Posts tonen met het label de sprookjesjaren 60. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de sprookjesjaren 60. Alle posts tonen

vrijdag 6 maart 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 50, SPROOKJESPRINS



Ze vraagt mij verbijsterd of ik van plan ben haar in de steek te laten vanwege een sprookje? Is dat wat ik kom vertellen? Maak ik het uit om als een verliefde aap achter een sprookjesmeid aan te lopen die ik waarschijnlijk nooit meer zal vinden en die, als ik haar wel zou vinden, niks van mij moet hebben? Waarom is ze anders weggelopen uit het café? Denk ik nou echt dat ik een sprookjesprins ben op een Vespa?

Wat kan ik zeggen? Ik raak in de war. Roodkapje is een onvindbaar sprookje daarin moet ik haar gelijk geven. Nuchter bezien is het een hopeloze zaak aan het worden. Ook niet voor de eerste keer. Op de middelbare school heb ik bijna een jaar lang verliefde rondjes gelopen achter blonde krullen. Het liep uit op een fiasco. Maar ondanks de binnensluipende twijfel blijf ik verliefd. Verliefdheid verdwijnt zo maar niet. Verliefdheid houdt zich niet aan feiten. Sterker nog feiten zijn geen feiten als je verliefd bent.


Ik sta machteloos en hulpeloos. Het zien van zoveel verdriet bij de huilende Dora doet me meer pijn dan ik kan zeggen. Ik zou willen dat ik het haar had kunnen besparen, dat ik haar in mijn armen kan nemen en troosten. Maar dat gaat niet meer. Mijn verliefdheid op Roodkapje ligt als een onwrikbaar rotsblok tussen ons in. We zijn onbereikbaar voor elkaar. 


Onmachtig om haar te troosten, druip ik moedeloos af, een intens huilende Dora achterlatend op haar kamer. Bij het besef dat ik in een vlaag van verliefdheid ons liefdesleven op zijn kop zet en wantrouwen tussen ons zaai, word ik overvallen door verdriet en woede tegelijk, op mijzelf en voor het eerst ook op Roodkapje. Wat denkt Roodkapje eigenlijk wel om ons zo van streek te maken met haar komst op mijn kamer en onze romantische rit door Nijmegen?
Boos op Roodkapje, boos op mezelf, boos op de hele wereld rijd ik op mijn Vespa naar Oranjesingel 42. Mocht ik haar eindelijk vinden, ik ben er klaar voor. Ik zal haar inpeperen dat ik verliefd ben op haar, dat ik haar voortaan elke dag wil zien en dat ze moet weten dat ik vanwege mijn verliefdheid mijn Dora teveel leed aandoe.


Het zijn overbodige gedachten want ik vind haar niet. En dan begint onderweg terug naar huis op mijn Vespa de twijfel binnen te sijpelen in hoofd en hart. Heeft Dora niet groot gelijk met haar opmerking dat ik me laat meeslepen in een sprookje? Heb ik het me het dan toch allemaal verbeeld en bestaat ze alleen in mijn hoofd, ook al stond ze die nacht naast mijn bed en heeft ze achter op mijn Vespa gezeten? Lijd ik aan romantische waandenkbeelden? Ben ik geestesziek zonder het te beseffen?


Elke gelijkenis met bestaande personen 
of gebeurtenissen berust op louter toeval.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 6 december 2019

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG (VOORHEEN MAKE LOVE, NOT WAR) 37: VIEZE JAN

"Venus on the Road", digitale collage van petrus, 2009
Ik weet niet of er leven na de dood is maar na het verlaten van de Roomse kerk en het Roomse geloof is er nog genoeg te leven. Na mijn afscheid van de Roomse kerk, God de Vader, Zijn Zoon Jezus, Zijn Moeder Maria en alle heiligen in de hemel gaat het leven zijn gewone gang. Alsof er niks is gebeurd stap ik uit bed, ontbijt in de keuken van het Achterhuis, stap op mijn fiets op weg naar een of ander college en praat met medestudenten over het wel en wee van de wereld. De zon schijnt of niet, het regent of niet, je hebt forse tegenwind of niet, hoe dan ook het leven gaat gewoon door. De kranten gaan ook gewoon door met slecht nieuws over de Vietnamoorlog. Dat ik uit de Roomse Kerk ben gestapt, lees ik nergens. 

Terwijl ik toch bijna twintig jaar naar de kerk ben gegaan, in God, zijn Zoon en en diens Moeder geloofd heb, doet het vertrek me niks. Dat ik een eeuwenlange erfenis van mijn voorvaderen aan de kant schuif, beroert me niet. Ik heb de erfenis afgelegd als is het een oude en versleten jas. Is dat jeugdige overmoed de kracht en de zwakheid van een nieuwe generatie? We zullen zien. 


Met de liefde gaat het gelukkig prima sinds ik op mijn zolderkamer met dakkapel woon. Niet dat we elk weekeinde onze seksuele bevrijding uitbundig en gretig vieren,  doordeweeks werkt en woont mijn Verloofde in de industriestad Oss, maar we schuwen regelmatig gezonde seks niet. Aangezien haar ouders nog niet zo ver zijn,  weten ze niet beter dan dat als mijn Verloofde een nachtje overblijft in Nijmegen zij bij een vriendin slaapt. Dat is goed voor onze wederzijdse zielenrust.


Maar misschien vermoeden ze toch wel wat. Ze zijn niet achterlijk. Pas nog zag ik op het namaak Perzische tafelkleed in de huiskamer de bestseller “Ik Jan Cremer” liggen. Toen ik het boek belangstellend doorbladerde, vroeg haar moeder of ik het gelezen had er meteen aan toevoegend dat ze het gekregen had van vrienden. Die vonden dat ze het moesten lezen. 


Haar vader is nooit flauw geweest met seks en erotiek. Hij trok zich niks aan van de benauwde voorschriften van de Roomse kerk. Elke week na een paar uur boekhouden in de huiskamer las hij met zichtbaar genoegen pikante bladen als De Lach en de Piccolo uit de leesmap. Brave ontspannings- of misschien wel ontsnappingslectuur met zwart-wit foto’s van mooie meisjes in bikini en schuine moppen over schoonmoeders. 


Vergeleken met die bladen zijn de avonturen van Jan Cremer straffe kost. Vieze Jan is de Casanova voor de gewone man. Met zijn vulgaire taal zonder romantiek democratiseert hij seks en erotiek voor de arbeider.  Hij trekt als het ware in een enkele ruk het schaamdoek van de seksuele taboes achter de dijken in de polders. Maar daar laat hij het niet bij. Net als de Markies moet ook bij hem de maatschappelijke orde en het gezag het ontgelden. Vieze Jan speelt zijn eigen anti-autoritaire held die zich schaamteloos door zijn opstandige leven neukt.


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 29 november 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN:MAKE LOVE, NOT WAR) 36: GELOOFSCRISIS

 
Foto van een Noord Amerikaanse legerpriester leest de mis op een slagveld in Vietnam. Foto van Keystone in het Penguin boek "Vietnam! Vietnam!" geschreven door Felix Greene, 1966

De Vietnamoorlog legt ongenadig een politiek morele crisis in het Westen bloot. Tot hoever kun je als land en volk gaan om je politieke en morele gelijk te halen in een oorlog tegen het communisme? Is elke oorlog in welke vorm dan ook tegen het communisme gerechtvaardigd? Meer nog, gaat het wel om communisme? Wat blijft in zo een oorlog over van onze veelgeprezen medemenselijkheid en rechtvaardigheid?

Voor de vorige generatie is het een uitgemaakte zaak dat de Amerikanen en Europa aan de goede kant staan. Dat was zo in de Tweede Wereldoorlog, dat was in de Koreaanse oorlog zo en dus nu ook in Vietnam. Toen was het tegen het nazisme, nu is het tegen het wereldwijde communisme. De jongere generatie daarentegen weet dat niet meer zo zeker. Die ziet ellende, leed en moorddadigheid die niet zo gemakkelijk te rechtvaardigen is. Die vraagt zich af of communisme zo een slechte zaak is en trouwens gaat het wel om communisme? De Vietnamoorlog is van de oude generatie en de oude politiek.

Wij jongeren zien voornamelijk een oppermachtig Noord Amerika als de reus Goliath die het opneemt tegen het kleine maar dappere Noord Vietnam. Maar Noord Vietnam laat zich net zo min als David klein krijgen en vecht terug. Het kijkt zijn vijanden onbevreesd in de ogen. Noord Vietnam maakt zich tot held van al die landen die net als Noord Vietnam oorlog voeren of hebben gevoerd tegen een koloniale overheerser. De Vietnamoorlog wordt een symbool van dekolonisering in plaats van strijd om democratie en vrijheid.

Vanaf het links revolutionaire eiland Cuba met de onoverwinnelijke helden Fidel Castro en zijn strijdmakker Che Guevara wordt opgeroepen niet een maar twee, drie Vietnams te scheppen om de macht van Noord Amerika te breken. Cuba zelf geeft het voorbeeld door soldaten en militair materieel te sturen naar de bevrijdingslegers in de Portugese koloniën Angola en Mozambique. Che Guevara geeft zijn baan op als minister en trekt in het diepste geheim naar Bolivia om daar een met een groepje revolutionairen een nieuwe revolutie naar het voorbeeld van de Cubaanse revolutie te beginnen.

De morele crisis van de Vietnamoorlog raakt aan de wortels van mijn katholieke geloof, een geloof dat nog niet zo heel lang geleden net zo vanzelfsprekend voor me was als de lucht die ik inademde. Twijfels over de geloofswaarheden ondermijnden die vanzelfsprekendheid. Roomse Blijheid veranderde in Rooms Ongemak over vrijheid, eigen verantwoordelijkheid, seksualiteit en daar komt nu ook de Vietnamoorlog bij. Ik snap de bedoelingen van de Roomse God en Zijn Zoon, gestorven aan het kruis voor de zonden van alle mensen, niet meer.

De veenbrand van mijn geloofscrisis wordt door de Vietnamoorlog een uitslaande brand. Ik zoek naar een God met een menselijke maat, een Lieve Heer die het beste met ons voor heeft maar kan Hem niet meer vinden. Niet alleen de Vader en zijn Zoon zwijgen maar ook de Roomse Kerk. Toch ga ik nog altijd met mijn Verloofde des zondags naar de heilige mis. Tot op een zondag ik weer niks hoor over de oorlog tijdens de preek. Ik besluit dat het genoeg is geweest. Samen met mijn Verloofde loop ik onder de preek de kerk uit naar buiten. Ik snuif de frisse herfstlucht in. Een nieuwe tijd is begonnen.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 22 november 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN MAKE LOVE,NOT WAR) 35, DE VIETNAMOORLOG

Gezin op de vlucht in de rijstvelde. Foto UPI in het Penguin boek "Vietnam! Vietnam!" geschreven door Felix Greene, 1966

Er woedt nog een oorlog. Ik bedoel de Vietnamoorlog, de eerste oorlog in de geschiedenis die je tot in zijn gruwelijkste details kunt volgen op de Beeldbuis en in de kranten.

“De oorlog in Vietnam of Tweede Indochinese Oorlog, in het Westen meestal aangeduid als Vietnamoorlog en binnen Vietnam Amerikaanse Oorlog genoemd, was een oorlog tussen het op de Verenigde Staten georiënteerde Zuid-Vietnam en het op de Sovjet-Unie en China georiënteerde Noord-Vietnam. De oorlog volgde op de Eerste Indochinese Oorlog (in Vietnam 'Franse Oorlog' genoemd) en duurde van 1 november 1955 tot 30 april 1975. De strijd speelde zich voornamelijk af in Vietnam, hoewel er ook gevochten werd in de grensgebieden van Laos (Laotiaanse Burgeroorlog) en Cambodja (Cambodjaanse Burgeroorlog). Ondanks de inzet van honderdduizenden manschappen, grootschalige bombardementen, het gebruikmaken van chemische middelen als Agent Orange en Napalm, verloren de Verenigde Staten deze oorlog.” (Wikipedia) 


De oorlog brengt onrust op de Noord Amerikaanse universiteiten waar toekomstige dienstplichtigen studeren maar niet alleen daar. Ook in Europa, bij ons in Nederland en dan vooral ook op de universiteiten. Aan de ene kant staan de bevrijders, zij die menen dat het een oorlog is voor vrijheid en democratie tegen het dictatoriale communisme. Een moreel gerechtvaardigde oorlog zoals de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse Oorlog, waar de geallieerden onder leiding van de Amerikanen als de goeden streden tegen de slechteriken van het nazisme en later het communisme. Aan de andere kant staan zij die menen dat het in de Vietnamoorlog precies andersom is. De goeden zijn de Vietnamezen die vechten voor vrijheid en zelfbeschikking, de slechteriken de Amerikanen. Tussen deze twee partijen in staat een kleine groep pacifisten, zij die elke oorlog afwijzen als een middel om een politiek doel te bereiken.

Nog nooit heb ik een oorlog van zo dichtbij gezien, rechtstreeks uit de jungle op de beeldbuis in de huiskamer onder het genot van een kopje koffie met koekje. Ik zie Noord Amerikaanse soldaten met moderne wapens en vlammenwerpers door armzalige, modderige dorpen in tropische wouden trekken. Ik zie dorpelingen wanhopig en bang het oerwoud in vluchten. Ik zie een boeddhistische monnik midden op straat in brand staan uit protest tegen de oorlog. Ik zie half verbrande kinderen in paniek over de weg vluchten voor napalm bommen, bommen die het woud ontbladeren zodat de vijand zich niet langer kan verbergen. Ik zie reusachtige zwermen grommende B52 vliegtuigen die honderden zwarte bommen op Noord Vietnam gooien.

Met de bombardementen vliegt de onschuld van een held uit mijn jeugd weg, de dappere Engelse oorlogsvlieger Biggles. Oorlog is een dagelijks terugkerende gruwelshow van geweld, dood en bloed waarvan ik niet kan geloven dat het tot iets moois zou leiden als democratie en vrijheid. Het beeld van een rechtvaardige oorlog tegen communistische dictatuur en onderdrukking en voor vrijheid en democratie kantelt. Ik ontdek de koloniale geschiedenis van Vietnam, dat deze oorlog niets anders is dan een voortzetting van een vroegere Franse koloniale oorlog. Het is een neo-koloniale oorlog van het westerse kapitalisme en imperialisme onder leiding van Noord Amerika, de nieuwe wereldmacht en erfgenaam van het Europese kolonialisme.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 15 november 2019

DE SPROOKJESJAREN 69 (VOORHEEN:MAKE LOVE, NOT WAR) 34: DE ZOON VAN ISRAEL

 
petrus nelissen, "De Zoon", acryl op papier, 2006
Ik vraag aan de Zoon van Israel wat hij van de Zesdaagse oorlog vindt? Was het een rechtvaardige oorlog? Van zijn kruis kijkt Hij me meewarig en treurig aan. Ik kan er geen ja en geen nee van maken. Dan vraagt hij ineens wat ik vind en of ik eraan gedacht heb wat er zou zijn gebeurd als Israel de oorlog zou hebben verloren van de drie Arabische Reuzen? Nu is het mijn beurt om meewarig naar Hem te kijken. 

Ik stel me zo voor dat bij een overwinning van de drie Arabische Reuzen een uittocht van Joden uit het hun beloofde land onvermijdelijk zou zijn. Waar zouden ze dan heen moeten vluchten? Terug naar Europa waar zovelen vandaan zijn gekomen? Dat zou onmogelijk zijn na wat hen in dat continent is aangedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wie wil er nu terug naar de plaats van de misdaad, waar je familie, vrienden en geloofsgenoten meedogenloos zijn vermoord? Het enige land waar ze naar toe zouden kunnen gaan is Noord Amerika, de grote winnaar van de Tweede Wereldoorlog en hun bevrijder.


Een andere mogelijkheid zou zijn geweest dat de Verenigde Naties de Joden te hulp waren geschoten zoals ze dat in 1953 gedaan hebben tijden de Koreaanse oorlog, de eerste echte oorlog in de Koude Oorlog die toen net begonnen was. Het communistische Noord Korea werd bij zijn inval in Zuid Korea gesteund door communistisch China en de Sovjet Unie. Zuid Korea door een VN alliantie van Westerse landen. De oorlog eindigt zonder winnaar.


Zo een tweede VN oorlog om Israel zou de wereldorde van na de Tweede Wereldoorlog vermoedelijk aan het wankelen hebben gebracht en zelfs tot de ondergang van de VN hebben kunnen leiden. De wereld zou terecht zijn gekomen in een onoverzichtelijk chaos van oorlogen. Israel, het zoenoffer van het Westen aan de Joden voor de industrieel georganiseerde moordpartij in de Tweede Wereldoorlog zou verloren zijn gegaan. Niet alleen Duitsland maar heel Europa zou opnieuw in zijn hemd staan. De schuld tegenover de Joden zou nog groter zijn geworden dan ze al is sinds de Tweede Wereldoorlog.


Wie of wat zou een zo grote schuld nog kunnen vereffenen? Niemand die het weet. Het is maar goed dat Israel de oorlog gewonnen heeft. Het is geen rechtvaardige oorlog maar een van het minste kwaad tussen twee kwaden.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 1 november 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN: MAKE LOVE, NOT WAR) 32, DE TELEFOON

Kleuterschool 1951

Tijden veranderen sneller dan de sociologie kan bijhouden. Dat de sociologie van de briefschrijver verandert naar de sociologie van de beller, is nog maar een begin al beseffen Van Doorn & Lammers dat in hun inleiding van de Moderne Sociologie niet. Bellen is gemakkelijker dan schrijven dus gaan we massaal bellen in plaats van schrijven. Het gemak dient de mens. Pen en papier zijn niet meer nodig, geen enveloppen meer, geen postzegels meer, geen gang meer naar de postbus of het postkantoor en vooral geen gedoe meer met moeilijke spellingsregels en zinsbouw. 

Onze moedertaal op papier is al jarenlang een ergernis bij vooruitstrevende docenten. In hun streven naar gelijkheid pleiten ze voor minder moeilijke en gecompliceerde grammaticaregels en spelling. Schrijven en lezen zijn elitair. Gelijkheidsdenken tot in het uiterste. Alles plat slaan heet dan in een van de verhalen van Maarten Toonder in zijn Bommelsaga. Dat je met plat maken van je taal meteen ook de geschiedenis van je taal uit het raam gooit, komt in het denkraam van zulke goed bedoelende gelijkmakers niet op.
 

Bellen kun je vanuit je luie stoel, van achter de aanrecht of aan de rand van je zwembad, als je dat toevallig in je achtertuin hebt liggen. Je kunt een zakelijk gesprek voeren, een ambtelijk gesprek, een bureaucratisch gesprek, de politie bellen of de minister of een huis tuin en keukengesprek voeren over koetjes en kalfjes. Precies dat maakt het leven aangenaam, het uitwisselen van nieuwtjes over wie er pas dood is, je bezoek aan de huisarts, je verjaardagsfeestje en je onmogelijke relatie.

Het mooist is dat je zulke gesprekken meteen ook kunt kruiden met gevoelens. Probeer dat maar eens in een brief! De telefoon is een beter hulpmiddel om overeind te blijven in de dagelijkse chaos van het leven dan brieven schrijven. Een kleuter kan de was doen. Sociologen hopen de chaos die leven heet met hun onderzoek naar wetmatigheden in het gedrag van de mensen onder controle te krijgen. Maar helaas, nog voordat ze ook maar de schijn van greep hebben op de sociale werkelijkheid, gooien technologische ontwikkelingen roet in het eten. 


De ontwikkeling van de zaktelefoon is onbeheersbaar geworden. Sociologen hebben het nakijken. Je wilt weten hoe je neef het in Australië maakt, je broer in Zuid Afrika en je vriendin in België? Het is een kwestie van even bellen vanuit je broekzak en het is gepiept. Een reis maken naar het oerwoud? Zo gereserveerd per internet, geen reisbureau meer nodig. Op vakantie naar een Afrikaans Safaripark of een Turks strand? Het zit binnen handbereik in je broekzak. Wil je weg uit je land zonder toekomst? Even rondbellen en je weet waar je de beste kansen kunt hebben op een beter leven. Met de mobiele telefoon heb je de wereld in je broekzak. 


Is de wereld daar op voorbereid? Nee, net zo min als de sociologen. Zij zijn nog van de tijd dat reizen zogezegd wijzer maakte. Dat is een elitaire gedachte. De tegenwoordige reiziger wil wat gezien hebben en dan weer naar huis, een beleving heet dat, of hij reist en blijft.  De stromen toeristen zijn onbeheersbaar geworden net als die van migranten. De zaktelefoon heeft toerisme en migratie gedemocratiseerd. Dankzij de zaktelefoon wordt de wereld overvallen door een georganiseerde chaos van volksverhuizingen. Sociologie is geen vak van de toekomst ook al dacht mijn vader van wel toen ik er aan begon.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 25 oktober 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN MAKE LOVE, NOT WAR), 31 DE BRIEFSCHRIJVER


petrus nelissen, "Emmy leest brief", 1998

Sociologie is de kunst om het alledaagse tot een bijzonder verschijnsel te verklaren en het vervolgens te systematiseren. Vandaar dat sociologiestudies een déjà vue gevoel oproepen soms tot op het komische af. Er wordt van alles en nog wat onder het sociologisch vergrootglas gelegd: het al dan niet bestaan van gedragsverschillen tussen jongens en meisjes, de voor en nadelen delen van vrije seks, het drie of meer ouder gezin als veilige haven of gevangenis,  enz. Allemaal ervaringen waar de mensheid al duizenden jaren mee worstelt maar die nu te boek worden gesteld als een nieuwe kijk op het menselijk universum. Sociologie is een komische vak met de mens in de hoofdrol die voor meer verwarring dan voor verheldering van zorgt.

Het hart van mijn eerste jaars studie sociologie is de goedkope Aulapocket ‘Moderne Sociologie, een systematische inleiding’  geschreven door de professoren  J. A. A. van Doorn & C. J. Lammers, uitgegeven bij Het Spectrum in Utrecht en Antwerpen. Ter inwijding in de moderne sociologie beginnen de beide professoren met de sociologische anatomie van de briefschrijver.

“Wie een brief schrijft, communiceert met een ander. Hij legt zijn gedachten en gevoelens, zijn bedoelingen en ervaringen vast, niet om deze te bewaren - zoals de dagboekschrijver -, maar om ze over te dragen. De lezer van de brief is in het bewustzijn van de schrijver aanwezig: wát hij schrijft en hóe hij zich uitdrukt wordt niet alleen door hem, maar ook door de toekomstige lezer bepaald. Brieven schrijven is dus een activiteit tussen mensen, d.w.z. een sociale activiteit, met de schrijver in de meest actieve rol, de lezer meer passief, maar toch niet zó passief dat zijn bestaan geen invloed heeft op de activiteit van de schrijver. De briefschrijver drukt zich immers niet alleen uit, maar anticipeert op reacties die hij door zijn schrijven hoopt uit te lokken. Hij verwacht tenminste kennisneming van de brief, vaak ook een antwoord, soms een handeling van de lezer: een bezoek afleggen, geld overmaken, zich ergens melden, een spreekbeurt vervullen, een contract tekenen. De lezer ervaart brieven dan ook niet als een ‘expressie’, maar als een ‘boodschap’, aan hem persoonlijk gericht.” (Hoofdstuk I, Sociologie en Sociale Werkelijkheid, I.Een brief schrijven, p.20)
 

Met een beetje gezond verstand kun je wat hierboven staat zelf ook allemaal verzinnen. Vandaar de beroemd geworden uitdrukking “sociologie vertelt je wat je al lang weet.” Maar vooruit met de geit, je kunt niet altijd origineel zijn. Maar er zit ook nog een tragisch aspect aan de sociologie. Dat wat de sociologie net zo mooi heeft opgeschreven, wordt meestal alweer snel achterhaald door een nieuwe onvoorziene ontwikkeling. Zo houdt de briefschrijver op met schrijven, dankzij de introductie van de telefoon gaat hij bellen. De sociologie loopt achter de feiten aan. Dat kan ook niet anders. Je kunt moeilijk bestuderen wat er nog niet is.

“Veel wisseling van brieven heeft plaats gemaakt voor het telefoongesprek, dat naar zijn aard minder formeel is, alleen al doordat de onmiddellijke reactie van de beide partijen alle gelegenheid biedt om naar toon en inhoud voortdurend ‘bij te sturen’. Het contact is nu veel directer: degene die wordt opgebeld, kan gemakkelijker worden ‘klemgereden’; hij moet onmiddellijk antwoorden en kan het verzoek minder gemakkelijk naast zich neerleggen. Telefonische communicatie ‘democratiseert’ daarom in hoge mate, terwijl hier tevens een verandering in sociale normen is op te merken: méér dan vroeger is het thans maatschappelijk ‘gepast’ iemand van hogere status telefonisch te benaderen.” (pagina 24 van voornoemde Aulapocket)


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 11 oktober 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 ( VOORHEEN MAKE LOVE, NOT WAR): 29 DE BOOM VAN DOOD EN VERDERF

 
petrus nelsissen, "De Boom van Leven en Dood", een digitale collage
Jaren later krijg ik een aanvullende opleiding determineren bij Zwanenberg, de slachterij waar mijn vader het vak heeft geleerd. Als werkstudent moest ik samen met een stuk of zes Spaanse gastarbeiders varkensbuiken uitbenen, niet met een mes zoals je zou denken, maar met een stukje stevig touw met aan het einde een stukje hout voor het houvast.

Je slaat het touwtje om een ribbetje, rukt aan het touwtje waarna het ribbetje zich losscheurt. Na enige oefening scheur je op die manier in een mum van tijd een hele varkensbuik leeg. Zodra we een deel van de buiken hadden weggewerkt, gooiden we uit de ijzeren bak op wielen nieuwe vers geslachte buiken op de snijtafel. Als gieren knagen we de net gedode varkens tot op het bot af.


Wat wij deden voor een weekloon, doen de studenten biologie voor de wetenschap. De wereld is verdeeld in twee groepen. Zij die dieren slopen om ze op te eten en zij die dieren slopen om te weten hoe ze in elkaar zitten. Is het ene doel beter dan het andere? Voor kikker, muis, kip en varken maakt het niet uit. Aan hen wordt niks gevraagd. Hun lot is de dood of het nu voor om op te eten is of voor de wetenschap.


Dieren doden zelf ook andere dieren maar uitsluitend om te eten, hun honger te stillen of hun jongen te voeden. Doden om kennis te vergaren kennen ze niet om de doodeenvoudige reden omdat ze niet weten wat kennis is. Dat is voorbehouden aan mensen. De mens is het enige dier dat andere dieren doodt om kennis te verzamelen over het dier. Het dier als studieobject in plaats van voedsel. Het laatste is de wet van de natuur, eten of gegeten worden, het eerste is naar het zich laat aanzien onnatuurlijk. Je behoort geen dieren te doden anders dan uit noodzaak tot overleven of toch wel?

Als lid van de Roomse vereniging heb ik al jong geleerd dat de ellende is begonnen met het verzamelen van kennis. Eva at tegen de wil van God een appel van de boom van kennis van goed en kwaad. Zij was vooraf gewaarschuwd dat vooral niet te doen. Toch deed ze het. Verleid door de slang heet het in de Bijbel. De slang in de gedaante van de duivel. Waarom deed hij dat? Omdat hij God wil pesten of omdat hij wist dat kennis ellende veroorzaakt?

En waarom liet de vrouw zich verleiden? En waarom nu net de vrouw? Is de slang tegelijk man en duivel? Dat kan natuurlijk ook. Wie zal het zeggen? Vragen te over. Hoe dan ook, door van de boom te eten straft God de mens met sterfelijkheid. Vanaf dan is het gedaan met het zorgeloze mensenleven en dat alleen omdat Eva zo nodig de eerste wetenschapper moest spelen. Ze veranderde daarmee een onschuldige appelboom in het midden van het paradijs tot een boom van dood en verderf.

“De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.” (Genesis 3, De Zondeval, vers 1 t/m 7)


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 27 september 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN: MAKE LOVE, NOT WAR): 27, VRIJ ALS EEN VOGEL

Eindelijk vrij in een vrijstaand boerderijtje met een eigen tuin.

Eindelijk een kamer zonder hospita! Eindelijk de kans om zelf mijn leven in te richten samen met mijn inmiddels verloofde Krullenbol . Ja, we hebben besloten ons ouderwets en degelijk te verloven dan weten onze wederzijdse ouders tenminste waar ze aan toe zijn. Zij verdienen ook enige zekerheid in nieuwe tijden. En dat je een ring aan je vinger hebt als bewijs van goede trouw tegenover elkaar kan ook geen kwaad.  

Het boerderijtje waar ik als vrij student kom te wonen is van een kolenboer in ruste. Daar sta ik even van te kijken. Mijn verloofde is de oudste dochter van een kolenboer en nu kom ik te wonen in een oud boerderijtje van een kolenboer. Mooi hoe de dingen samen komen. Hoe groot is de kans op zulk een samengaan der dingen?  De kans dat ik verliefd zou worden op een dochter van een kolenboer in Oss was al klein. De kans dat ik in een huis kom te wonen van een kolenboer in Nijmegen is misschien nog kleiner. De Goden moeten grote plannen hebben met ons tweeën, dat kan niet anders of is er ook nog een wetenschappelijke verklaring voor dit alles?

Op het voormalige terrein voor kolenopslag staat nog een huis plus enkele grote opslagschuren. De beheerder van dit alles samen is kandidaat notaris Lam. Hij ziet er uit als alle notarissen, gewoner dan gewoon, keuriger dan keurig en uitermate beleefd met zijn haren keurig geknipt en gekamd. Mijn moeder zou maar wat graag hebben dat ik er zo bij zou lopen. Bij het horen van zijn naam denk ik aan het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. (Johannes 1:29). Natuurlijk is kandidaat notaris Lam geen Lam Gods, maar dat zijn naam alleen maar toeval is, geloof ik nu ook weer niet. Ik denk dat Iemand daarboven grootste plannen met ons heeft.
 

Wij gevieren beschikken over een eigen achtertuin, een vervallen schuurtje en een gezamenlijke keuken. Zoveel luxe heb ik als kamerbewoner nooit gekend. Ik kan zo maar door de keukendeur naar buiten de tuin inlopen. Ik kan er zo vrij als een vogel naar lucht happen, er rond springen en dansen, mijn neus ophalen aan het onkruid,  in de lente avond naar de maan en de sterren kijken en zo nodig een plas doen. Ik kan buiten gaan zitten met een boterham in de hand met een kop koffie bij de hand. Ik kan het weer voelen en ruiken. Ik heb een heel eigen plek op aarde. God en Maria zijn gezegend voor zoveel geluk. Waar heb ik dat nu weer aan verdiend?

Het Lam Gods vraagt een redelijke huur. Zeventig gulden, dat is slechts tien gulden meer dan wat ik betaalde voor mijn vorige kamertje, eigenlijk niet meer dan een kloostercel maar dan zonder de gelofte van armoede. Voor een tientje meer heb ik nu een ruime kamer met een brede dakkapel die uitzicht geeft op de tuin van de buren. We eten samen beneden in onze eigen keuken. We koken om beurten avondeten. Onze inkopen betalen we uit onze gezamenlijke huishoudpot waarin we elke week twintig gulden storten. We wonen samen maar studeren apart.


(verschijnt elke vrijdag)