dinsdag 20 oktober 2026

DE TELOORGANG VAN DE PVDA. DEEL 17. LEVE DE KLEINE PARTIJEN

 Aantal partijen dat heeft deelgenomen aan de Tweede Kamerverkiezingen en dat is verkozen, 1918-2021.

Bij de meeste Tweede Kamerverkiezingen vanaf 1967 deden tussen de 20 en 28 partijen mee, gemiddeld ruim 23. De kansen om in de Kamer te komen namen wel af: verwierf in de periode 1946-1959 ongeveer twee derde van de deelnemende partijen één of meer Kamerzetels, daarna daalde dat percentage tot doorgaans wat minder dan de helft (en in de verkiezingsjaren 1981 en 1986 zelfs tot een derde). Vanzelfsprekend hebben de gevestigde partijen een veel grotere kans op Kamerzetels dan de nieuwkomers.

Het aantal nieuwe partijen lag voor de Tweede Wereldoorlog een paar keer nog hoger. Aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 deden maar liefst 54 partijen mee, waarvan er 14 in de Kamer kwamen (waaronder zes ‘eenlingen’). Om dit hoge aantal in de toekomst in te dammen, werd er een waarborgsom ingevoerd die een partij voor elke kieskring waar zij een kandidatenlijst indiende moest betalen. Als zij minstens 75% van de kiesdeler had behaald, kreeg zij de waarborgsom terug. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 werd duidelijk dat deze drempel effectief was, met ‘slechts’ 20 partijen op het stembiljet. Het systeem met de waarborgsommen bestaat voor nieuwe partijen nog steeds. Daarnaast moeten zij per kieskring dertig ondersteuningsverklaringen inleveren. (Bron: Onderzoek Rijksuniversiteit Groningen)

Gezien de deelname van een groot aantal politieke partijen en de hoge opkomst tijdens Tweede Kamerverkiezingen heb ik in mijn vorige blog de stelling geformuleerd dat de Nederlandse democratie behoorlijk veerkrachtig is. Immers als burgers niet meer zouden geloven in onze parlementaire democratie zouden ze niet zo vaak zoveel nieuwe partijen oprichten en zou er ook geen hoge opkomst zijn bij de Tweede Kamerverkiezingen (rond de 80%).


Het gesignaleerde wantrouwen in de politiek, in onderzoeken en media, behelst niet zoals sommigen beweren het politieke stelsel, ook al kun je daar altijd wel verbeteringen in aanbrengen, maar de politici, hun politiek en beleid. Democratie draait niet alleen om de instellingen maar net zo goed of misschien nog wel meer om personen. Dat maakt democratie ook zo ingewikkeld.


De modieuze opvatting dat ons politieke stelsel faalt is dus onzin. De burgers doen mee en nog massaal ook. Waarom wordt er dan toch vaak verwezen naar ons zogenaamd falende politieke bestel door politici, media en deskundigen?


Ik vrees dat dit een manier is om de aandacht af te leiden van het feit dat zijzelf grotendeels falen. Dat geldt met name voor de klassieke middenpartijen PvdA, CDA en de VVD. Die partijen hebben een flink deel van hun ooit bijna vanzelfsprekende achterban verloren en omdat politici ook maar mensen zijn, zoeken ze niet de verklaring bij zichzelf maar bij het democratisch stelsel.


Een van de veel gehoorde klachten over ons politieke bestel is dat teveel partijen meedoen waardoor het parlement als het ware overbevolkt raakt met kleine partijen. Het gevolg is teveel verschillende geluiden in het parlement, veel onderlinge verdeeldheid, uitvergrote tegenstellingen en zelfs polarisatie, een verboden woord in een land waar polderen staat aangeschreven als de hoogste vorm van politiek bedrijven. 


Door de vele kleine partijen in het parlement wordt het steeds ingewikkelder om meerderheden te vinden voor wetgeving en bestuur. Zo wordt het voordeel van ons democratische stelsel, de laagdrempelige toegang tot het parlement, een nadeel. Maar is het ook een nadeel?


Volgens hoger opgeleiden die liever met een strak plan werken en Nederland inrichten volgens hun inzichten en richtlijnen (technocraten, autocraten en vakidioten) zijn al die kleine partijtjes maar een lastpost. Deze pseudo intellectuele betweters zetten liever de democratie op sterk water dan dat ze naar de burgers in casu de kiezers luisteren. Me dunkt dat dit een kwalijke instelling is die krachtig bestreden moet worden. 


Voor de voormalige grote partijen, gewend als zij waren om het land zo een beetje om de beurt te besturen wel, maar voor de kiezers die zich niet gehoord weten, geldt het tegendeel. Zij zijn blij dat ze nog mee kunnen doen ook al is het dan vanuit een minderheidspositie. Beter dát dan helemaal niks.


Je kunt je dus afvragen of het voorstel wat sommigen doen om een kiesdrempel op te werpen wel zo verstandig is. Je pakt daarmee niet de oorzaak van het probleem aan, namelijk dat de klassieke partijen hun vermogen om bredere groepen kiezers aan te spreken hebben verloren, maar het verschijnsel. De oorzaak blijft bestaan, kiezers willen gehoord worden desnoods door op een kleine partij te stemmen. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten