Posts tonen met het label not war. Alle posts tonen
Posts tonen met het label not war. Alle posts tonen

vrijdag 25 oktober 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN MAKE LOVE, NOT WAR), 31 DE BRIEFSCHRIJVER


petrus nelissen, "Emmy leest brief", 1998

Sociologie is de kunst om het alledaagse tot een bijzonder verschijnsel te verklaren en het vervolgens te systematiseren. Vandaar dat sociologiestudies een déjà vue gevoel oproepen soms tot op het komische af. Er wordt van alles en nog wat onder het sociologisch vergrootglas gelegd: het al dan niet bestaan van gedragsverschillen tussen jongens en meisjes, de voor en nadelen delen van vrije seks, het drie of meer ouder gezin als veilige haven of gevangenis,  enz. Allemaal ervaringen waar de mensheid al duizenden jaren mee worstelt maar die nu te boek worden gesteld als een nieuwe kijk op het menselijk universum. Sociologie is een komische vak met de mens in de hoofdrol die voor meer verwarring dan voor verheldering van zorgt.

Het hart van mijn eerste jaars studie sociologie is de goedkope Aulapocket ‘Moderne Sociologie, een systematische inleiding’  geschreven door de professoren  J. A. A. van Doorn & C. J. Lammers, uitgegeven bij Het Spectrum in Utrecht en Antwerpen. Ter inwijding in de moderne sociologie beginnen de beide professoren met de sociologische anatomie van de briefschrijver.

“Wie een brief schrijft, communiceert met een ander. Hij legt zijn gedachten en gevoelens, zijn bedoelingen en ervaringen vast, niet om deze te bewaren - zoals de dagboekschrijver -, maar om ze over te dragen. De lezer van de brief is in het bewustzijn van de schrijver aanwezig: wát hij schrijft en hóe hij zich uitdrukt wordt niet alleen door hem, maar ook door de toekomstige lezer bepaald. Brieven schrijven is dus een activiteit tussen mensen, d.w.z. een sociale activiteit, met de schrijver in de meest actieve rol, de lezer meer passief, maar toch niet zó passief dat zijn bestaan geen invloed heeft op de activiteit van de schrijver. De briefschrijver drukt zich immers niet alleen uit, maar anticipeert op reacties die hij door zijn schrijven hoopt uit te lokken. Hij verwacht tenminste kennisneming van de brief, vaak ook een antwoord, soms een handeling van de lezer: een bezoek afleggen, geld overmaken, zich ergens melden, een spreekbeurt vervullen, een contract tekenen. De lezer ervaart brieven dan ook niet als een ‘expressie’, maar als een ‘boodschap’, aan hem persoonlijk gericht.” (Hoofdstuk I, Sociologie en Sociale Werkelijkheid, I.Een brief schrijven, p.20)
 

Met een beetje gezond verstand kun je wat hierboven staat zelf ook allemaal verzinnen. Vandaar de beroemd geworden uitdrukking “sociologie vertelt je wat je al lang weet.” Maar vooruit met de geit, je kunt niet altijd origineel zijn. Maar er zit ook nog een tragisch aspect aan de sociologie. Dat wat de sociologie net zo mooi heeft opgeschreven, wordt meestal alweer snel achterhaald door een nieuwe onvoorziene ontwikkeling. Zo houdt de briefschrijver op met schrijven, dankzij de introductie van de telefoon gaat hij bellen. De sociologie loopt achter de feiten aan. Dat kan ook niet anders. Je kunt moeilijk bestuderen wat er nog niet is.

“Veel wisseling van brieven heeft plaats gemaakt voor het telefoongesprek, dat naar zijn aard minder formeel is, alleen al doordat de onmiddellijke reactie van de beide partijen alle gelegenheid biedt om naar toon en inhoud voortdurend ‘bij te sturen’. Het contact is nu veel directer: degene die wordt opgebeld, kan gemakkelijker worden ‘klemgereden’; hij moet onmiddellijk antwoorden en kan het verzoek minder gemakkelijk naast zich neerleggen. Telefonische communicatie ‘democratiseert’ daarom in hoge mate, terwijl hier tevens een verandering in sociale normen is op te merken: méér dan vroeger is het thans maatschappelijk ‘gepast’ iemand van hogere status telefonisch te benaderen.” (pagina 24 van voornoemde Aulapocket)


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 27 september 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 (VOORHEEN: MAKE LOVE, NOT WAR): 27, VRIJ ALS EEN VOGEL

Eindelijk vrij in een vrijstaand boerderijtje met een eigen tuin.

Eindelijk een kamer zonder hospita! Eindelijk de kans om zelf mijn leven in te richten samen met mijn inmiddels verloofde Krullenbol . Ja, we hebben besloten ons ouderwets en degelijk te verloven dan weten onze wederzijdse ouders tenminste waar ze aan toe zijn. Zij verdienen ook enige zekerheid in nieuwe tijden. En dat je een ring aan je vinger hebt als bewijs van goede trouw tegenover elkaar kan ook geen kwaad.  

Het boerderijtje waar ik als vrij student kom te wonen is van een kolenboer in ruste. Daar sta ik even van te kijken. Mijn verloofde is de oudste dochter van een kolenboer en nu kom ik te wonen in een oud boerderijtje van een kolenboer. Mooi hoe de dingen samen komen. Hoe groot is de kans op zulk een samengaan der dingen?  De kans dat ik verliefd zou worden op een dochter van een kolenboer in Oss was al klein. De kans dat ik in een huis kom te wonen van een kolenboer in Nijmegen is misschien nog kleiner. De Goden moeten grote plannen hebben met ons tweeën, dat kan niet anders of is er ook nog een wetenschappelijke verklaring voor dit alles?

Op het voormalige terrein voor kolenopslag staat nog een huis plus enkele grote opslagschuren. De beheerder van dit alles samen is kandidaat notaris Lam. Hij ziet er uit als alle notarissen, gewoner dan gewoon, keuriger dan keurig en uitermate beleefd met zijn haren keurig geknipt en gekamd. Mijn moeder zou maar wat graag hebben dat ik er zo bij zou lopen. Bij het horen van zijn naam denk ik aan het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt. (Johannes 1:29). Natuurlijk is kandidaat notaris Lam geen Lam Gods, maar dat zijn naam alleen maar toeval is, geloof ik nu ook weer niet. Ik denk dat Iemand daarboven grootste plannen met ons heeft.
 

Wij gevieren beschikken over een eigen achtertuin, een vervallen schuurtje en een gezamenlijke keuken. Zoveel luxe heb ik als kamerbewoner nooit gekend. Ik kan zo maar door de keukendeur naar buiten de tuin inlopen. Ik kan er zo vrij als een vogel naar lucht happen, er rond springen en dansen, mijn neus ophalen aan het onkruid,  in de lente avond naar de maan en de sterren kijken en zo nodig een plas doen. Ik kan buiten gaan zitten met een boterham in de hand met een kop koffie bij de hand. Ik kan het weer voelen en ruiken. Ik heb een heel eigen plek op aarde. God en Maria zijn gezegend voor zoveel geluk. Waar heb ik dat nu weer aan verdiend?

Het Lam Gods vraagt een redelijke huur. Zeventig gulden, dat is slechts tien gulden meer dan wat ik betaalde voor mijn vorige kamertje, eigenlijk niet meer dan een kloostercel maar dan zonder de gelofte van armoede. Voor een tientje meer heb ik nu een ruime kamer met een brede dakkapel die uitzicht geeft op de tuin van de buren. We eten samen beneden in onze eigen keuken. We koken om beurten avondeten. Onze inkopen betalen we uit onze gezamenlijke huishoudpot waarin we elke week twintig gulden storten. We wonen samen maar studeren apart.


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 12 juli 2019

MAKE LOVE, NOT WAR (WERKTITEL) 16. LIEFDE OP ZOLDER

Hotelkamer Parijs 1977


Voordat ik verder ga met mijn verhaal over het studentenleven in de burgermansstad Nijmegen, moet ik vertellen dat mijn vriendenreis naar Parijs niet mijn eerste reis naar Parijs was. Integendeel, alreeds twee jaar daarvoor had ik een veel spannender reis gemaakt naar de stad van de Eiffeltoren, Place Pigalle en het Louvre. Na een verregende vakantieweek met het gezin van Krullenbol aan een van de Kärntner Seen in Oostenrijk, mochten wij tweeën de gemiste tweede week vakantie goedmaken met vijf dagen Parijs. Dat was een onverwachte meevaller bij een tegenvaller. We boekten bij de France Touring Service een treinreis met logies voor de ook voor mij zeer betaalbare prijs van 92 gulden per persoon, inclusief de voucher voor een eenpersoonskamer.

Mijn schoonmoeder stond erop dat we een eenpersoonskamer zouden nemen. We hadden daar begrip voor, per slot van rekening waren we nog jong en in die dagen kon er dan nog van alles gebeuren. Een ongewenste zwangerschap was wat het meest gevreesd werd. We hadden er alle vertrouwen in dat we eenmaal in Parijs er wel wat op zouden vinden om elkander lief te hebben.  Liefde is net als water, ze vindt altijd wel een weg.

Al meteen na aankomst ging de goeie kant op zonder dat we daarvoor ook maar iets hoefden te doen. We kwamen terecht in wat later voor ons een typisch Paris hotel zou worden. Een piepkleine receptie meteen naast de voordeur en daarnaast een smalle trap naar de kleine hotelkamers boven, van onder tot boven beplakt met bloemetjes behang. Nadat de man van dienst de gastenlijst van ons groepje had bestudeerd, liep hij met ons samen van verdieping naar verdieping.  Eenmaal op een verdieping aangekomen, kreeg je een een ouderwets grote sleutel met een al even groot kamernummer als sleutelhanger overhandigd.
 

Op weg van de derde naar de vierde verdieping kreeg ik zomaar ineens een vette knipoog van de hotelbediende. Ik had geen idee wat dat betekende. Op de vijfde etage  hetzelfde ritueel van toebedeling van kamers. Wij bleven als enigen van het groepje over. Met alweer een vette knipoog van de hotelbediende klommen we de smalle trap op naar de zesde verdieping. 

We kwamen uit op wat eens een zolder moet zijn geweest. Er waren twee kamers gemaakt met een smalle gang met toilet en douche.   Nu pas snapte ik de knipoog van de man. Op deze zolder waren wij de enige twee gasten, weliswaar ieder met een eigen kamer maar niemand die op ons zou letten wat we daar boven op zolder zouden uitspoken. De hotelbediende had voor ons een liefdesnest gereserveerd. Vraiment, Paris, c'est la ville de l'amour.
(verschijnt elke vrijdag)