Posts tonen met het label Zwanenberg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zwanenberg. Alle posts tonen

dinsdag 1 oktober 2024

19. HOE ZIT DAT IN OSS? JAN MARIJNISSEN

 

 Jan Marijnissen midden jaren zeventig op een van de eerste verkiezingsaffiches van de SP.

Niet voor het eerst maar wel nadrukkelijk, duikt de naam van Jan Marijnissen op in de geschiedenis van de beginjaren van de SP. Hij is een geboren en getogen Ossenaar die de taal van de mensen spreekt. Hij past geheel en al in het profiel van de de groep jonge SP’ers in zijn tijd. Afkomstig uit een gegoed katholiek milieu en voorbestemd om na de nodige (zelf)studies een vooraanstaand lid te worden van de Osse samenleving.


“Marijnissen werd geboren als jongste van de vier kinderen in het katholieke gezin van een gemeenteambtenaar. Zijn vader overleed aan een hartinfarct toen Marijnissen tien jaar oud was. Omdat zijn moeder de zorg voor vier kinderen, van wie één met het syndroom van Down, niet aankon, werd hij in 1963 naar de kostschool (Carmellyceum) van de Paters Carmelieten in Oldenzaal gestuurd… Vanaf 1964 zat hij op het gymnasium Bernrode in Heeswijk. Na twee jaar verliet hij deze school en keerde hij terug naar Oss, om daar de hbs te doen op het Titus Brandsma Lyceum. Na het voortijdig verlaten van het middelbaar onderwijs was hij werkzaam als fabrieksarbeider, eerst in een ijsfabriek en later bij Zwanenberg in Oss. Van 1974 tot 1985 was Marijnissen werkzaam als lasser in de metaalindustrie.”  (Wikipedia:Jan Marijnissen) 


Jan Marijnissen is de vlees geworden geschiedenis van de SP. Net als de andere SP jongeren valt hij van zijn katholieke geloof af om vervolgens het nieuwe geloof, het communistisch marxisme -leninisme, te omarmen . 


“Op Bernrode verloor Marijnissen zijn katholieke geloof, naar eigen zeggen vanwege de lijdensvraag. Op de hbs raakte hij geïnteresseerd in filosofie en linkse politiek. Hij las Marx, Freud en Marcuse en sloot zich aan bij de maoïstische vleugel van de protestbeweging. In 1971 werd hij gekozen in het bestuur van de Kommunistiese Partij Nederland/Marxisties Leninisties (KPN/ML), een afsplitsing van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN). In oktober 1972 werd de naam van deze partij gewijzigd in Socialistiese Partij. (Idem Wikipedia)


Jan gaat vanuit zijn nieuwe geloof in de fabriek werken waaronder in exportslagerij Zwanenberg, een van de grotere werkgevers in Oss. Daar komt hij op de afdeling worsten die hij vanwege zijn lengte gemakkelijk kan ophangen. Maar zoals Jan zelf zegt is het bedrijf politiek oninteressant, “want er was geen flikker te beleven. In mei 1973 zal Jan dan ook zonder aarzelen ontslag nemen als de partij zijn hulp nodig heeft tijdens de eerste staking die Arbeidersmacht organiseert.” (Blz. 113 in ‘het Geheim van Oss’)


Die staking wordt door de Osse SP'ers "De Grote Klapper" genoemd omdat ze hiermee hun partij in een klap op de kaart van Nederland zetten, d.w.z. de nationale kranten halen en bij links Nederland in het vizier komen dankzij o.a., het weekblad de Groene. 


Tot dan toe werd Oss door de schrijvende elite van Nederland, verzameld rond het linkse weekblad Vrij Nederland, aangemerkt als de meest saaie stad van Nederland. Best wel verwonderlijk voor linkse intellectuelen dat ze een industriestad als Oss, een werkstad vol arbeiders, weg zetten als saaiste stad van Nederland. 


Dat Jan Marijnissen het bedrijf Zwanenberg oninteressant noemt in het geciteerde boek is wellicht te verklaren uit het feit dat hij er met zijn activisme niet echt uit de voeten kon. De arbeiders van Zwanenberg waren hecht georganiseerd in de toenmalige voedingsbond NKV, genaamd Sint Joris. De districtsbestuurders was een voormalige collega van hen en wist dus maar al te goed wat er leefde onder de arbeiders, vooral sinds de wilde staking van 1960.

dinsdag 24 september 2024

18. HOE ZIT DAT IN OSS. WILDE STAKING 1960

Stakers voor de poorten van de exportslachterijen Hartog en Zwanenberg aan de Molenweg 1960. (Foto: Daan Scholte, stadsarchief Oss)

De staking onder leiding van de Arbeidersmacht van de SP in 1973 bij Bergoss is niet de eerste staking van na de Tweede Wereldoorlog in Oss. In 1960 breekt een wilde staking uit onder de arbeiders van de exportslachterijen Hartog en Zwanenberg. De katholieke vakbond Sint Joris, waarbij de meerderheid van de arbeiders zijn aangesloten, wordt volledig verrast door die staking.


Dat is niet zo verwonderlijk als je weet dat de vakbonden in Nederland meedoen aan de naoorlogse “geleide loonpolitiek” die door de overheid in ingevoerd om de naoorlogse wederopbouw van Nederland zo soepel mogelijk te doen verlopen.


“De geleide loonpolitiek betekende dat de overheid zich bemoeit met de loonvorming. In het kader van de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog werd de doelstelling om Nederland op internationaal niveau een goede concurrentiepositie te verschaffen centraal gesteld. Daarnaast stelde de staat zich ten doel om werkloosheid zoveel mogelijk uit te bannen. De beide doelstellingen veronderstelden een permanente loonmatiging. Loonsverhogingen werden door de overheid alleen toegestaan als zij door een productiviteitsverhoging konden worden gerechtvaardigd.

Ook de prijspolitiek werd door de overheid bepaald. Zo hield de regering controle over de nationale economie. Alle krachten stonden in dienst van de wederopbouw. Stakingen kwamen zelden voor; in de meeste Europese landen was dat anders, daarom werd er wel gesproken van het “Hollands mirakel”. In het begin van de jaren zestig werd duidelijk dat dit beleid had geleid tot een 'zwart' circuit. Werkgevers betaalden aan hun werknemers naast een 'wit', ook een 'zwart' loon en financierden dat uit 'zwarte' omzetten. Zo onttrok een fors deel van de sterk groeiende economie zich belastingen.  De geleide loonpolitiek werd daarom begin jaren 1960 afgeschaft en ingeruild voor de 'vrije loonpolitiek’. (Wikipedia: geleide loonpolitiek)  

Door de wilde staking komt in Oss een einde aan de arbeidsrust en de geleide loonpolitiek. De stakers eisen een verhoging van hun tarieven, in de praktijk een loonsverhoging. Er volgen verwarde dagen. Wie gaat dit conflict oplossen nu de vakbonden er niet bij zijn betrokken? Wie onderhandelt met de werkgevers? 

De voedingsbond Sint Joris slaagt erin een massavergadering van stakers te beleggen in de bioscoopzaal van de Cinema in Oss. Die verloopt echter zo tumultueus dat de vakbondsbestuurders die avond onverrichterzake moeten vertrekken. 

Uiteindelijk slaagt de vakbond erin de stakers achter een looneis te krijgen en aldus te onderhandelen over een akkoord met de werkgevers. Het akkoord betekent praktisch het einde van de geleide loonpolitiek. 


donderdag 4 juli 2024

2. HOE ZIT DAT IN OSS? DE BENDE

Blik op het Schaijksveld van ver voor de Tweede Wereldoorlog. Het zou kunnen dat de woning met gebroken kap links vooraan het huis is van mijn opa en oma. Ik heb als jongen van 8 jaar of daaromtrent nog op het open veld gespeeld. De woning staat er nog in wat nu de Schadewijkstraat heet. Het Schaijksveld lag aan de rafelrand van Oss waar o.a. Toon de Soep woonde. De buurt werd daarom gezien als een crimineel broeinest. Ik vraag me af of het dat ook werkelijk was. In ieder geval was het een bijzonder armoedige straat zoals je op de foto kunt zien. 


Het vertrek van de grote margarine fabrikanten naar Rotterdam vanwege de te hoge transportkosten, was een grote tegenslag voor de werkgelegenheid. In een tijd zonder sociale voorzieningen betekende werkloosheid armoede, armoede en nog eens armoede! Het antwoord van sommige Ossenaren, dus lang niet iedereen, was de bende van Oss. Was de bende een teken van grote armoede, een uitwas van een bevolking die in verzet kwam tegen de bestaande orde en het gezag of wat natuurlijk ook kan, een combinatie van beide?


De bende was ook toen voor Nederland een sensatie, zeker toen een in Oss gestationeerde marechaussee vermoord werd. Oss heeft meer naam en faam gekregen met de bende van Oss dan met zijn margarine fabrieken die notabene mede de basis hebben gelegd voor Unilever, een van de grootste multinationale ondernemingen in de wereld. 


Bij het Nederlandse publiek kent men Oss nu vooral van de film “De Bende van Oss”. De werkelijkheid is een stuk minder romantisch dan de film ons wil doen geloven. Dat Oss toen het ‘Chicago aan de Maas’ werd genoemd, heb ik nooit gehoord. Wel kende ik namen als die van Toon de Soep die met zijn gezin achter het Schaijksveld woonde en klant was bij mijn oom de broodbezorger.


“Het verhaal speelt zich een aantal jaren voor de Tweede Wereldoorlog af, in het Noord-Brabant tijdens de crisisjaren 30 van de twintigste eeuw. Er heerst een misdaadgolf in Oss, het industriestadje dat tussen 1923 en 1935 de titel "Chicago aan de Maas" heeft. De bende van Oss is verantwoordelijk voor een groot deel van de 24 moorden die in deze periode worden gepleegd. Voor de film is de historie wel het uitgangspunt, maar zowel de regisseur als de producent verzekeren dat het vooral een spannende misdaadfilm en geen geschiedenisles is. De hoofdrolspelers zijn fictieve personages, samengesteld uit diverse verschillende bendeleden. Aan welluidende bijnamen van bendeleden als Toon de Soep, Bijs de Sijp, Trien de Snol en De Ceel kleven te veel persoonlijke kenmerken, daarom zullen ze als personages niet rechtstreeks in de film te zien zijn. Er zijn echter tal van feiten die op een of andere manier in het scenario terecht zijn gekomen.” (Wikipedia)


De komst van Philips Licht net als de exportslagerijen van Zwanenberg en Hartog zorgden voor werkgelegenheid. Met Organon, een spin-off van Zwanenberg kreeg Oss een moderne medicijnfabriek met bijbehorende laboratoria. Organen van varkens en koeien bleken een grondstof te zijn voor medicijnen. Er was nog steeds armoede maar minder dan in de crisisjaren dertig. 


Oss was in mijn jeugd een stad waar je altijd wel wat kon bijverdienen. Als leerling op de lagere school kon je geld verdienen met het rapen van aardappels bij een boer of het plukken van aardbeien en bessen bij een fruitteler.


Eenmaal op de middelbare school werkte ik eerst bij Philips Licht, daarna bij de kratten fabriek Eminos gelegen naast de koekfabriek Ster in de Molenstraat. Alle drie de fabrieken lagen toen nog in het centrum van de stad.


Van Philips is de Groene Engel nog over en de kantine. De Groene Engel is oorspronkelijk gebouwd als hoofdkantoor voor de boterfabriek Solo van Jurgens (1919). Philips nam alles over met het vertrek van Jurgens uit Oss. Van Philips zelf staat de kantine nog. De rest is gesloopt en vervolgens volgebouwd met woningen.


Krattenfabriek Eminos en de Koekfabriek Ster zijn ook gesloopt. Het Osse bestuur blonk uit in het slopen van het verleden. Alsof men er zich voor schaamde en geen waarde had. Er hadden honderden mensen in gewerkt, waaronder een tante van me, maar dat telt niet, net zo min als de architectuur van de gevel. Die gevel wordt nu wel gekopieerd in een nieuw gebouw op het Walplein. Een nieuwe poging om Oss in de vaart der volkeren op te stoten. 


Ik bezorgde als middelbare scholier de toen nog katholieke Volkskrant, een arbeiderskrant opgericht door de katholieke vakbond. Nu een PvdA krant. Ik werkte daarna nog bij blikfabriek Thomassen & Drijver-Verblifa en natuurlijk ook Zwanenberg. Beide bedrijven zijn door het "destructieve kapitalisme" ofwel de vooruitgang opgeslokt en verdwenen uit Oss. 



donderdag 27 april 2023

3. STAKING IN OSS (VERVOLG)

 

Een vergadering van het bestuur van de lokale NKV voedingsbond tezamen met de regiobestuurder (Theo Nelissen) in een zaal van Hotel Luik. De werkgevers in de voedingsindustrie hebben een kort geding aangespannen tegen de stakingsplannen van de voedingsbond. De rechter gelast daarop een afkoelingsperiode in acht te nemen tijdens hetwelk het verboden is te staken.
Op de vergadering wordt besloten om als voedingsbonden in Oss, bestaande uit leden bij Zwanenberg, Unox en Hartog enz. uit solidariteit mee te doen met de demonstratie in Oss



Bericht van het actiecomité:

“De personeelsvereniging van T en D/Verblifa deelt mee dat gezien de huidige bedrijfsomstandigheden het bestuur besloten heeft om zowel het jeugdcarnaval als het grote carnavalsbal resp. op 11 en 12 februari a.s. niet door te laten gaan. Het spijt het bestuur ten zeerste deze beslissing te hebben moeten nemen, mede gezien de reeds getroffen voorbereidingen en de gemaakte kosten. Volgend jaar beter.”

Turkse staker roept zijn landgenoten op ook te staken.


Het Brabants Dagblad schrijft op 8 februari het volgende over de staking:

"Oss- De stakingsleiding bij T en D te Oss heeft een verzoek van de vleesverwerkende industrie Gevato in Driebergen afgewezen om ondanks de staking toch blikken te leveren. Dit verzoek was gedaan via de voedingsbonden FNV. De stakingsleiding wilde echter voor niemand een uitzondering maken.

Zoals bekend wordt Gevato sinds enkele weken met sluiting bedreigd. De werknemers daar zijn met man en macht aan het werk om het bedrijf nog te redden. Als er echter geen blikken worden geleverd uit Oss, ontstaan er binnen 48 uur moeilijkheden, zo heeft de ondernemingsraad laten weten. De ondernemingsraad van Gevato heeft nu een delegatie naar Oss gestuurd om daar onder het motto  "stakers helpen stakkers" hun zaak te bepleiten.
Volgens districtsbestuurder T. van Lieshout van de industriebonden FNV in Eindhoven vloeit de beslissing voort uit het feit dat men op dit ogenblik nog geen kans ziet bepaalde producten wel en andere niet de poort uit te laten en niet uit onwil. In ieder geval zal men zich in Oss nog nader beraden over deze zaak.”


Voorzitter Arie Groenevelt van de Industriebond NVV omrings door stakers en lokale bestuursleden van de bond.


De reportage "Staking in Oss" maakt deel uit van de expositie "Ons Oss, Erfgoed in Beeld" en is te zien in galerie K26.

 

vrijdag 18 maart 2022

40. HET BELOOFDE LAND. MARIA

 

Dora en Maria aan tafel in het appartement van onze vrienden waar we tijdelijk in wonen.

Sinds ik in Colombia verblijf worstel ik met de kwestie van de armoede. Ik heb nooit armoede gekend, wel soberheid. Voor een arbeidersgezin in die tijd, vlak na  de Tweede Wereldoorlog, was dat normaal. Het was de tijd van de wederopbouw en daarbij hoorde de slogan “een beter toekomst", maar dat was niet meteen het geval. Er moest eerst flink gewerkt en gespaard worden.Dat leerden we op school door elke week een zegel te kopen van 25 cent en die in het spaarboekje van de Rijkspostspaarbank te plakken. Zo leerden we al vroeg zegeltjes plakken.

Ik meen dat mijn vader als slager bij varkensslachterij Zwanenberg  veertien gulden per week verdiende. Geen vetpot maar je kon er als gezin met drie kinderen van leven. Veel extra’s zat er niet in maar dat hindert niet als je niet beter weet. In de zomer verdienden we wat extra’s door samen boontjes te rengen voor de conservenfabriek van Zwanenberg.

Het belangrijkste voor ons gezin was de zekerheid van een wekelijks inkomen. Mijn vader had een vaste baan waardoor we een huis konden huren, zo goedkoop mogelijk, zonder luxe maar goed genoeg. Pas toen we verhuisden naar een rijtjeshuis in de Merelstraat in een nieuwe uit de grond gestampte naoorlogse woonwijk, hadden we wat meer comfort. Mijn moeder hoefde niet meer in een aan de keuken aangebouwd portaaltje op een butagasstel te koken en we hoefden ons ook niet meer in de keuken te wassen. Vooruitgang kan heel eenvoudig zijn. 

De Colombiaanse gezinnen in de armoedewijken van Bogotá hebben geen enkel vooruitzicht op een betere toekomst tenzij je het een vooruitgang vindt om van een armoedige hut op het platteland  te verhuizen naar een zelfgebouwde hut in de stad op een illegaal stuk grond in een krottenwijk. Je zou kunnen zeggen dat ze van de regen in de drup terecht zijn gekomen maar ja, de stad biedt meer kansen dan het platteland. De krotten zijn gebouwd van afval hout, blik, plaat geslagen vaten, zelf gemaakte cementblokken en zelfs karton. Een flinke regenbui en het hutje is naar de knoppen. 

Een vaste baan als basis voor het gezinsleven zoals mijn vader had, is er niet bij. Veel vaders en moeders zien zich daarom genoodzaakt wat straathandel te drijven in het centrum van de stad, zich te verhuren als dagloner of als dienstmeid. Wij doen voor het eerst van ons leven ervaring op met zo een inwonend dienstmeisje in het appartement van onze vrienden waarin we tijdelijk kunnen wonen. Dankzij een verkregen beurs zijn ze op reis naar de Verenigde Staten ter voorbereiding van een jaar studie aan een universiteit in New York.  

Hoewel het een piepklein appartement is, is er toch rekening gehouden met een inwonend dienstmeisje. Ze slaapt in een heel klein kamertje, bijna het formaat van een ingebouwde kast. Maria, zo heet ze, heeft net zoveel moeite om aan ons te wennen als wij aan haar. Wij kunnen het niet over ons hart verkrijgen dat zij het eten opdient om daarna  in de keuken in haar eentje te moeten eten. We nodigen haar uit aan onze tafel. 

Het onvoorziene gevolg is dat de verhoudingen zoek raken. Ze beslist om geen koffie op te dienen aan enkele vrienden die bij ons op bezoek zijn. Bij navraag blijkt dat ze twee van de drie vrienden niet mag. We leggen haar uit dat het niet aan haar is om daarover te beslissen. Soms bemoeit ze zich ongevraagd met zaken die niet voor haar bestemd zijn. Onze uitleg stuit op onbegrip en zelfs op tranen. Het valt niet mee om een dienstmeisje in huis te hebben en  dan heb ik het nog niet over ons gevoel dat we geen privéleven meer hebben. Het loopt gelukkig goed af omdat onze vrienden bijtijds terugkeren zodat wij, zoals was afgesproken, kunnen verhuizen naar het appartement van Rosier. 

(wordt vervolgd)

vrijdag 11 oktober 2019

DE SPROOKJESJAREN 60 ( VOORHEEN MAKE LOVE, NOT WAR): 29 DE BOOM VAN DOOD EN VERDERF

 
petrus nelsissen, "De Boom van Leven en Dood", een digitale collage
Jaren later krijg ik een aanvullende opleiding determineren bij Zwanenberg, de slachterij waar mijn vader het vak heeft geleerd. Als werkstudent moest ik samen met een stuk of zes Spaanse gastarbeiders varkensbuiken uitbenen, niet met een mes zoals je zou denken, maar met een stukje stevig touw met aan het einde een stukje hout voor het houvast.

Je slaat het touwtje om een ribbetje, rukt aan het touwtje waarna het ribbetje zich losscheurt. Na enige oefening scheur je op die manier in een mum van tijd een hele varkensbuik leeg. Zodra we een deel van de buiken hadden weggewerkt, gooiden we uit de ijzeren bak op wielen nieuwe vers geslachte buiken op de snijtafel. Als gieren knagen we de net gedode varkens tot op het bot af.


Wat wij deden voor een weekloon, doen de studenten biologie voor de wetenschap. De wereld is verdeeld in twee groepen. Zij die dieren slopen om ze op te eten en zij die dieren slopen om te weten hoe ze in elkaar zitten. Is het ene doel beter dan het andere? Voor kikker, muis, kip en varken maakt het niet uit. Aan hen wordt niks gevraagd. Hun lot is de dood of het nu voor om op te eten is of voor de wetenschap.


Dieren doden zelf ook andere dieren maar uitsluitend om te eten, hun honger te stillen of hun jongen te voeden. Doden om kennis te vergaren kennen ze niet om de doodeenvoudige reden omdat ze niet weten wat kennis is. Dat is voorbehouden aan mensen. De mens is het enige dier dat andere dieren doodt om kennis te verzamelen over het dier. Het dier als studieobject in plaats van voedsel. Het laatste is de wet van de natuur, eten of gegeten worden, het eerste is naar het zich laat aanzien onnatuurlijk. Je behoort geen dieren te doden anders dan uit noodzaak tot overleven of toch wel?

Als lid van de Roomse vereniging heb ik al jong geleerd dat de ellende is begonnen met het verzamelen van kennis. Eva at tegen de wil van God een appel van de boom van kennis van goed en kwaad. Zij was vooraf gewaarschuwd dat vooral niet te doen. Toch deed ze het. Verleid door de slang heet het in de Bijbel. De slang in de gedaante van de duivel. Waarom deed hij dat? Omdat hij God wil pesten of omdat hij wist dat kennis ellende veroorzaakt?

En waarom liet de vrouw zich verleiden? En waarom nu net de vrouw? Is de slang tegelijk man en duivel? Dat kan natuurlijk ook. Wie zal het zeggen? Vragen te over. Hoe dan ook, door van de boom te eten straft God de mens met sterfelijkheid. Vanaf dan is het gedaan met het zorgeloze mensenleven en dat alleen omdat Eva zo nodig de eerste wetenschapper moest spelen. Ze veranderde daarmee een onschuldige appelboom in het midden van het paradijs tot een boom van dood en verderf.

“De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.” (Genesis 3, De Zondeval, vers 1 t/m 7)


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 15 maart 2019

MAKE LOVE NOT WAR (WERKTITEL): 3. DE SLACHTERIJ

Zwanenberg, 12 maart 1981. Samengestelde Foto: Ad van Dooren en Petrus Nelissen

De toelages van thuis en Vadertje staat zijn genoeg voor een studentenleven maar dan zonder toetje. Boerenkool met worst is niet meer genoeg in tijden van vooruitgang en welvaart. Een vakantiebaantje kan voor een aanvullend inkomen zorgen. Ik kan zo terecht bij de varkensslachterij van Zwanenberg in Oss. Het is geen schande om in een bedrijf te gaan werken waar mijn halve familie heeft gewerkt en gedeeltelijk nog werkt. Mijn vader heeft er gewerkt, enkelen van zijn broers, zijn schoonvader ofwel mijn opa en enkele broers van mijn moeder. Als het niet zo gek zou klinken, zou je kunnen zeggen dat Zwanenberg ons in het bloed zit.  In de fabriek kom ik mensen tegen die mijn familie goed kennen. Mijn vader kennen ze bijna allemaal omdat hij van de werkvloer bij Zwanenberg vakbondsman is geworden. Ze zijn verbaasd dat hij al zo een grote zoon heeft.

Op de eerste dag van mijn vakantiebaantje kan ik werkkleding ophalen, een witte overall en een witte muts voor de hygiëne. Mijn eerste werkplek is aan de snijtafel waar de geslachte varkens worden uitgebeend door Nederlanders en tot mijn verrassing ook een groep Spanjaarden. Ze spreken nauwelijks Nederlands. Het eerste uur pak ik de buiken voorzichtig aan tussen duim en wijsvinger om ze voorzichtig in een container te leggen maar die voorzichtigheid gaat na verloop van tijd over. Daarna pak ik de buiken van de snijtafel alsof het warme broodjes zijn. Alles went ook de geur van vlees en bloed.

Na een paar dagen later word ik overgeplaatst naar de slachtband waar de varkens opengereten van boven tot onder op hun kop aan een vleeshaak hangen. Hulpelozer kun je een dier niet zien. Ik moet met een metertje de zuurtegraad meten van de achterhammen van deze jammerlijk omgekomen varkens meten. Een treurig eentonige bezigheid. De meeste hebben de juiste zuurtegraad. Degenen met een te hoge zuurtegraad krijgen van mij aan de zijkant een groot paars kruis, gegeven de omstandigheden een teken van genade. Ik heb geen idee wat er daarna met ze gebeurt.


Een groep werknemers van Zwanenberg rond de jaren vijftig van de vorige eeuw.


Vanaf mijn meetpost kan ik het begin van de dodenmars zien, de lopende band waar de varkens net geslacht en open gesneden met hun achterpoten aan een vleeshaak worden gehangen. Ik zie tussen de bedrijven door een slager zijn middagboterham eten terwijl hij met zijn ellebogen het dode varken voortduwt. Ik ga nog net niet over mijn nek. Weer een paar dagen later moet ik aan dezelfde band gezeten op een laag krukje de oren afsnijden van de naar beneden hangende varkenskoppen. Het eerste wat ik ’s morgens doe is enkele verse oren afsnijden voor onder de poten van mijn krukje zodat ik de hele dag stevig zit.

Voor mijn laatste karwei moet ik dagelijks afdalen naar de koelkelders waar ik zout water in de containers vol met batonvlees moet spuiten. Met een witte voorschoot aan, een extra trui en laarzen dabber ik de hele dag rond in ijskoud water in koude kelders. Om de paar uur mag ik even naar boven het daglicht zien en frisse lucht happen. Mijn lichaam koestert zich even behaaglijk in de zomerlucht waarna ik weer afdaal naar de kelders. In de daar beneden in de hel verlichte koele kelders vergeet je gewoonweg hoe behaaglijk de zomerlucht is. Langzaam warmt mijn lichaam zich op totdat ik weer moet afdalen naar de kelders. Als ik dit voortaan mijn leven lang elke dag zou moeten doen, zou ik misschien wel droog brood eten in plaats van boerenkool met worst en nog wat na.


(verschijnt elke vrijdag)

dinsdag 31 juli 2018

DE EENZAAMHEID VAN DE ONGELOVIGE 50


Zebra, Etosha, Namibia 2005, Met de hand bijgewerkte foto op houten paneel.

De paters Karmelieten van het Titus Brandsma Lyceum waar ik mij school in moderne talen, wiskunde, natuur en scheikunde, geschiedenis en aardrijkskunde, boekhouden, sporten, tekenen en schilderen waken meer over mijn zedelijk gedrag dan mijn ouders. Een van de paters die godsdienstles geeft en bij het arbeiderspastoraat werkt, spreekt mijn vader aan op zijn vakbondskantoortje. Bezorgd vraagt hij of hij ervan op de hoogte is dat zijn oudste zoon met een meisje door bos en hei wandelt en in het centrum van de dorp-stad met haar paradeert?

Geen probleem, hij weet ervan. Gelukkig, anders zou er misschien heibel van zijn gekomen. Tussen de soep en de aardappels door zegt hij aan tafel dat hij er  geen probleem mee heeft zo lang ik maar goeie punten haal. Bovendien heeft hij zelf wel andere dingen aan zijn hoofd dan mijn doen en laten in mijn liefdesleven te volgen. Als vakbondsman heeft hij het altijd druk. Hij had al een 24 uurs rooster toen het nog moest worden uitgevonden. Er zijn doorlopend problemen. Het loon wordt niet volgens de CAO uitbetaald, het vakantiegeld is te weinig, de ontslagprocedure onrechtmatig, de ploegbaas stelt onmogelijke eisen, geen werkkleding, onvoldoende pauzes enz. enz.  Daar komt nog bij het moeizame onderhandelen met de bazen van de fabrieken, waaronder de grote slachterijen Hartog en Zwanenberg.

Dat de paters de woon en verblijfplaats van mijn danspartner kennen, evenals het eerzame beroep van haar vader, verbaast me. Dat ze tijd hebben om dat uit te zoeken! Haar ouders worden niet ingelicht. Zij zit immers niet bij de paters op school en dus zullen ze zich voor haar ook niet verantwoordelijk voelen. Gelukkig voor de paters zijn er niet al teveel leerlingen die met meisjes rondwandelen want dan zou een enkele pater er een voltijdse dagtaak aan hebben om al die bedreigde zeden te onderzoeken.

Mij hebben ze ook niet over de affaire aangesproken. Met de ouders te waarschuwen vinden de paters waarschijnlijk dat ze genoeg gedaan hebben voor het zedelijk heil van hun leerling. Ik vertel het verhaal nog wel aan mijn tekenleraar de V.  Hij mag me geloof ik wel. Ik ben de enige van de klas die hij met de hoogst persoonlijke bijnaam Zebra aanspreekt. Dat schept een speciale band. Zijn commentaar op de affaire is kort en krachtig. In zijn jeugd mocht je nog niet eens met je grootmoeder door de stad lopen. Tijden zijn verandert, de paters nog niet.

 
(verschijnt elke dinsdag)

woensdag 11 juli 2018

HET GOUDEN VARKEN


 Isaac van Ostade (omgeving), Geslacht Varken op een ladder, olieverf op canvas,
ongeveer 1640
In de Gouden Eeuw van de Nederlandse schilderkunst was een geslacht varken
of rund (Rembrandt) een veelvuldig voorkomend thema in de schilderkunst.

Dit schilderij heeft de Osse ereburger Saal van Zwanenberg in 1969 aan de gemeente Oss.
Hij is het zelf komen afleveren. Het had altijd op zijn werkkamer gehangen en hij vond dat 
het in Oss moest blijven. 
De gemeenteraad op zijn beurt vond dat Saal van Zwanenberg een belangrijke invloed
heeft gehad op de ontwikkeling van welvaart en welzijn van Oss.
Uit de schenking blijkt dat hij Oss een warm hart toedraagt.

Saal van Zwanenberg is blijkbaar nog van de generatie ondernemers die zich verbonden voelen met een stad. Dat kan van veel moderne ondernemers niet meer gezegd worden.
Hun loyaliteit ligt eerder bij de beurs en de aandeelhouders dan bij de werknemers
en de stad waar ze gevestigd zijn.

De stad Oss doet er goed aan het varken in ere te houden. Zonder varken zou Oss een stuk minder welvarend zijn geweest. Half Oss werkte ooit in de vleesindustrie waaronder de fabrieken van Zwanenberg en Hartog. De geschiedenis van deze twee fabrieken gaat terug tot 1875. De bacon productie voor de export begon in 1889. Dankzij een koelmachine kon er voortaan het hele jaar door geslacht worden.

Kees de Kort, Varkenseter, acryl op doek, 1988
De varkeneter wordt door de schilder afgebeeld als een soort van kanibaal.
Na het dier in stukken gesneden te hebben, eet hij het zo goed als rauw op.
Het zal me niet verbazen als de schilder tegen het eten van vlees is.

Er kwam een margarinefabriek bij, een raffinaderij voor dierlijke oliën en vetten en fabrieken voor ijs, zeep en conserven. De margarine fabriek werd in 1929 overgenomen door Unilever. De wens om bijproducten nuttig te gebruiken leidde tot wetenschappelijk onderzoek naar insulineproductie waaruit in 1923 het dochterbedrijf Organon ontstond. In 1920 werd Saal Zwanenberg algemeen directeur van de firma Zwanenberg Slachterijen en Fabrieken. (Zie Wikipedia: Zwanenberg)


Naoorlogse groepsfoto van werknemers bij Zwanenberg.
Al deze mensen en hun gezinnen verdienden hun kost bij Zwanenberg.
Mijn vader zit er ook tussen.

Over hoeveel mensen bij Zwanenberg en andere vleesfabrieken in Oss hun brood verdienden,
heb ik niet kunnen vinden.

Mijn halve familie werkte na de Tweede Wereldoorlog in de varkensslachterijen van Zwanenberg. Mijn vader is daar zijn werkend leven begonnen, maar ook mijn grootvader werkte daar en enkele ooms. Er werkten toen duizenden mensen in de vleesfabrieken. Ik heb er zelf ook ooit gewerkt als scholier in de zomervakantie. Eerst moest ik de oren van de pas geslachte varkens afsnijden. Daarna moest ik meten of de zuurtegraad van de achterhammen niet te hoog was om er ham van te maken. Ik heb ook nog een tijdje in de kelders beneden gewerkt bij het zouten van de bacon bestemd voor de export naar Engeland.


Kees de Kort, Zonder Titel, olieverf en acrylverf op doek, 1987.
Ik zou dit doek de titel geven "Het varken als slachtoffer" want zo ligt het op er bij.
Het blauwe kruis versterkt het slachtofferschap.
Het is een slachtoffer zonder gezicht.

In de zomer verdienden we thuis dankzij Zwanenberg bij met het schoonmaken van sperzieboontjes voor de conservenfabriek van Zwanenberg. In de de schuur hielden we stuk of zeven varkens die gevoerd werden met etensresten en varkensvoer. Eenmaal op gewicht werden ze verkocht aan Zwanenberg wat een welkome aanvulling was op het weekloon van mijn vader.


Daan de Boer, 'Bacon & Eggs' (2012)

Ik kon toen niet vermoeden dat een kunstenaar ter gelegenheid van de tentoonstelling “We are food - over de kunst van voedsel”  in het Jan Cunen Museum op het idee zou komen om in het trappenhuis van boven naar beneden lappen namaak spek met een gebakken ei op te hangen. Het Museum noemt het “een kathedraal van ham en spek”. In die kathedraal wordt een erdedienst gehouden voor eten en dan vooral het varken.

Guido Geelen, 'Gouden Varken' (2000)

Aangezien het varken voor Oss goud heeft opgeleverd, is het niet meer dan billijk dat er beneden in de kathedraal een gouden varken staat. Van mij had dat varken wel een zwaargewicht van goud mogen zijn in plaats van  eentje met gaten. Maar het idee dat het varken goud is geweest voor Oss komt in ieder geval wel over.

De tentoonstelling "We are food - Over de kunst van Voedsel" in het Jan Cunen Museum te Oss duurt nog tot 16 september.

dinsdag 17 oktober 2017

DE EENZAAMHEID VAN DE ONGELOVIGE 10

Groepsfoto uit de familie album. Helaas kan ik niet achterhalen bij welke gelegenheid
de foto gemaakt is maar ik vermoed dat het om een of andere katholieke bijeenkomst gaat

voor vakbondsmensen.
Een soort bijscholingscursus avant la lettre. Te zien aan het gebouw

op de achtergrond en het aantal aanwezig priesters en een broeder,
vond de bijeenkomst waarschijnlijk plaats in een klooster of seminarie.

Werk en leven, leer en leven vallen bij mijn vader samen. Zijn werk is de vakbond, zijn leer de katholieke sociale leer. De uitgangspunten van die leer staan in de pauselijke encycliek Rerum Novarum van 1891: een rechtvaardig loon, het recht op eigendom en solidariteit met de zwakkeren. Vakbonden zijn een middel om deze doelen na te streven.

Ze zijn hem op het lijf geschreven. Hij heeft ervaring hoe belangrijk werk en een rechtvaardig loon zijn voor een gezin. Zonder werk geen loon, zonder loon geen brood op de plank thuis. Bij Zwanenberg heeft hij geleerd hoe het in de praktijk werkt. Hij kent zijn mensen, het werk en de werkgever. Met werkgevers overleggen betekent altijd schipperen tussen wat de een en wat de ander rechtvaardig vindt.

Maar er is meer. In Oss weet men wat het betekent als een werkgever er zo maar de brui aan geeft, zijn fabriek sluit en zijn mensen zonder pardon achterlaat. Aan het einde van de negentiende eeuw vertrok van den Bergh met zijn margarine fabriek, nota bene een van de eerste in Nederland, vanwege een conflict over een kanaal van de Maas naar Oss. Dat zou schelen in de transportkosten naar Engeland. Van den Bergh ging naar Rotterdam.  

“Dit leidde tot werkloosheid. De werkende klasse was laag opgeleid en had nog weinig ervaring met een industriële werkkring. De vakbeweging was nauwelijks ontwikkeld. Zelfstandige ambachtslieden, zoals kuipers, hadden hun betrekkelijke vrijheid moeten inleveren voor een baan bij een werkgever. De arbeidsomstandigheden daar waren vaak bedroevend. De spanningen liepen op en ontlaadden zich in bedreigingen, mishandelingen, brandstichtingen en dergelijke. In 1892 werden zelfs twee mensen vermoord en ook in 1893 volgde een moord op wachtmeester Hoekman, die de daders van de diverse misdrijven probeerde op te sporen en daarbij ook wel oneigenlijke methoden zoals het bewerkstelligen van broodroof." (Wikipedia over Oss)


Het gevolg voor Oss was een sociale ontwrichting die zijn weerga niet kent in Nederland. Zo een ervaring maakt de mensen en dus ook mijn vader voorzichtig. Het kan zo maar gedaan zijn met werk en inkomen met als gevolg diepe armoede want sociale voorzieningen bestaan nog niet. Je moet vechten voor een rechtvaardig loon maar het conflict niet op de spits drijven. De kunst is om met een rechte rug te onderhandelen en tegelijk oog te hebben voor het behoud van werk en inkomen. En het kanaal? Ja, dat is er in 1963 gekomen, 70 jaar later.


(verschijnt elke dinsdag) 

dinsdag 26 september 2017

DE EENZAAMHEID VAN DE ONGELOVIGE 7

Wandelen op Den heuvel, het centrum van Oss. 

Wanneer mijn vader eenmaal bestuurder bij de vakbond is, verandert er veel voor ons gezin. We verhuizen naar een huurhuis in dezelfde vogelwijk en parochie. Ik hoef dus niet naar een andere lagere school. We krijgen een kantoor in huis, in de voorkamer met een bureau en een archiefkast. Een degelijk bureau dat ik nog gebruik. De archiefkast heb ik bij de verhuizing van Vlaanderen naar Nederland weg gedaan. Beide heb ik ruim 40 jaar gebruikt.

Er komt een telefoon in huis en in plaats van wandelen op zondag maken we voortaan autoritjes naar bos en hei met ter afsluiting een lekkernij aan de frietkraam ergens in of om Oss. Tijdens de zondagse wandelingen in de stad wordt mijn vader vaak aangesproken. Soms te lang maar mijn vader zegt nooit nee, zeker niet tegen zijn mensen van Zwanenberg en de vakbond. Met de komst van de auto komt daar een einde aan.

De telefoon gaat vaak op zondag. Dan zijn de mensen thuis en hebben ze tijd om te bellen. Mijn moeder heeft daar, tot enige ergernis van mijn vader, niet altijd begrip voor. Een gezin moet zijn rust hebben op zondag, vindt ze. Hij vindt dat het bij zijn werk hoort. Mijn vader luistert aandachtig aan de telefoon, hij praat geduldig en blijft rustig. De ervaring heeft hem geleerd dat je problemen niet altijd direct hoeft op te lossen. Na verloop van tijd verdwijnen ze als vanzelf. Het spreekwoord “komt tijd, komt raad” is een van zijn vaste leefregels.


Een andere leefregel is het spreekwoord “dat de wal het schip zal keren”. Dat gaat over mensen, waaronder ook zijn kinderen, die denken dat alles maar moet kunnen. Onverbeterlijke eigenwijsheid pareert hij met de vaststelling dat je blijkbaar “eerst met je kop tegen de muur moet lopen”. Als je dat wilt, moet je het maar doen. Zijn waarschuwing moet genoeg voor je zijn. Hij voelt zich niet geroepen om verdere maatregelen te nemen. Ook niet tegenover zijn kinderen. Die leren het op den duur vanzelf, vindt hij.


(verschijnt elk dinsdag)

dinsdag 19 september 2017

DE EENZAAMHEID VAN DE ONGELOVIGE 6

Mijn vader gaat werken bij de varkensslachterij Zwanenberg, 
toen een van de grootste werkgevers Oss.
Samen met Hartogh zijn Zwanenberg en Organon, 

een afgeleid bedrijf van Zwanenberg,
de banen-motoren van Oss en omgeving.

Mijn vader waarschuwt mij niet nog een keer te blijven zitten, want dan kan ik gaan werken bij Zwanenberg waar hij zelf na de lagere school is gaan werken. Dat kon toen nog, met je veertiende gaan werken. Meent hij het of is het maar een bij wijze van spreken? Soms weet je dat niet bij hem. Ik gok dat het niet helemaal gemeend is en vraag er verder niet naar. Ik vertrouw er op dat het allemaal mee zal vallen en zo niet dan zien we wel weer verder. 

Ik vraag me af, wat of wie heeft mijn vader er toe gebracht om vakbondsman te worden? Als zoon van een landarbeider en keuterboer heeft hij het niet van huis uit meegekregen. Heeft een onderwijzer op de katholieke lagere school hem ooit gezegd dat hij meer in zijn mars had? Dat zou kunnen maar wat zou hij daar mee moeten? Ouders verwachten van hun kinderen dat ze op hun veertiende gaan werken om de geldzorgen thuis te verlichten. Dat is bij hem thuis met acht kinderen niet anders. 

Hij gaat bij Zwanenberg werken, toen met Hartog en Organon de banen motoren van Oss. Hij wordt lid van de  ‘De Jonge Werkman’, een katholieke vereniging ter opvang van werkende jongeren. Als werkende jongere gaat hij naar de katholieke Levensschool, waar levenslessen en geestelijke zorg wordt gegeven. Het is vormingswerk voor jong volwassenen. Ik vermoed dat in deze katholieke instellingen de basis is gelegd voor zijn baan als district vakbondsbestuurder. Hij volgt een cursus in Cuijk. Dat is 40 kilometer heen en terug fietsen na zijn werkdag. Hij moet goed gemotiveerd en overtuigd geweest zijn van het nut van de cursus, anders had hij het niet kunnen opbrengen om na een negen-urige werkdag zo een afstand te fietsen door weer en wind, ook in de winter.


Zo ver fietsen is op zich normaal, vooral in de zomer, met het hele gezin als het even kan. We fietsen naar de speeltuinen langs de rijksweg in Velp bij Grave en ter bedevaart naar het dorp Zeeland waar Sint Cornelis wordt vereerd. De grootste fietstocht die we maken is naar de dierentuin in Rhenen, samen met mijn ome H. en kinderen.

(verschijnt elke dinsdag)

dinsdag 12 september 2017

DE EENZAAMHEID VAN DE ONGELOVIGE 5

Dit is een van de paar foto's in ons familie archief waarop de auto staat waarmee mijn vader
en ik in de zomer van 1960 door Noord Oost Brabant en Limburg reden.
De foto is in 1962 gemaakt toen mijn vader op het idee kwam om met zijn drie mannen
 te gaan kamperen zoals we bij de verkenners geleerd hadden.
De tocht ging naar Clairvaux in Luxemburg.

Als district bestuurder van Sint Joris, de katholieke bond voor arbeiders in de voedings- en genotmiddelen industrie (bakkers- en slagers knechten, sigarenmakers enz.) in de regio Oost Brabant en Limburg, is mijn vader altijd onderweg om bijstand te verlenen aan zijn leden. In die zomer waarin ik ben blijven zitten in de tweede klas van de HBS, rijden we door zijn het hele gebied, tot aan Maastricht toe. 

Soms praten we wat, de meeste tijd zwijgen we. Op de terugweg als het al donker wordt, mag ik luisteren naar radio Luxemburg, als het maar zachtjes is. De verlichte radioschaal is als een schemerlamp die het gezellig maakt in de auto.  Onderweg stoppen we om te eten bij een frietkraam of snackbar. Mijn vader was zuinig met zijn onkostenvergoeding. Er zijn thuis meer monden te vullen.

Ik hoor voor het eerst van mijn leven iets over arbeidsproblemen van bakkers- en slagers-knechten. De een krijgt zijn rechtmatige vakantiegeld niet, de ander mag zijn vakantie dagen niet opnemen, weer een ander ontvangt te weinig loon en zo verder. Het is altijd wat. Hij probeert ter plekke het conflict op te lossen zodat er geen rechter aan te pas hoeft te komen. Dat is voor alle partijen beter. Het gaat vlugger en zet de arbeidsverhoudingen in zo een klein bedrijf niet op scherp. Soms rijden we met een krentenbrood of een flinke metworst naar huis als dank voor zijn bemiddeling.


Door dit alles is hij veel van huis. Mijn moeder heeft het daar moeilijk mee. Ze mist zijn gezag om orde bij de jongens in huis en aan tafel te houden. Naarmate ze ouder wordt, werkt de drukte op haar zenuwen. Als hij thuis is vraagt ze hem dringend in te grijpen tot herstel van de orde. Hij heeft daar een hekel aan maar plichtsgetrouw waarschuwt hij ons op te houden. Mijn moeder vindt het niet krachtdadig genoeg. Ze wordt er soms moedeloos van.



(verschijnt elke dinsdag)