Posts tonen met het label roodkapje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label roodkapje. Alle posts tonen

dinsdag 5 december 2023

ROODKAPJE VAN MARLEEN DUMAS

 

Marleen Dumas, Roodkapje, olieverf op doek, 1991. Bonnefantenmuseum te Maastricht.
 Geen lieve maar een boze Roodkapje.

Soms zegt de tekst van een museum curator bij een schilderij ook wat over hem in plaats van over het schilderij. Volgens het bordje bij het schilderij Roodkapje van Marleen Dumas is Roodkapje een moralistisch verhaal. Dat is kort door de bocht. Volgens mij is het een complex griezelverhaal over de werkelijkheid met als belangrijkste thema onschuld en schuld.


De wereld ziet er prachtig en mooi uit als Roodkapje met haar mandje voor oma door het bos loopt op weg naar diezelfde oma. Wat is er onschuldiger dan een boswandeling en dan ook nog naar Oma? Oma is een beetje ziekjes en daarom heeft Roodkapje van haar lieve moeder een maandje met gezond lekkers meegekregen.


Op slag verandert de wereld in een grote ellende zodra Roodkapje na haar gezellige boswandeling bij oma binnenstapt. Zij weet het nog niet maar wij vermoeden wel wat want een mooie wereld duurt nooit lang. Dat maakt het griezelig en spannend tegelijk. Na enige misleidend over en weer gepraat die de spanning verhoogt, blijkt Oma te zijn opgegeten door de wolf die in bed oma ligt te spelen. Wat gebeuren moet, gebeurt, Roodkapje verdwijnt in de muil van de wolf.


Dat is les een van het verhaal. De wereld is niet onschuldig. Er kan van het ene moment op het andere iets gebeuren wat je gezellige wereldje op z’n kop zet. Op wie moet je dan boos worden? 


Moet Roodkapje op de wolf boos worden? Dat is zinloos want die doet alleen maar wat zijn aard hem ingeeft. Een wolf is per definitie onschuldig want hij weet niet wat hij doet. Zie de door wolven gedode schapen in Nederland.


Les twee. Geloof iemand nooit alleen maar om zijn mooie ogen of glimlach. Daar kan van alles achter zitten. In dit geval een wolf maar dan is het te laat. De wolf slaat toe en weg ben je.


Les drie. Onschuld duurt nooit lang. Zo loop je als vrolijk jong deerntje door het bos, zo zit je in de buik van de wolf. Je kunt zo maar tegen grens overschrijdend gedrag aanlopen waar niks aan te doen is totdat misschien de boswachter je komt helpen. 


Wat zou Marleen Dumas dan bedoeld met haar portret van een boze Roodkapje? Boos op de wereld, op de wolf of op de boswachter die er eerder had moeten zijn? 


vrijdag 6 maart 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 50, SPROOKJESPRINS



Ze vraagt mij verbijsterd of ik van plan ben haar in de steek te laten vanwege een sprookje? Is dat wat ik kom vertellen? Maak ik het uit om als een verliefde aap achter een sprookjesmeid aan te lopen die ik waarschijnlijk nooit meer zal vinden en die, als ik haar wel zou vinden, niks van mij moet hebben? Waarom is ze anders weggelopen uit het café? Denk ik nou echt dat ik een sprookjesprins ben op een Vespa?

Wat kan ik zeggen? Ik raak in de war. Roodkapje is een onvindbaar sprookje daarin moet ik haar gelijk geven. Nuchter bezien is het een hopeloze zaak aan het worden. Ook niet voor de eerste keer. Op de middelbare school heb ik bijna een jaar lang verliefde rondjes gelopen achter blonde krullen. Het liep uit op een fiasco. Maar ondanks de binnensluipende twijfel blijf ik verliefd. Verliefdheid verdwijnt zo maar niet. Verliefdheid houdt zich niet aan feiten. Sterker nog feiten zijn geen feiten als je verliefd bent.


Ik sta machteloos en hulpeloos. Het zien van zoveel verdriet bij de huilende Dora doet me meer pijn dan ik kan zeggen. Ik zou willen dat ik het haar had kunnen besparen, dat ik haar in mijn armen kan nemen en troosten. Maar dat gaat niet meer. Mijn verliefdheid op Roodkapje ligt als een onwrikbaar rotsblok tussen ons in. We zijn onbereikbaar voor elkaar. 


Onmachtig om haar te troosten, druip ik moedeloos af, een intens huilende Dora achterlatend op haar kamer. Bij het besef dat ik in een vlaag van verliefdheid ons liefdesleven op zijn kop zet en wantrouwen tussen ons zaai, word ik overvallen door verdriet en woede tegelijk, op mijzelf en voor het eerst ook op Roodkapje. Wat denkt Roodkapje eigenlijk wel om ons zo van streek te maken met haar komst op mijn kamer en onze romantische rit door Nijmegen?
Boos op Roodkapje, boos op mezelf, boos op de hele wereld rijd ik op mijn Vespa naar Oranjesingel 42. Mocht ik haar eindelijk vinden, ik ben er klaar voor. Ik zal haar inpeperen dat ik verliefd ben op haar, dat ik haar voortaan elke dag wil zien en dat ze moet weten dat ik vanwege mijn verliefdheid mijn Dora teveel leed aandoe.


Het zijn overbodige gedachten want ik vind haar niet. En dan begint onderweg terug naar huis op mijn Vespa de twijfel binnen te sijpelen in hoofd en hart. Heeft Dora niet groot gelijk met haar opmerking dat ik me laat meeslepen in een sprookje? Heb ik het me het dan toch allemaal verbeeld en bestaat ze alleen in mijn hoofd, ook al stond ze die nacht naast mijn bed en heeft ze achter op mijn Vespa gezeten? Lijd ik aan romantische waandenkbeelden? Ben ik geestesziek zonder het te beseffen?


Elke gelijkenis met bestaande personen 
of gebeurtenissen berust op louter toeval.

(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 28 februari 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 49, VERLIEFD

foto: petrus nelissen

De volgende dag hoor ik in mijn bed opnieuw de bromfiets van Dora wegrijden. Langzaam breng ik mijn gevoel van ongemak van gisterenavond in kaart: een vervelend gesprek en weer geen Roodkapje. Ik moet bekennen dat ik verliefd ben geworden op haar. Ook dat nog. Er zit niks anders op dan vanavond opnieuw op zoek naar haar te gaan in Oranjesingel 42. Andere aanknopingspunten zijn er niet. De enige andere mogelijkheid is dat zij naar mij toe komt maar daar kan ik niet op rekenen na haar plotselinge vertrek. 

Ik voel me verplicht om Dora te vertellen wat er aan de hand is. Daar heeft ze het volste recht op. Ze moet weten dat ik verliefd ben geworden, naar het zich laat aanzien een hopeloze verliefdheid maar een verliefdheid zo echt als verliefdheid maar zijn kan. Ik heb dit ooit eerder meegemaakt. Toen heb ik een jaar lang verliefde rondjes gedraaid op het schoolplein van mijn middelbare school.  Tegenslagen telden toen niet en nu ook weer niet.


Het zal geen gemakkelijk gesprek worden met Dora maar het zou verraad zijn als ik niks zou vertellen. Na het avondeten ga ik met bezwaard gemoed naar Dora. Ze zit op haar gezellige zolderkamer op de bekende plek, een kussen naast het kacheltje dat ik nog niet lang geleden geïnstalleerd heb. Na een korte aanloop vertel ik over mijn verliefdheid. Zoals was te verwachten, loopt ons gesprek uit op onbegrip en drama.
 

Dora: “Hoe kun je nu verliefd worden op een vrouw die zich verkleedt als in een sprookje want dat ze Roodkapje is, geloof je zelf toch ook niet?”
 
Ik: “Verliefd worden overkomt je, dat heb je niet in de hand en of ze nu een sprookjesfiguur is of niet. Dat doet er niet toe.”

 
Dora: “Je bent als een kind dat geen onderscheid kan maken tussen een sprookje en de echte wereld.”

 
Ik: “Dat sprookje stond anders ’s nachts wel naast mijn bed en heeft achterop mijn Vespa gezeten.” 

 
Dora: “Weet je zeker dat je niet dronken was? Heb je soms weer zitten drinken met je vrienden.” 

 
Ik: “Hoezo weer? Ik heb de hele avond gestudeerd voor een tentamen.”

 
Dora: “Dat zeg jij! Moet ik dat geloven als je ’s nachts met een onbekende meid achterop je Vespa op stap gaat?
 

Ik haal uit wanhoop mijn schouders op. Dit gesprek wordt niks. Ik snap haar onbegrip, maar we kennen elkaar al zo lang. Er moet toch ergens nog een gemeenschappelijke golflengte zijn waarop we elkaar verstaan? Opnieuw heb ik haar gevoelens zwaar onderschat. Dat liefde geen keukentafel relatie is waar je bij een bakje koffie slappe klets kunt verkopen, weet ik wel maar dat gevoelens zo diep kunnen zitten dat het helemaal uit de hand loopt, verrast me telkens weer.

Als we zo nog even doorgaan, is het straks vanzelf afgelopen. Dan valt er niks meer goed te maken. Als ik haar vertel dat Roodkapje onvindbaar is, wordt ze boos op mijn stom gedoe, dat ze zo maar verdwenen is, dat ik helemaal niks over haar weet, niet eens weet waar ze woont of werkt. Ze stelt verdrietig vast dat ik verliefd ben op iemand die ik eigenlijk niet ken en niet kan vinden terwijl zij wel speciaal voor mij naar Nijmegen is verhuisd om naast mij te kunnen wonen. 


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 14 februari 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 47, ORANJESINGEL 42

De villa waar het voormalige studentencafé O42 zat.

Zoals elke morgen hoor ik Dora op haar brommertje naar haar werk bij de bandenfirma rijden. Doezelend probeer ik de gebeurtenissen van gisterenavond voor de geest te halen. Wat wilde Roodkapje van me? Hoe kwam die midden in de nacht naast mijn bed terecht? En het gekste van alles, waarom verdwijnt ze plotseling net als we rustig met elkaar kunnen praten? Ik vind geen enkele verklaring voor het gebeurde behalve een hoogst onwaarschijnlijke boze wolf in de gedaante van een minnaar die haar ontvoerd heeft.

Ik sta op, scheer en was mij, kleed me aan en ga ontbijten in de keuken. Het is stil in huis. Iedereen is al weg. Ik ga op zoek naar brood en beleg en zet water op voor thee. De Volkskrant ligt op tafel. Tijdens het ontbijt lees ik de krant van voor naar achter. Dat doe ik sinds de Zesdaagse oorlog. Sindsdien probeer ik uit te vogelen hoe het zit met de wereld en mij. Wat hebben wij met elkaar? 


Opnieuw denk ik terug aan gisterenavond maar nu aan de jongens en meisjes van de Kritiese Universiteit. Wat is daar allemaal niet gezegd? Ze zijn ontevreden met de universiteit, de maatschappij en de wereld, zoveel is zeker. Er is genoeg om ontevreden over te zijn: de autoritaire gezagsverhoudingen op de universiteit en in de maatschappij, de Koude Oorlog tussen Amerika en Rusland ook wel de strijd tussen kapitalisme en communisme met de dreiging van een atoomoorlog, de Vietnamoorlog, de massaslachting onder communisten in de ex-kolonie Indonesië, de Sjah van Iran als marionet van de CIA en de confrontatie tussen Cuba en de VS. Demokratisering van de universiteit zou dan een stap moeten zijn naar een nieuwe mens en maatschappij.


Een mooie gedachte om vast te houden maar ik ga vanavond toch maar op zoek naar Roodkapje. Waar kan ik anders heen dan naar Oranjesingel 42?  Of moet ik maar hopen dat ik haar ooit ergens binnenkort in Nijmegen tegen het lijf loop? Dat kan lang duren en bovendien ik neem liever zelf initiatief dan te wachten op iets wat waarschijnlijk nooit zal gebeuren. Zoals ik al vreesde, mijn hoop haar te vinden in het studentencafé is voor niks geweest. Nergens een Roodkapje te bekennen. Met mijn bierglas vol teleurstelling stuit ik op Antoon, een broer van Tinus, een klasgenoot op de middelbare school. We kennen elkaar net goed genoeg om een gesprek tegen de eenzaamheid te beginnen.


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 31 januari 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 45, VESPA

petrus nelissen, "Vespa", digitaal bewerkte foto

O42 is te ver om te lopen. Ik stel voor dat we op mijn Vespa scooter gaan. Ik vraag haar niet in amazonezit te gaan zitten, dat is elegant maar verboden. Stel je voor dat de politie ons aanhoudt. Dat zou de romantiek van onze nachtelijke rit door Nijmegen teniet doen. Ik geef haar de extra helm die ik altijd aan het stuur heb hangen. Ze zet hem kordaat over haar rode muts en stapt zonder enige gene schrijlings achterop. Voor houvast slaat ze haar rechterhand om mijn middel. Dat voelt meteen vertrouwd alsof we al jaren samen scooter rijden.

De weg ligt er eenzaam bij met zijn knipperende oranje stoplichten. De rit duurt amper een kwartier, genoeg voor mij om er van te genieten.  Roodkapje en ik samen op de scooter door Nijmegen, wie had dat ooit kunnen bedenken? Ik parkeer mijn fel gele scooter met in rood geverfde lippen en de letters GNOT voor in het villatuintje van het café. Terwijl ik de scooter op slot zet, kijk ik om en zie in het lichtschijnsel hoe onopvallend sierlijk ze loopt. Ik voel me wonderlijk op mijn gemak bij haar. Ik stel voor om aan de bar een pilsje te drinken. Eenmaal binnen gaat ze naast me staan. Als ze het glas heft om te drinken, zie ik pas goed haar slanke handen en vingers. 


Nog voordat ik een gesprek met haar kan beginnen, praat ineens aan mijn andere kant iemand tegen me. Een ouderejaars die zijn naam mompelt en meteen op gebiedende toon vraagt of ik wel eens bij een bijeenkomst van de Kritiese Universiteit ben geweest? Te verbluft om te antwoorden gaat hij op dezelfde toon verder. Ik kan naar boven gaan waar een bijeenkomst aan de gang is.


Ik draai me om naar Roodkapje om te vragen hoe zij over het voorstel denkt. Maar ik zie alleen haar lege bierglas staan. Ik kijk vertwijfeld rond maar ik zie haar nergens. Ze is weg zonder iets te zeggen of een gebaar van vertrek te maken of zoiets.  Het lijkt alsof ze van de aardbodem is verdwenen, in ieder geval uit het café. Ik loop voor alle zekerheid een rondje maar ze is en blijft weg. Ik ben alleen.


Wat nu? Terug naar huis of toch maar naar boven gaan, naar de bijeenkomst van de Kritiese Universiteit? Misschien is ze vooruitlopend op het gesprek al boven en staat ze op mij te wachten? Haastig ren ik de trap op maar ook hier is ze niet. Ik loop de kamer in waar druk vergaderd wordt. Ook daar is ze niet. Ik word overvallen door een hopeloos gevoel van eenzaamheid. De vergadering kan me gestolen worden. Ik hoor niet wat er gezegd wordt. Het is lang geleden dat ik me zo eenzaam heb gevoeld. Het zweet breekt me uit.


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 24 januari 2020

DE SPROOKJESJAREN ZESTIG 44, ROODKAPJE

petrus nelissen, 'Roodkapje', digitale collage van een met acrylverf bewerkte foto.

Op dit punt aangekomen, het is winter begin1968, zou ik dit verhaal kunnen beëindigen met een “wij leefden nog lang en gelukkig in een twee onder een kap woning met royale tuin, twee kinderen, liefst een jongen en een meisje, een goed betaalde baan van negen tot zes met grote verantwoordelijkheid en een vierdeurs gezinsauto voor de deur.” 

Natuurlijk, ik moet nog wel mijn kandidaats sociologie halen, daarna mijn doctoraal sociologie en vervolgens een baan vinden waarna we kunnen trouwen. Zij wordt moeder en zorgt voor haard en huis terwijl ik het inkomen voor mijn rekening neem. Voor de nodige spanningen in ons leven zorgen kinderziektes, schoolproblemen en kleine financiële zorgen. Voor de ontspanning zorgen autovakanties naar zonnige landen als Italië en Spanje, waarvan we al een voorproefje gehad hebben, voorts gezellige weekeinden met ouders, familie en vrienden.


Zo zou het gegaan kunnen hebben, ware het niet dat in het vroege voorjaar van 1968 aan het voeteneinde van mijn bed tot mijn verbijstering Roodkapje staat. Ik sliep nog maar net. Ik had tot middernacht twee studies uit het handboek voor sociologische methoden en technieken bestudeerd voor het gevreesde tentamen methoden en technieken, de ruggengraat van een wetenschappelijk verantwoorde sociologie.


Ik geloof mijn ogen niet. Voor de zekerheid knip ik mijn leeslampje aan. Er is geen twijfel mogelijk, daar staat Roodkapje. Ik wist niet dat ze echt bestaat. Maar daar staat ze voor mijn neus in de bekende rode cape met rode kap op en rode schoenen. Vanonder haar cape steekt een gebloemde rok met petticoat. Kijkt ze me ernstig en vragend tegelijk aan? Het is moeilijk haar gezichtsuitdrukking in het schaarse licht in te schatten. Het is geen kind zoals in het sprookje, meer een jonge vrouw. Ik schat haar ergens begin twintig, de onschuld is nog niet helemaal verdwenen.


Dan verbaasd over mezelf vraag ik me af waarom nu net Roodkapje en niet Sneeuwwitje of Doornroosje? Misschien omdat Roodkapje van eenvoudige afkomst is net als ikzelf? De andere twee zijn immers van koninklijke bloede. Aan haar linkerarm zie ik het bekende rieten mandje bungelen met daar bovenop een rood-wit geruite doek die het mandje afdekt.


Met een zachte doch heldere stem vraagt ze of ik mee ga naar het studentencafé O42. Nog steeds niet bijgekomen van mijn verbazing, twijfelend of ik dit allemaal niet droom, stap ik schuchter uit bed. Omdat ik in mijn blootje slaap, loop ik met het deken om me heen naar de hoek van mijn wastafel achter de zelf gemaakte boekenkast en kleed me aan. Samen lopen we zachtjes naar buiten de voorjaarsnacht in.

(verschijnt elke vrijdag)