zijn eigen zingeving schiep, een zingeving die volgens hem de mensheid zou verlossen van zijn vervreemding en ellende.  

Maar geen enkele filosofie is in staat om de gebroken wereld ofwel het verloren paradijs te herstellen, ook Marx niet. Het enige antwoord dat overblijft is een eigen zingeving gepaard aan levenskunst en dat moet je zelf uitvogelen.

vrijdag 10 juni 2022

52. HET BELOOFDE LAND. DE OUDE INDIAANSE

 

Ontbijt aan de oever van de rio Magdalena met rechts Roberto, Dora in het midden en Cielo links.

De rest van de dag zonnen we wat op de rotsen aan de oevers van de rivier. Ik bewonder een aantal ‘rocas’, in rotsen door het water perfect rond uitgesleten kuilen, de een nog groter of dieper dan de ander. Ik heb geen idee hoe het precies in zijn werk gaat en hoe lang het duurt maar ze zijn volmaakt van vorm. 

s’Avonds komt de oude vrouw met twee zoons ons tijdens het koken bezoeken met nieuw handelswaar. Nu is het Dora en mijn beurt om “individuales” te kopen: vier stuks voor 15 peso per stuk. We krijgen er gratis maïskolven bij om te roosteren boven het vuur. Dat doen we zo onhandig dat de indiaanse het niet langer kan aanzien en de kolven uit onze handen neemt en ze zelf begint te roosteren. Het lijkt wel of ze vuurvaste vingers heeft zo gemakkelijk beweegt ze haar handen boven het vuur. 

Als ze ons bewonderend ziet kijken, zegt ze wijselijk “het stadsleven is het stadsleven, het plattelandsleven is het plattelandsleven”. En daar heeft ze gelijk in. Onze vaardigheden zijn niet geschikt om in de bijna nog ongerepte natuur te leven. Dat begint al aan de onderkant, bij de voeten. Zonder schoenen zouden we het nog geen honderd meter vol houden rond te lopen in de bergen. Zij daarentegen lopen op blote voeten alsof ze op een tapijt lopen en zo lichtvoetig dat je er jaloers op wordt. 

Door het vochtige hout is en blijft het moeizaam stoken om het vuurtje brandend te houden. Opeens staan zoons en moeder op en verdwijnen in het donker wordend struikgewas. Geloof het of niet maar in een mum van tijd ligt er naast ons vuur een flinke stapel droog stookhout. Waar ze het vandaan gehaald hebben mag joost weten. Wij konden het met geen mogelijkheid vinden.

We koken met water uit de Magdalena rijst en yuca. De oude indiaanse kan haar ogen niet van onze pannetjes afhouden. Zulke handige in elkaar passende  pannetjes heeft ze nog nooit gezien. Na veel schroom en bergen verlegenheid komt het eruit. Ze zou die pannetjes graag willen hebben, misschien ruilen? Dat gaat helaas niet want Oscar heeft ze geleend van een vriend. Bij de dansende vlammetjes van het vuur zie ik haar teleurstelling. Na verloop van tijd staat ze op en vertrekt tezamen met haar twee zoons. 

Nu zijn we helemaal alleen met het geruis van de rivier, de geheimzinnig geluiden uit het struikgewas, een prachtige sterrenhemel die ons als een koepel beschut tegen alles wat van buiten kan komen. De sterren schijnen helder. In de verste verte is er geen kwaad of onheil te bekennen. We voelen ons veilig in de natuur en gaan met een gerust hart slapen.

(wordt vervolgd)
 

vrijdag 1 januari 2021

92. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, MAROKKO

 

Henkius links en Bernard rechts ergens in Noord Frankrijk langs de snelweg tussen Lille en Parijs.

Nog net voordat het voorjaar begint, de tijd van het ijs venten is nog niet aangebroken, vraagt Bernard of Dora en ik zin hebben om met hem op reis te gaan naar Marokko. Ik heb in huis vage geruchten opgevangen over reisplannen naar Marokko maar geen idee over wie, wat of hoe. Hij vertelde dat hij de afgelopen maanden met drie studiegenoten plannen gemaakt had maar dat ze tot zijn verbazing en teleurstelling afhaakten. Naar het schijnt vonden ze het uiteindelijk een te onzeker avontuur.

Bernard is een aangename huisgenoot waarmee ik goed kan opschieten. Hij lijkt me een prima reisgenoot. Dora en ik durven het wel aan om samen met hem zo een reis te maken. Reizen, te vertalen als avontuur en nieuwsgierigheid naar de wereld, is een jongensdroom sinds ik Kuifje en Arendsoog ben gaan lezen. Bij de verkenners leerde ik dan weer hoe ik onderweg voor mezelf kon zorgen; tent opzetten, vuur maken, sporen lezen en al die andere dingen die je op reis moet kunnen.

Een reis naar Marokko is in dit jaar van opstand en revolutie weer eens wat anders. Geen grootse vergezichten en ideologisch bouwwerken waarover lang en veel vergaderd moet worden maar een reisplan met een doel. Een reis waarvan ik bijna zeker ben dat er meer van zullen volgen al heb ik nog geen idee hoe dat zou moeten. Komt tijd, komt raad. Dora denkt er als hetzelfde over. We zitten op dezelfde golflengte. De ouders van Dora hebben er tot onze verbazing geen moeite mee. Blijkbaar vinden ze dat we er oud en wijs genoeg voor zijn al zullen ze wel bezorgd geweest zijn, maar dat laten ze niet merken.

Een reisgezelschap van drie personen is onhandig. Vier is beter, maar waar vinden we een vierde reiziger, wat ook meteen zou schelen in de kosten? Min of meer op goed geluk vraag ik Henkius, die ik ontmoet heb bij Politeia en sociologie colleges. Hij is wars van dikdoenerij en aanstellerij, nergens bang van en past zich aan aan omstandigheden. Een betrouwbare metgezel. Hij is weliswaar kort geleden vader geworden maar dat blijkt geen belemmering. Zijn vriendin en hij laten elkaar zoveel mogelijk vrij.

Nu het probleem van het reisgezelschap is opgelost, blijft de kwestie van de financiering over. Niemand van ons heeft genoeg geld om een auto te kopen en ook nog eens de reis te betalen. Dora verdient net genoeg om van te leven, mijn toelage houdt niet over en die van Bernard en Henkius ook niet. Gelukkig kunnen we in de lente alle drie een paar weken ijs venten bij vriend Henny in Oss. Dat brengt meteen genoeg vakantiegeld op. Nu nog de aanschaf van een enigszins betrouwbare maar vooral betaalbare auto.

Het toeval komt ons te hulp. Ik heb een oom die als bijverdienste losjes in oude auto’s handelt, versleten tweedehandse brikken. Hij heeft voor ons een geschikte model staan, een Renault Fregat voor de betaalbare prijs van zevenhonderd gulden. Ik heb nog nooit gehoord van de Renault Fregat maar ik weet dan ook niet veel over auto’s. Een auto kopen is zowiezo een nieuwe ervaring voor me en dan is het een hele geruststelling dat je bij je eigen familie terecht kunt.

(verschijnt elke vrijdag)
 

 

 

 

 

 


What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 25 december 2020

91. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, LIEFDESVERDRIET

Tina (rechts) en Dora samen in de keuken. (Foto: Claartje Neuhaus)

 

Ik heb nog niet veel verteld over de drie vriendinnen met wie Dora samenwoont onder het motto samen maar toch apart. Ze hebben elk een eigen kamer. De rest van het huis hebben ze gezamenlijk waarvan de keuken het belangrijkste is. Ook hebben ze een gezamenlijke huishoudpot voor eten en andere huiselijke benodigdheden. In de weekenden eten de overblijvers samen. Ik wil als overblijver nogal eens aanschuiven.

Beneden wonen de twee zussen Mar en Klaar. Klaar is de oudste van de twee. Zij woont in de grote kamer naast de keuken, Mar heeft de voorkamer. Om van de keuken naar haar kamer te komen, moet ze door de woonkamer van haar zus tenzij ze buitenom zou lopen naar de voordeur, maar dat gebeurt nooit. De voordeur wordt zelden gebruikt. Mar studeert biologie aan de Katholieke Universiteit net als haar twee broers. Klaar geeft tekenles op een school voor nijverheidsonderwijs.

 Dora woont met Tina boven op zolder waar twee slaapkamers zijn getimmerd. Via een kale houten trap op de deel kom je boven. Tina geeft net als Klaar tekenles. Ze heeft verkering met een filosofie student. In de weekeinden treffen we elkaar wel eens aan de keukentafel bij het eten en naleuteren met koffie. Met zijn ronde bril, haardos, colbertje en bedachtzame manier van praten, is hij de verpersoonlijking van de filosofie student. 

Tina heeft als kind met haar moeder in een Jappenkamp in Nederlands Indië gezeten. Daar praat ze zelden of nooit over. Ze zijn na de onafhankelijkheid van Nederlands Indië teruggekomen naar Nederland waar haar vader weer leraar is geworden. Haar moeder is streng gelovig katholiek. Als kind was Tina zo gevoelig voor het geloof dat ze, zo vertelde ze, erover gedacht heeft om uit het raam te springen om zo meteen in de hemel te komen. Haar streng gelovige moeder heb ik jaren later ontmoet maar dat is een ander verhaal.

 Tina heeft geen geluk in de liefde. Ze is gelukkig met haar filosoof maar hij niet langer met haar. Op de avond dat hij het uitmaakt horen we Tina door de dunne houten scheidingswand intens verdrietig huilen met lange uithalen die vanuit de diepte van haar ziel leken te komen. Zoveel liefdesverdriet hadden we nog nooit gehoord, een verloren eenzame ziel waaruit droefenis als een woeste rivier naar buiten kolkte. Het is niet meer goed gekomen tussen haar en de filosoof.

Mar zit anders in elkaar. Ze heeft geregeld aanbidders maar die maken geen schijn van kans. Waarom weet ik niet, sommigen zien er alleraardigst uit, maar ze worden zo resoluut afgewezen dat ze het niet wagen om het het nog een keer te proberen. Ik heb slechts een student gekend die het enige tijd heeft vol gehouden om langs te komen. Ik meen me te herinneren dat hij ook ontvangen is in de keuken, niet op haar kamer. Op een gegeven moment heb ik ook hem met bloemen in zijn hand de deur moeten wijzen.

(verschijnt elke vrijdag)

What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 18 december 2020

90. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, EEN AFFAIRE

Met Dora in de keuken van het huis waar ze samenwoont met 3 vriendinnen. (Foto: Clara Neuhaus)

 

Het apart en toch samen wonen in Nijmegen brengt ons weer wat dichter bij elkaar totdat ik op een verloren namiddag met enkele studievrienden te gast ben bij een slanke, artistiek in het zwart geklede antropologie studente met zwaar zwart opgemaakte ogen en fel rode lippen waarop ik op slag verliefd raak. 

Ik bemerk dat ik net zo van de kaart geraak als indertijd op het schoolplein toen ik voor het eerst de dansende blonde krullen van B.B. zag. Ik word zenuwachtig, ik zweet teveel, ik hoor haar praten maar volg het niet en weet zelf niet wat te zeggen. Ik voel me een houterige pop of een schooljongen in korte broek. Ik weet niet of mijn onhandige gedrag opvalt. Ze laat het in ieder geval niet merken.

Thuis gekomen probeer ik mijn gevoelens op orde te krijgen maar dat gaat moeilijk zo verrast als ik ben door de overval van verliefdheid. Ik ben moe of zelfs bijna uitgeput van de ontmoeting. Ik ben nu eenmaal geen onverstoorbare koele minnaar en ook geen flirt die weet hoe hij zich moet etaleren. Doe maar gewoon dan doe je gek genoeg is dankzij mijn moeder een levensmotto van me geworden. Nog verward en zwaar te moede ga ik die avond, zoals bijna elke avond, langs bij Dora. Bij wie anders kan ik mijn verhaal kwijt dan bij haar, moet ik in een moment van verstandsverbijstering gedacht hebben.


Ik zie al meteen aan haar gezicht dat ik een grote vergissing bega door met haar dit probleem te willen bespreken. Als ze niet meer dan een vriendin was geweest, zou het nog gekund hebben maar we zijn geliefden en hoe je het ook wendt of keert mijn verliefdheid op een andere vrouw is en bedreiging van onze liefde en zo voelt het ook voor Dora.

Dat was ik in mijn liefdeskoorts even vergeten. Hoe kun je zo stom zijn? Ze vraagt me verbaasd en verbijsterd wat dit betekent? Is het nu uit tussen ons? Zo ver was ik nog niet en dus zwijg ik en haal uit onmacht mijn schouders op. Nu begint ze zacht te huilen zonder mij verwijten te maken. Op dat moment dringt het pas tot me door dat ik erg egoïstisch te werk ben gegaan. Ik was de gevoelens van Dora gewoonweg vergeten. Dat is dus wat verliefdheid met je doet. Het zet alles op zijn kop. Ik ben niet opgewassen tegen haar verdriet en waar zou ik haar mee moeten troosten. Er zit niks anders op dan in stilte te vertrekken. 

De volgende middag ga ik op bezoek bij de vrouw in het zwart. Gezeten op de grond drinken we thee. Ik probeer voorzichtig het thema verliefdheid en liefde aan te roeren. Ik maak in het gesprek omtrekkende bewegingen om te zien of zij misschien ook last heeft van enige verliefdheid. Dat blijkt geenszins het geval zodat het langzaam maar zeker tot me begint door te dringen dat ik in een hopeloze situatie verzeild ben geraakt.

Eenmaal op de fiets terug naar mijn kamer zie ik glashelder voor me wat me te doen staat. Dora zo snel mogelijk geruststellen dat er niks aan de hand is, dat mijn verliefdheid nog sneller dan een strovuurtje is opgebrand en dat ik alles in het werk wil stellen om haar vertrouwen terug te winnen want die zal door mijn domme actie wel een flinke knauw hebben gekregen. Die avond praat ik nog lang met Dora na.

Ik kan me na zulke beslommeringen van geest en lichaam verliezen in de vraag wat liefde nu eigenlijk is als het zodanig je ziel en hoofd zo op hol kan brengen dat je in een koortsdroom verzeild raakt. Hoort dit bij de instinctmatige drang om de soort in stand te houden, en dat die drang wordt verfraaid wordt door gevoelens van schoonheid en lust om vervolgens te worden behangen met romantische versierselen als poëzie, liefdesliedjes en mode? Vanwaar komt het gevoel dat je opgaat in de ander, de ander je volledig maakt en dat het goed voelt om bij elkaar te zijn? Dora heeft minder dan ik de behoefte om zich dit soort vragen te stellen. Liefde zit in je, het is er of het is er niet en dat is genoeg voor haar. Je moet je er aan overgeven en de rest vol vertrouwen overlaten aan het leven zelf.

 (verschijn elke vrijdag)


What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 9 oktober 2020

81. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG: DE KUNST VAN HET IJS VENTEN

 

De gemotoriseerde ijskar

Eenmaal aangekomen bij een van de Maasdorpen tingel ik er flink op los met mijn ijskar bel. Kinderen en ouders lijken me te verwachten. Ze rennen op mijn kar af zodra ik stil sta. De kinderen volgen oplettend alles wat ik doe. Nog voor ik klaar ben met hun ijsje, strekken ze hun handen al uit naar het hoorntje met een bolletje ijs van 15 cent. Het geld valt rinkelend in mijn blikken koekdoosje dat ik in de gauwigheid op de kar heb gezet. Ondertussen wordt om me heen druk gekletst. Mijn ijskar is net een dorpspleintje.


Ik ben ondertussen een ijsjes smerende duizendpoot. Ik vraag wat ze willen, aardbeien of vanille ijs, in een hoorntje, bakje of tussen twee grote wafels, spoel mijn ijslepel in het bakje water, pak het hoorntje, bakje of wafel uit de koekendoos, smeer het ijs, noem de prijs en reken af.  Dat allemaal in een zo hoog mogelijk tempo om zoveel mogelijk klanten te kunnen bedienen. IJs venten vereist concentratie. Het is een kunst. 


Soms tref ik op de dijk vissers die een ijsje kopen voordat ze hun hengel in de Maas gaan uitgooien. Soms zwaaien vissers vanaf de oever dat ik moet stoppen. Een van hen hijst zich tegen de dijk omhoog. Hij is de man die trakteert. Dat kunnen wafels zijn met 3 dikke bollen ijs voor 50 cent of een bakje met 2 bollen ijs voor 25 cent. Tussendoor is er nog wat tijd voor klets over het weer, de vangst, de vissen, de Maas of wat dan ook. Het kwaad in de wereld is ver weg.

 
Op twee plekken in mijn ronde verkoop ik bij goed weer veel ijs, vooral op zaterdag en zondag. De eerste is die aan het kanaal in aanleg, vlak bij de brug van Macharen op een brede strook gras onder aan de dijk. Daar ligt altijd een hoop volk te zonnen. Een enkeling zwemt in het kanaal. Het is een gezellige drukte van jonge mannen en mooie meisjes. Zodra ik boven op de dijk met mijn ijskar stop, stromen ze toe in badpak. Ik begin als een razende ijs te smeren. 


Al snel zie ik de bodem van mijn bakken ijs. Normaal zou ik terug naar Oss moeten rijden om nieuwe voorraad te halen. Dat kost me al gauw een uur alleen al het op en neer rijden. Een kostbaar uur want ik verdien niks. Gelukkig is daar mijn vriendin Dora met de witte Taunus 12M van thuis. Zodra een bak leeg is, haalt ze met de auto een nieuwe bak. Dat is in een kwartier gepiept.


Een andere plek met een gegarandeerde hoge ijs omzet, is aan het pont van Megen, een noodzakelijke stop op de noord-zuid verbinding tussen Oss en Tiel. Dankzij de groeiende welvaart staan in het weekeinde na het middageten de Volkswagentjes en Opel Kadettjes in een lange rij te wachten op de overvaart op weg naar vertier elders. 


Om de tijd te doden, komen ze een ijsje halen. Staat er eenmaal eentje aan mijn kar dan volgt de rest als vanzelf. Aan mijn kar nemen ze alvast een voorschot op het nakende vermaak. Op het ritme van de kalme op en neer varende pont heb ik het druk met ijs smeren. Dora zorgt er ondertussen met de Taunus 12M voor dat mijn voorraad smeerijs op peil blijft. Zo kan het zijn dat ik op een mooie zomerdag zo maar vier bakken ijs leeg smeer.

(verschijnt elke vrijdag)
 

What do you want to do ?
New mail

vrijdag 24 april 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG, 57. KURFÜRSTENDAMM

Kurfürstendamm, Berlijn 1968

Gewend als we zijn aan vreedzame demonstraties voelen we ons overdonderd door deze strijdvaardige actie. Vorig jaar Pasen heb ik met een paar vrienden per toeval in Parijs een botsing tussen politie en betogers meegemaakt tijdens een studentendemonstratie tegen de oorlog in Vietnam. Dat vonden we avontuurlijk totdat we ineens oog en oog stonden met de politie. Toen we zagen dat met de knuppels en geweren van de Franse politie niet te spotten viel, zijn we hals over kop de Tuilerieën in gevlucht. 

Misschien is de politie in West-Berlijn minder agressief en valt het mee maar we hebben geen van allen behoefte dat uit eigen ervaring vast te stellen. We besluiten om af te wachten wat de dag van morgen brengt en dat, als het uitdraait op een veldslag om de Kurfürstendamm, we niet mee zullen doen. Betogen is een mooi maar een fanatieke veldslag met de Berlijnse politie gaat ons te ver.


We vragen ons af waar die strijdlust van de socialistische studentenbond vandaan komt? Onze gids en toeverlaat De Prediker weet het ook niet. Heeft het iets te maken met de Duitse volksaard? Is de anti-Vietnam beweging in Duitsland radicaler dan bij ons? Is het de revolutionaire romantiek met helden als Fidel Castro, Che Guevara, Ho Tsji Minh enz. die de studenten overmoedig maakt?  Of is het een politieke strijd tussen het sociaal-democratische bestuur van de stad en de socialistische studentenbeweging? 


Ik kan de slaap in het opgewonden rumoer niet vatten en besluit buiten op een muurtje aan het schoolplein een sigaret te gaan roken. Al inhalerend kijk ik naar de donkerblauwe hemel. Het roken, samen met de maan en de sterren tegen de diep donkerblauwe achtergrond van de heldere februari nacht, brengen me tot rust. Ik voel me veilig onder de nachtelijke hemel met zijn twinkelende sterren. Het universum is onverstoorbaar en dat is geruststellend net als dat Dora bij me is. Dankzij haar ben ik niet alleen in dit uitgestrekte raadselachtige universum. Ook in dit avontuur is zij mijn houvast en redding uit de eenzaamheid. Als ik Arendsoog ben, is zij Witte Veder, samen voor het goede en tegen het kwaad, tot redding van de mensheid.

Verschijnt elke vrijdag

Elke gelijkenis met bestaande personen 


of gebeurtenissen berust op louter toeval.
 



vrijdag 13 maart 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 51, EINDE ROODKAPJE

Zelfportret

Na veel wikken en wegen besluit ik een einde te maken aan mijn dwaling in het labyrint der liefde. Zeker geen pijnlijke momenten meer voor Dora. Ik hoop maar dat de schade meevalt en ze mijn dwaling vergeeft als een gevolg van tijdelijke ontoerekeningsvatbaarheid. Nu ik mijn geestelijke vermogens weer terug heb, kies ik onvoorwaardelijk voor haar. Ik trek het boetekleed - geestelijk wel te verstaan - aan en strooi eveneens geestelijk te verstaan as op mijn hoofd. Ik zeg haar dat het mijn schuld is, mijn schuld en nog eens mijn schuld. Wat ook zo is.

Dora is nog altijd boos en verdrietig maar als ze mijn besluit hoort is ze verbaasd en blij tegelijk. Om het met een stevig cliché te zeggen; ze lacht door haar tranen heen. Wat wil een man nog meer? Hoewel, ze blijft op haar hoede. Ze is nog altijd op het ergste voorbereid. Ze vertrouwt het nog niet helemaal maar is blij dat ik van gedachten ben veranderd. Ik opereer behoedzaam tussen de klippen van pijn, verdriet, boosheid en wantrouwen door en probeer vooral niet onhandige of domme dingen te zeggen. Ik let op mijn woorden want ik wil niet opnieuw haar ziel beschadigen. Ik luister en kijk aandachtig, op zoek naar een houvast tot herstel van onze liefde. Ik zie aan haar ogen dat zij hetzelfde doet. We zijn op zoek naar elkaar en wie zoekt zal vinden.


Voorzichtig nemen we de draad tussen ons weer op en laten het verdriet, de pijn en de boosheid langzaam achter ons. Hoe kun je dat beter doen dan door liefde en lust te delen in haar smal bed? Daar onder het schuine planken dak van haar zolderkamer maken we een nieuw begin met ons liefdesverhaal en verjagen het sprookje van Roodkapje naar de uithoeken van onze geschiedenis. Met elke volgende vrijpartij verdwijnt Roodkapje steeds verder in de mist tot ze uit het zicht verdwenen is.

`
“Aan de schone jeugd der beide sexen

Mint en kust, o jongelingen!
Lieve meisjes! Mint en kust.
Denkt, als de ouderdom u nadert,
Is de minvuur uitgeblust.
Kom, besteedt dan wel de dagen,
Die des levens bloeitijd biedt,
En verzuimt uw brandende offers
Aan de ted’re Venus niet!”
enz.

(Leonard de Vries, Eros’ Lusthof, De spiegel der vrijerij en minnekunst 2, Meulenhof Amsterdam.

Zo maken we tussen de schone lakens van het smalle bed een einde aan het sprookje van Roodkapje en beginnen ons eigen sprookje van vlees, bloed, zweet en tranen. Hoe lang dat sprookje gaat duren weten we niet maar er zullen zeker reuzen en heksen in voorkomen maar ook elfen en tovenaars. Geluk en tegenslag zullen elkaar afwisselen maar zo lang het sprookje duurt zullen we niet alleen zijn.

(verschijnt elke vrijdag)

Elke gelijkenis met bestaande personen 
of gebeurtenissen berust op louter toeval.

vrijdag 6 maart 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 50, SPROOKJESPRINS



Ze vraagt mij verbijsterd of ik van plan ben haar in de steek te laten vanwege een sprookje? Is dat wat ik kom vertellen? Maak ik het uit om als een verliefde aap achter een sprookjesmeid aan te lopen die ik waarschijnlijk nooit meer zal vinden en die, als ik haar wel zou vinden, niks van mij moet hebben? Waarom is ze anders weggelopen uit het café? Denk ik nou echt dat ik een sprookjesprins ben op een Vespa?

Wat kan ik zeggen? Ik raak in de war. Roodkapje is een onvindbaar sprookje daarin moet ik haar gelijk geven. Nuchter bezien is het een hopeloze zaak aan het worden. Ook niet voor de eerste keer. Op de middelbare school heb ik bijna een jaar lang verliefde rondjes gelopen achter blonde krullen. Het liep uit op een fiasco. Maar ondanks de binnensluipende twijfel blijf ik verliefd. Verliefdheid verdwijnt zo maar niet. Verliefdheid houdt zich niet aan feiten. Sterker nog feiten zijn geen feiten als je verliefd bent.


Ik sta machteloos en hulpeloos. Het zien van zoveel verdriet bij de huilende Dora doet me meer pijn dan ik kan zeggen. Ik zou willen dat ik het haar had kunnen besparen, dat ik haar in mijn armen kan nemen en troosten. Maar dat gaat niet meer. Mijn verliefdheid op Roodkapje ligt als een onwrikbaar rotsblok tussen ons in. We zijn onbereikbaar voor elkaar. 


Onmachtig om haar te troosten, druip ik moedeloos af, een intens huilende Dora achterlatend op haar kamer. Bij het besef dat ik in een vlaag van verliefdheid ons liefdesleven op zijn kop zet en wantrouwen tussen ons zaai, word ik overvallen door verdriet en woede tegelijk, op mijzelf en voor het eerst ook op Roodkapje. Wat denkt Roodkapje eigenlijk wel om ons zo van streek te maken met haar komst op mijn kamer en onze romantische rit door Nijmegen?
Boos op Roodkapje, boos op mezelf, boos op de hele wereld rijd ik op mijn Vespa naar Oranjesingel 42. Mocht ik haar eindelijk vinden, ik ben er klaar voor. Ik zal haar inpeperen dat ik verliefd ben op haar, dat ik haar voortaan elke dag wil zien en dat ze moet weten dat ik vanwege mijn verliefdheid mijn Dora teveel leed aandoe.


Het zijn overbodige gedachten want ik vind haar niet. En dan begint onderweg terug naar huis op mijn Vespa de twijfel binnen te sijpelen in hoofd en hart. Heeft Dora niet groot gelijk met haar opmerking dat ik me laat meeslepen in een sprookje? Heb ik het me het dan toch allemaal verbeeld en bestaat ze alleen in mijn hoofd, ook al stond ze die nacht naast mijn bed en heeft ze achter op mijn Vespa gezeten? Lijd ik aan romantische waandenkbeelden? Ben ik geestesziek zonder het te beseffen?


Elke gelijkenis met bestaande personen 
of gebeurtenissen berust op louter toeval.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 28 februari 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 49, VERLIEFD

foto: petrus nelissen

De volgende dag hoor ik in mijn bed opnieuw de bromfiets van Dora wegrijden. Langzaam breng ik mijn gevoel van ongemak van gisterenavond in kaart: een vervelend gesprek en weer geen Roodkapje. Ik moet bekennen dat ik verliefd ben geworden op haar. Ook dat nog. Er zit niks anders op dan vanavond opnieuw op zoek naar haar te gaan in Oranjesingel 42. Andere aanknopingspunten zijn er niet. De enige andere mogelijkheid is dat zij naar mij toe komt maar daar kan ik niet op rekenen na haar plotselinge vertrek. 

Ik voel me verplicht om Dora te vertellen wat er aan de hand is. Daar heeft ze het volste recht op. Ze moet weten dat ik verliefd ben geworden, naar het zich laat aanzien een hopeloze verliefdheid maar een verliefdheid zo echt als verliefdheid maar zijn kan. Ik heb dit ooit eerder meegemaakt. Toen heb ik een jaar lang verliefde rondjes gedraaid op het schoolplein van mijn middelbare school.  Tegenslagen telden toen niet en nu ook weer niet.


Het zal geen gemakkelijk gesprek worden met Dora maar het zou verraad zijn als ik niks zou vertellen. Na het avondeten ga ik met bezwaard gemoed naar Dora. Ze zit op haar gezellige zolderkamer op de bekende plek, een kussen naast het kacheltje dat ik nog niet lang geleden geïnstalleerd heb. Na een korte aanloop vertel ik over mijn verliefdheid. Zoals was te verwachten, loopt ons gesprek uit op onbegrip en drama.
 

Dora: “Hoe kun je nu verliefd worden op een vrouw die zich verkleedt als in een sprookje want dat ze Roodkapje is, geloof je zelf toch ook niet?”
 
Ik: “Verliefd worden overkomt je, dat heb je niet in de hand en of ze nu een sprookjesfiguur is of niet. Dat doet er niet toe.”

 
Dora: “Je bent als een kind dat geen onderscheid kan maken tussen een sprookje en de echte wereld.”

 
Ik: “Dat sprookje stond anders ’s nachts wel naast mijn bed en heeft achterop mijn Vespa gezeten.” 

 
Dora: “Weet je zeker dat je niet dronken was? Heb je soms weer zitten drinken met je vrienden.” 

 
Ik: “Hoezo weer? Ik heb de hele avond gestudeerd voor een tentamen.”

 
Dora: “Dat zeg jij! Moet ik dat geloven als je ’s nachts met een onbekende meid achterop je Vespa op stap gaat?
 

Ik haal uit wanhoop mijn schouders op. Dit gesprek wordt niks. Ik snap haar onbegrip, maar we kennen elkaar al zo lang. Er moet toch ergens nog een gemeenschappelijke golflengte zijn waarop we elkaar verstaan? Opnieuw heb ik haar gevoelens zwaar onderschat. Dat liefde geen keukentafel relatie is waar je bij een bakje koffie slappe klets kunt verkopen, weet ik wel maar dat gevoelens zo diep kunnen zitten dat het helemaal uit de hand loopt, verrast me telkens weer.

Als we zo nog even doorgaan, is het straks vanzelf afgelopen. Dan valt er niks meer goed te maken. Als ik haar vertel dat Roodkapje onvindbaar is, wordt ze boos op mijn stom gedoe, dat ze zo maar verdwenen is, dat ik helemaal niks over haar weet, niet eens weet waar ze woont of werkt. Ze stelt verdrietig vast dat ik verliefd ben op iemand die ik eigenlijk niet ken en niet kan vinden terwijl zij wel speciaal voor mij naar Nijmegen is verhuisd om naast mij te kunnen wonen. 


(verschijnt elke vrijdag)