Er is een debat aan de gang in de wetenschappelijke wereld en de progressieve media over de tweedeling in de maatschappij tussen hoger en minder hoger opgeleiden of tussen theoretisch en praktisch geschoolden, zeg maar tussen de socioloog en de timmerman en alles wat daar tussenin zit.
De vraag is of dit een theoretisch debat is over een constructie bedacht door sociologen en politicologen of dat het fenomeen in de echte wereld bestaat.
In de echte wereld waren na de verkiezingen in 2023 ruim 125 van de 150 Tweede Kamerleden hoger opgeleiden (Universiteit en Wetenschappelijk Onderwijs) (70%). De praktisch opgeleiden, leden met een mbo-diploma of middelbare school zijn zwaar ondervertegenwoordigd, ongeveer 10 tot 14 leden.
Volgens parlement.com was dat tot omstreeks 1980 nog anders, ook al was ook toen al het merendeel van de leden hoog opgeleid. Kamerleden met een vakbondsachtergrond hadden wel vaak een deel van hun opleiding in de vakbeweging, een middenstandsorganisaties of in het bedrijf gehad. Zij waren bekend met wat leefde en gedacht werd door de praktisch opgeleiden.
Ondanks een lichte afname door de winst van PVV en BBB in 2023, bleef de Tweede Kamer een instituut met een heel hoog percentage academici. De kiezers van de twee genoemde partijen behoren in meerderheid tot de lager of praktisch geschoolden. Zij worden daarom nogal eens weggezet als domrechts. Tegenover domrechts staat als het ware slimlinks.
De norm bij leden van de regering is eveneens een universitaire of wetenschappelijke opleiding. De rechtelijke macht bestaat sowieso uit universitair opgeleiden. Feitelijk wordt Nederland dus geregeerd, bestuurd en geadministreerd door hoger opgeleiden.
De omslag vond plaats in de jaren zestig van de vorige eeuw. Die brachten om allerlei redenen (ontkerkelijking, toegenomen welvaart, TV oorlog in Vietnam enz.) een renaissance van linkse ideeën teweeg onder in eerste instantie studenten (klassenstrijd, anti-imperialisme, anti-oorlog, krakersbeweging, anti-apartheid).
Na verloop van tijd sloot het politiek actieve deel zich aan bij klassiek linkse partijen als CPN en PvdA. De mars door de instituties was begonnen. Maar hun komst veranderde de politieke agenda, een agenda die vreemd was aan de voormalige aanhang met als gevolg dat de klassieke aanhang onder arbeiders, handwerkslieden en andere praktisch geschoolden langzaam verdween uit die partijen en op den duur uit hun kiezersbestand.
De klassiek linkse partijen vervreemden zich langzaam maar zeker van hun oorspronkelijke achterban. De arbeidersklasse, een sociologisch begrip uit de Marxistische leerschool, werd vervangen door "de kwetsbaren", “mensen met een kleine beurs”, “inwoners die het zwaar hebben” of “mensen in de overlevingsstand”.
Daarmee ontstond ene bevoogdend links, een links dat niet langer wortels had in de groepen die zij zegden te vertegenwoordigden.Bijgevolg verdwenen ook de kiezers uit die groepen.












