woensdag 18 februari 2026

ELK PARTIJVOGELTJE ZINGT ZOALS HET GEBEKT IS



Het ziet er naar uit dat de deconfiture van Wilders met zijn PVV volop aan de gang is. In de peiling van 8 februari zakt de PVV met 10 zetels, 3 meer dan de 7 die de PVV fractie onlangs hebben verlaten. De PVV heeft niet geleverd toen ze aan de macht was en dat zal Wilders blijven achtervolgen al zal hij zelf nog lang blijven roepen dat alles weer goed zal komen.


Nu is 16 zetels ook weer niet niks. In de huidige omstandigheden met een flinke groep van middelgrote of middelkleine partijen blijft Wilders daarmee van politieke betekenis. In dezelfde peiling heeft de VVD 18 zetels, het CDA 17, JA21 14 en Forum voor Democratie 13. De twee partijen met meer dan 20 zetels zijn D66 (27) en GL/PvdA (21).


De peiling laat ook zien dat de VVD  zijn monopolie op rechts aan het verliezen  is of anders gezegd voor veel rechtse kiezers is de VVD niet meer rechts genoeg. Terwijl PVV en VVD zakken in de peiling stijgen JA21 en FVD. Was eerder de stijging van JA21 spectaculair, intussen is dat FVD tot op zekere hoogte ook.


Die partij heeft een zetelwinst in de peilingen van 6 sinds de Tweede Kamerverkiezingen vorig jaar. En die 7 zetels behaald tijdens de verkiezingen waren op zich ook al een aanwijzing dat er wat aan de hand is op rechts.


Waarom zeggen kiezers te stemmen op FVD? Wat is de politieke aantrekkingskracht van FVD? 


Ondanks alle kiezersonderzoeken blijft dat moeilijk te achterhalen. Kijken we naar de hoofdthema’s van FVD dan zien we dat veel punten samenvallen met de PVV: migratie, anti-klimaatwetten, islam, schrappen stikstof en klimaat eisen, minder Europa, pro-Putin enz.


Maar misschien is naast de inhoud, de toon en het gezicht van de partij wel net zo belangrijk? Het frisse en vrolijke gezicht van lijsttrekker Lidewij de Vos lijkt een winstpunt.


Wat de toon aangaat zet FVD zich neer als een nationalistische partij die trots is op de Nederlandse geschiedenis, op de prestaties van land en volk, een volk dat vrijheidslievend en verdraagzaam is, nationalistisch rechts dus.


“Nederland is het mooiste land ter wereld. Vanaf dat kleine stukje aarde laten wij al eeuwenlang zien wat mogelijk is. Ons volk maakt van de kleinste ideeën de grootste werkelijkheden. We lopen voorop in de kunsten, de wetenschap, ondernemerschap, innovatie en technologie. Ja, we hebben ons land letterlijk uit het water opgetrokken” (inleiding verkiezingsprogramma ‘Nederland, Vrij, Trots & Bruisend’)


Nederland dat zich als een Baron von Munchhausen uit het moeras trekt. Een sprookje om van te smullen. Een gaaf land zonder gezeur en gemier over (slavernij) verleden.


Daar steekt GL/PVDA schraal bij af. Geen inleiding maar slechts de korte titel “Een nieuwe start voor Nederland”. Niks om trots op te zijn, geen gaaf of fier land.


In het verkiezingsprogramma van de VVD vind je iets meer nationale trots maar al met al toch defensief met opzichtig vaak het gebruik van het woord liberaal. Het lijkt een beetje op een geloofsbelijdenis. 


“Onze liberale democratie en onze democratische rechtsstaat hebben Nederland tot één van de meest vrije en veilige landen ter wereld gemaakt. Om die vrijheid  en veiligheid te behouden, is actieve bescherming van de liberale democratie en de democratische rechtsstaat noodzakelijk. De liberale waarden die daaraan ten grondslag liggen, zijn voor ons dan ook niet onderhandelbaar.” (Inleiding verkiezingsprogramma:  Sterker uit de Storm, keuzes voor een nieuwe tijd vrijheid, veiligheid en groei”) 


Tot slot de inleiding van het verkiezingsprogramma van D66, de partij die met een brede glimlach en met vlaggengezwaai per slot van rekening de verkiezingen heeft gewonnen.


“Dit verkiezingsprogramma is er voor iedereen die gelooft dat we het tij kunnen keren. Dat we de levens van mensen beter kunnen maken, door in actie te komen. Door niet te roepen wat niet kan, maar door ons elke dag opnieuw die vraag te stellen: hoe kan het dan wél? Het is aan ons. Doe mee. Want als we willen, dan kan het wél.”


Hier spreekt een verantwoorde optimist, een van niet lullen maar poetsen. Dat is defensief en uitdagend tegelijk net als Obama’s campagneleus “Yes we can” en dat wordt beloond door de kiezer.



dinsdag 17 februari 2026

AMSTERDAM: DE NIEUWE BEVOOGDING

 

Amsterdam is in handen gevallen van de Nieuwe bevoogding, de regenten die de burgers willen voorschrijven hoe te leven en te sterven.

Ooit was Amsterdam een geestelijke vrijhaven, waar creativiteit, vrijheid en jeugd hand en hand gingen. Dat was in de jaren zestig, de tijd dat Koosje krenten uitdeelde bij het lieverdje, de tijd van de provo’s en de kabouters. In die tijd werden de stadsregenten uitgedaagd door originaliteit, verdraagzaamheid en nieuwe ideeën. 


Daarna kwamen de volgers of de naäpers en die blinken nooit uit in originaliteit, creativiteit en vrijheid. Integendeel, ze bevriezen de vrijheid en de originaliteit, de creativiteit en verdraagzaamheid in regels en wetten. Ze slaan zichzelf op de borst als de erfgenamen van verdraagzaamheid en creativiteit maar zijn in feite boekhouders van de status quo.


In die tijd is Amsterdam beland. Geen stad meer om uit nieuwsgierigheid naar toe te gaan om het andere, het nieuwe, de vrijheid en de creativiteit te beleven maar een stad van regelgeving, verboden en bevoogding.


De stad wil nog wel de eerste zijn, de progressiefste stad van de wereld wat dat ook moge zijn. Eigenlijk zou Amsterdam graag New York willen zijn. Helaas zijn geest en achterland daarvoor te klein.


Maar vandaag heeft Amsterdam zich als eerste gekroond in de geschiedenis van de mensheid met een verbod op reclame voor vlees en fossiel. Verboden te verbieden stond er tijdens de Parijse opstand in de jaren zestig van de vorige eeuw nog op de muren. Een halve eeuw later blijkt Amsterdam de eerste te zijn die zijn kleingeestigheid in nieuwe verboden vastlegt.


Wie had gedacht dat Amsterdam, de stad van verdraagzaamheid tussen verschillende geloven, tussen katholieken en protestanten in de zestiende eeuw, de Nederlandse benauwde veste zou worden van burgerlijke kleingeestigheid, geestelijke boekhouders en regelneven geworden.

maandag 16 februari 2026

ONTMOETING IN HET WINTERBOS

 

"Ontmoeting in het Winterbos" is een ontmoeting tussen twee fotografen. Peter van de Lavoir heeft het studio portret van Diny en mij gemaakt in het kader van een fotoproject seizoenen waaraan hij bezig is. Ik ben zo vrij geweest om met zijn toestemming de foto te monteren in een winters plaatje. 

vrijdag 13 februari 2026

MEXICAANSE VERTELLINGEN 75.REVOLUTIONAIR LIEFDESTHEATER

Ze was al op haar dertiende jaar buitenshuis gaan werken als dienstmeisje. (foto: petrus)


Tijdens de maaltijd vertelt Julia dat ze zich het hele gesprek lang met Frida en David ongemakkelijk heeft gevoeld. Ze voelde zich genegeerd door Frida. Alsof ze lucht was. Ze zag haar niet eens als een rivale, wat ze per slot van rekening toch is! Voor Frida is ze een aanhangsel van Diego, meer niet.


Diego haalt zijn schouders op. Dat is nou eenmaal de manier van doen van Frida. Bovendien is ze grillig in haar liefdesleven. Je hebt gehoord wat ze van Trotski vindt en waarom ze met hem een affaire is begonnen. Ik vermoed dat ik ook deel uitmaak van haar revolutionaire liefdestheater.


Julia vindt dat maar niks. Liefde is volgens haar meer dan een theater, een spelletje met een thema, ook al is het een revolutionair thema. Liefde gaat dieper dan dat, het is de zin en doel van het leven zelf. 


Na even peinzen, voegt ze er vergoeilijkend aan toe dat het misschien allemaal komt omdat ze moet leven of liever overleven met een zwaar gehavend lichaam. Kinderverlamming en dan later ook nog een vreselijk tramongeluk dat haar voor het leven heeft beschadigd. Dat ze dan ook nog geen kinderen kan krijgen, maakt het allemaal nog zwaarder voor haar. 


Dan schakelt Julia over naar een ander onderwerp. Wat is het plan? Blijven we in San Miguel wonen of gaan we terug naar Mexico-stad? Julia is het om het even. Ze woont liever in het dorp maar de stad is ook goed, zo lang ze maar bij Diego is.


Diego zou liever in het dorp blijven wonen maar er is geen werk. Hij zal wel een stuk dorpsgrond van zijn vader kunnen krijgen maar dat brengt niet genoeg om van te leven, zeker niet als er kinderen komen. Nee, hij zal terug moeten naar de stad. Bovendien, hij wil nog steeds graag schilderen.


Julia beseft dat ze niet in het dorp kunnen blijven, tenminste als ze niet in armoede willen leven en dat wil ze echt niet meer. Ze is opgegroeid in een groot gezin in een dorp. Het ontbrak hun altijd aan van alles, ook eten hoe hard haar vader ook op het land werkte. Daarom moest ze al op haar dertiende het huis uit, gaan werken als dienstmeid in Mexico-stad.


Ze kwam geheel onvoorbereid terecht in een totaal onbekende wereld. Ze had geen idee wat ze moest doen. Bij haar thuis leefden ze van de ene dag op de andere. Je was bezig met overleven. Het was geen georganiseerd huishouden en er was al helemaal geen     wasmachine of  een koelkast. 


Ze had nog nooit in haar leven gewinkeld in een supermarkt, huishoudelijke dingen aangeschaft of kleren gekocht. Dat heeft ze allemaal zichzelf moeten leren. En hoe ga je om met stadslui? Die weten altijd alles al en beter. Een geluk dat ze genoeg gezond verstand had om overeind te blijven in de stadsjungle. 

donderdag 12 februari 2026

RIJSTBOUW IN SURINAME

 

Koningin Juliana bezoekt in 1955 samen met Prins Bernhard het rijstproject Wageningen van de Stichting Machinale Landbouw SML in Suriname.

Als er een project is wat aantoont dat ontwikkelingssamenwerking bijzonder moeilijk zo niet onmogelijk is, dan is dat wel het rijstproject Wageningen in Suriname. Ondanks alle goede bedoelingen - zowel financieel als organisatorisch - gaat het project Wageningen na de onafhankelijkheid van Suriname (1975) langzaam maar zeker naar de knoppen. 


Zoals gebruikelijk is er niet een enkele oorzaak maar velen die elkaar in de loop der jaren opvolgen. Samengevat komt het erop neer dat na de Surinaamse onafhankelijkheid het Wageningenproject verwaarloosd wordt. De wisseling van regering blijkt in Suriname net zoals in veel Derde Wereld landen funest te zijn voor lange termijn projecten, zelfs als ze voordelig zijn voor het land. 


Een voorbeeld van zo een Derde Wereld land is Venezuela dat net als Suriname rijk is aan grondstoffen. Dankzij Shell werd Venezuela aan het begin van de 20ste eeuw een belangrijk olieland. Zo lang oliemaatschappijen hun bedrijven kunnen beheren gaat het goed, ook nadat een groter deel van de winst wordt opgeëist door het land. Maar complete nationalisaties (1976) zijn het begin van de ondergang.


In 2007 doet de militaire regering Chavez er nog een schepje bovenop, waarop de olieboeren het land te verlaten. De grootschalige confiscatie was bedoeld om armoede te bestrijden, maar de sector wordt uitgehold (geen investeringen, geen onderhoud), wat resulteert in sterk verminderde productie. Voeg daarbij het ontslag van alle werknemers met ervaring en het plaatje van de ondergang is compleet.


Terug naar Suriname, een groot land (ongeveer 4 keer Nederland), rijk aan grondstoffen (bauxiet, goud, hout en inmiddels ook olie) en dun bevolkt (een van de dunst bevolkte gebieden in de wereld). Toch slaagt het er niet in om de rijkdom in dienst te stellen van zijn ruim 600.000 inwoners. Of de recente olievondsten dat wel zullen doen, is maar zeer de vraag. Over het algemeen blijkt olie in derde Wereld landen eerder een vloek dan een zegen.


Na de onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname “een florerend rijstbedrijf met zo’n duizend vakbekwame werknemers, inclusief een pelmolen en een drogerij, een pompgemaal met drie Storkmotoren, honderden kilometers aan bevloeiings- en lozingskanalen, een rijstareaal van 10.000 hectare, een veebedrijf met duizend koeien, het veredelingsstation in de Prins Bernhardpolder, een machinepark van tractoren en maaidorsers, ja, een compleet zelfvoorzienende Company Town met een postkantoor, een bibliotheek en een Hotel De Wereld - voor het symbolische bedrag van 1 Surinaamse gulden.” (Blz. 49/50 in ‘Hotel De Wereld’, Frank Westerman, Querido Fosfor 2025)


Voor de onafhankelijkheid was de rijstbouw winstgevend. 


“Maar al in het eerste seizoen na de onafhankelijkheid blijken 23 van de 37 landbouwmachines voor zowel de droge als de natte grondbewerking aan vervanging toe. De directie wil investeren, maar het ministerie van Landbouw in Paramaribo heeft andere prioriteiten. De centraal geleide Company town komt pas echt in de knel wanneer sergeant Bouterse op 25 februari 1980 samen met 15 handlangers zijn eerste staatsgreep pleegt…. Voortaan vloeien de deviezen die Wageningen verdient met de rijstexport naar de kas van Bouterse en zijn kameraden. Geldnood dwingt de Stichting Machinale Landbouw al in 1981om honderd werknemers te ontslaan. Zij krijgen als dank een kapotte landbouwmachine mee naar huis, een grotere of een kleinere, al naargelang de duur van hun dienstverband.” (Blz 51/52 in voornoemd boek)


Hoewel Nederland het project heeft opgebouwd, kennis geleverd en de benodigde financiën voor de start krijgt het toch de schuld voor de ondergang.  Het was immers een koloniaal project en dat deugt sowieso niet ook al is het een winstgevend project en brengt het via export deviezen in het land. Kolonialisme als excuus voor eigen mislukking. Dat schiet niet op. Surinamers moeten de hand in eigen boezem steken.


De Surinamers die er gewerkt hebben denken daar heel anders over. “Zij zien een verschil tussen een suikerplantage met slavenarbeid (koloniale uitbuiting) en een rijstpolder uit de tweede helft van de twintigste eeuw (ontwikkelingshulp). De plantage was een vloek, de polder een zegen. Voortaan deden machines het zware werk. Niemand hoefde meer te bukken om de zaailingen over te planten in de bevloeide akkers, nu vliegtuigjes het zaad kwamen uitstrooien.” (Blz. 57. Frank Westerman)


woensdag 11 februari 2026

HET MEISJE AAN DE OEVER VAN DE RODE RIVIER

 

foto: petrus

Er zijn ontelbare liefdesliederen gezongen. Ik heb er in mijn leven vast wel duizenden gehoord. Sommigen vaker, andere maar een keer en daarna nooit meer. Sommigen heb ik onthouden, andere vergeten.

Maar het liefdeslied over het meisje aan de Oever van de Rode Rivier is wel een van de mooiste en meest poëtische liefdesliederen waarbij tekst en muziek als gegoten zitten. Het is geen eenvoudig lied van verlangen maar een gecompliceerde ballade over onbeantwoorde liefde, liefdesverdriet, de onmacht, verdwalen in het leven, over de wreedheid van de tijd en nog meer. Het is meteen ook de minstreel Bob Dylan op z'n best.


De oever van de Rode Rivier


Sommigen van ons doen de lichten uit

En leggen zich neer in het voorbij schietende maanlicht.

Sommigen van ons jagen zich de stuipen op het lijf in het donker

Om te komen tot waar de engelen vliegen.

Allemaal mooie meiden staan in een rij

Voor de deur van mijn hut.

Nooit wilde ik dat een van hen mij zou willen

Behalve het meisje aan de oever van de rode rivier.


Welnu, ik zat naast haar en een tijd lang probeerde ik

Dat meisje tot mijn vrouw te maken.

Zij gaf me haar beste advies toen ze zei

Ga naar huis en leid een rustig leven.

Welnu, ik ben naar het oosten gegaan en naar het westen

Ik ben gegaan naar daar waar zwarte winden grommen.

Maar op de een of andere manier, kwam ik nooit zo ver

Met het meisje aan de oever van de Rode Rivier


Maar ja, toen ik haar zag, wist ik het al

Ik zou nooit meer vrij kunnen zijn.

Een blik op haar en ik besefte meteen

Dat ze voor altijd bij me moest zijn

Maar ja, de droom vervloog al lang geleden

Echt waar, 

Dat was het meisje van de oever van de Rode Rivier


Nu draag ik de mantel van misere

En heb geproefd van de afgewezen liefde.

En de bevroren lach op mijn gezicht

Past me als gegoten

Maar ik kan niet ontsnappen aan de herinnering

Aan degene die ik altijd zal aanbidden.

Al die nachten dat ik in de armen lag

Van het meisje aan de oever van de Rode Rivier.


We leven in de schaduwen van een vervagend verleden

Gevangen in het vuur van de tijd.

Ik probeerde nooit of te nimmer iemand pijn te doen

En uit een misdadig leven te blijven.

En toen alles was gezegd en gedaan

Wist ik nog niet waar ik aan toe was.

Een nieuwe dag is weer een dag weg

Van het meisje aan de oever van de Rode Rivier


Nu ben ik een vreemdeling hier, in een vreemd land

Ik zwerf en gok voor degene die ik liefheb

Dat de heuvels mij een lied zullen geven.

En hoewel niets me bekend voorkomt

Weet ik dat ik hier eerder ben geweest

Eens, een duizend nachten geleden

Met het meisje aan de oever dan de Rode Rivier


Ik ging terug om haar weer eens te zien

Om te zien hoe het zat.

Iedereen die ik sprak had ons daar gezien

Ze zeiden niet te weten over wie ik het had.

Welwel, de zon is lang geleden onder gegaan

En schijnt niet meer te schijnen.

Ik wou dat ik elk uur van mijnleven had kunnen doorbrengen

Met het meisje aan de oever van de Rode Rivier.


Pas hoorde ik van een man die lang geleden leefde,

Een man voor verdriet en ellende,

Die als iemand in zijn buurt stierf en dood was,

Wist hoe hem terug tot leven te brengen.

Nou, ik weet niet welke taal hij gebruikte

Of dat ze dit soort dingen nog doen.

Soms denk ik dat niemand mij daar daar ooit gezien heeft

Behalve het meisje aan de oever van de Rode Rivier.


(Tekst en muziek: Bob Dylan)

(Vertaling: petrus)