![]() |
| Wassily Kandinsky, Compositie VII, olieverf op canvas, 1913 ( 200 x 302 cm). Te zien in de Tretyakov Galerij in Moskou. |
Kandinsky leefde in een verwarrende tijd, de jaren voor de communistische revolutie van Lenin in 1917, een pre-revolutionaire tijd waarin verschillende, soms schokkende gebeurtenissen elkaar snel opvolgden. Het eeuwenoude autoritaire Tsarenregiem wankelde, liberale, anarchistische en communistische ideeën waarden rond, aanslagen werden gepleegd.
Tussen de liberale, marxistische, materialistische en anarchistische ideeën ideeën zocht Kandinsky een geestelijke uitweg die vooruitgang beloofde zonder verlies aan geestelijk leven. Zo loopt hijj net als tijdgenoot en kunstenaar Piet Mondriaan tegen de theosofen aan. Hij noemt het een spirituele beweging die een verlossend geluid laat horen voor menig vertwijfeld hart dat in duisternis en nacht gehuld is. (blz.36)
Hij onderzoekt de relatie van het woord tot de werkelijkheid. Hij betoogt dat het woord enerzijds dient om dingen te benoemen en anderzijds om een geestelijke werkelijkheid aan te geven. Het woord heeft een eigen klank, een innerlijke klank die het plaatst tegenover de waarneembare werkelijkheid.
“En het woord, dat dus twee betekenissen heeft - een directe en een andere, innerlijke - is het zuivere materiaal van dichtkunst en literatuur, is het materiaal dat alleen door deze kunst kan worden toegepast en door middel waarvan zij spreekt tot de ziel” (blz 39)
Muziek is nog meer dan het woord geschikt om een innerlijke klank weer te geven. Muziek spreekt direct tot de ziel. Debussy componeert muzikale vormen die tot “spirituele schilderingen” worden. Debussy’s muziek wordt vergeleken met schilderijen van impressionistische schilders.
De atonale componist Schönberg laat het uiterlijk schone voor wat het is en bekommert zich nog slechts om het innerlijke schone.“De muziek van Schönberg voert ons in een nieuwe wereld waar de muziek niet meer een akoestische ervaring is maar zuiver een zielsbelevenis. Hier begint de ‘muziek van de toekomst’. (blz 42)
De neo-impressionisten volgens een gelijksoortige weg die uitmondt in de abstracte schilderkunst. Zij gebruiken het uiterlijk om tot bij de innerlijke klank te komen, een universele klank volgens K.
De verst gevorderde onder deze schilders is Cézanne. “…hij wist in een theekopje een wezen te zien. Bij hem wordt het ‘nature morte’ zodanig bezield dat de uiterlijk ‘dode’ dingen een innerlijk leven krijgen.” (blz.43)
De volgende is Matisse voor wie de objecten, de mens of iets anders, als uitgangspunt dienen om het goddelijke weer te geven door middelen die de schilderkunst eigen zijn, kleur en vorm. Bij Matisse is sprake van grote innerlijke levendigheid ontstaan uit innerlijke noodzaak. (blz.44)
Zijn tijdgenoot Picasso laat zich niet door uiterlijke schoonheid betoveren maar laat zich door de dwang tot zelfexpressie meesleuren van de ene na de andere vorm en kleur.
Soms maakt hij een sprong naar de tegenover gestelde kant, tot ontzetting van navolgers die dachten hem te hebben ingehaald. (blz. 45) Picasso gaat zo ver met met het kubisme dat hij het materiële in zijn schilderijen vernietigt, in stukken hakt en het reconstrueert.
Waar Cezanne, Matisse en Picasso nog altijd vasthouden aan het uiterlijke, het figuratieve als basis voor hun innerlijke klank, gaan Kandinsky en Mondriaan over tot puur vorm en kleur, de basis van alle schilderkunst, om hun innerlijke klanken (ziel) vast te leggen.











