Posts tonen met het label mijn sprookjesjaren zestig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mijn sprookjesjaren zestig. Alle posts tonen

vrijdag 8 januari 2021

93. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, RENAULT FREGATE

De Renault Frégate is ontwikkeld in de jaren onmiddellijk volgend op de Tweede Wereldoorlog. Renault had een nieuwe, moderne middenklasse auto nodig om te voldoen aan de vraag in verband met het verwachte economisch herstel. Verschillende prototypes werden geproduceerd voordat het Frégate-design werd verkozen voor productie.

 

Bernard en ik maken samen met mijn oom een proefrit met de Renault Frégate door de polder rond Oss. Het moet gezegd worden, het is een grote, ruime vier persoons auto, een luxe auto zoals ik nog niet kende, met genoeg bagageruimte voor onze kampeerspullen. Met mijn oom aan het stuur rijdt hij prima maar je weet met oude auto’s natuurlijk nooit. Bernard stelt voor om er mee naar een teststation van de ANWB te gaan. Voor mijn oom geen punt. Als hij wordt afgekeurd krijgen we het geld terug, zo verzekert hij ons. Oom Chris wil best wat verdienen maar het moet fair blijven. 

De ANWB test valt slecht uit. De auto zou zo goed als op instorten staan met zijn verrotte carrosserie en mank lopende motor. Op het teststation vrezen ze dat Bernard niet eens meer Oss zal halen. En ze krijgen nog gelijk ook, ergens tussen Arnhem en Oss begeeft de auto het en moet weggesleept worden. De Frégate gaat als een afgewezen minnaar terug naar ome Chris. Wij krijgen ons geld terug en gaan op zoek naar een andere auto.

Mijn vader raadt me aan eens bij zijn Renault garage te gaan kijken. Garage Staassen heeft altijd wel een paar inruilauto’s staan, wellicht is er iets voor ons bij. We gaan erop af en vinden een Renault Vier met een open dak, een welkom extraatje voor de reis die we gaan maken. De auto heeft dik honderdduizend kilometer gereden en de rode lak is verweerd maar de motor loopt mooi en regelmatig. We wagen het erop en kopen de auto voor dezelfde prijs als de Renault Frégate maar deze keer zonder ANWB test.

Het autootje heeft precies de goede maat voor onze lange reis,  klein van buiten maar ruim van binnen voor vier passagiers en door de hoge achterkant met zijn ruime achterbak veel bagageruimte. Omdat je nooit zeker bent van een oude auto met meer dan honderdduizend kilometer op de teller spreken we af dat ieder van ons niet meer bagage meeneemt dan hij of zij kan dragen zodat we in geval de auto het begeeft die kunnen achterlaten en liftend verder kunnen. We nemen twee kleine tweepersoonstentjes mee, slaapzakken en persoonlijke spullen in een handige draagtas. Het plan is om onderweg op een tweepits camping gasstel te koken dat we van Dora thuis meekrijgen samen met een paar in elkaar passende aluminium pannetjes.

We maken wat proefritten rond Oss en ontdekken een minpunt. De auto verbruikt buitengewoon veel olie, geen onbekend verschijnsel bij oude auto’s zo verzekert de vader van Dora ons en hij kan het weten. Sinds de ontdekking van de Groningse aardgasbel, een revolutie in de energievoorziening van Nederland, is hij kolenboer af, weggesaneerd door de overheid. Na lang gewikt en gewogen te hebben, men vergeet bij zo sanering wel eens wat er allemaal komt kijken om een nieuw bestaan op te bouwen, besluit hij een benzinepomp met de service van olieverversing te beginnen  en een half automatische wasserette, toen een nieuwigheid van jewelste in Oss en omstreken. Motorolie is duur daarom krijgen we van hem drie plastic vaten mee met elk tien liter afgewerkte olie. In zo een oude motor die zoveel olie verbrandt kan dat geen kwaad. Als onze berekening kloppen hebben we daaraan genoeg tot in Marokko. Daarna zien we wel weer.

Dankzij de ANWB, de club die van Nederlanders gedegen verzekerde wereldreizigers maakt, zijn we goed voorbereid op als er wat mis gaat met de auto. Voor onderweg hebben we reischeques waarmee we kunnen betalen bij pech en een reisverzekering. Als extra service hebben we een volledig uitgewerkte routekaart, een dik, handzaam boekje als een dagkalender met op elke pagina een stuk van de route met de benodigde details. Als enige niet-rijder van het gezelschap, ik heb geen rijbewijs, zorg ik voor de kaarten en hou toezicht op de auto.

(verschijnt elke vrijdag)
 

What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 1 januari 2021

92. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, MAROKKO

 

Henkius links en Bernard rechts ergens in Noord Frankrijk langs de snelweg tussen Lille en Parijs.

Nog net voordat het voorjaar begint, de tijd van het ijs venten is nog niet aangebroken, vraagt Bernard of Dora en ik zin hebben om met hem op reis te gaan naar Marokko. Ik heb in huis vage geruchten opgevangen over reisplannen naar Marokko maar geen idee over wie, wat of hoe. Hij vertelde dat hij de afgelopen maanden met drie studiegenoten plannen gemaakt had maar dat ze tot zijn verbazing en teleurstelling afhaakten. Naar het schijnt vonden ze het uiteindelijk een te onzeker avontuur.

Bernard is een aangename huisgenoot waarmee ik goed kan opschieten. Hij lijkt me een prima reisgenoot. Dora en ik durven het wel aan om samen met hem zo een reis te maken. Reizen, te vertalen als avontuur en nieuwsgierigheid naar de wereld, is een jongensdroom sinds ik Kuifje en Arendsoog ben gaan lezen. Bij de verkenners leerde ik dan weer hoe ik onderweg voor mezelf kon zorgen; tent opzetten, vuur maken, sporen lezen en al die andere dingen die je op reis moet kunnen.

Een reis naar Marokko is in dit jaar van opstand en revolutie weer eens wat anders. Geen grootse vergezichten en ideologisch bouwwerken waarover lang en veel vergaderd moet worden maar een reisplan met een doel. Een reis waarvan ik bijna zeker ben dat er meer van zullen volgen al heb ik nog geen idee hoe dat zou moeten. Komt tijd, komt raad. Dora denkt er als hetzelfde over. We zitten op dezelfde golflengte. De ouders van Dora hebben er tot onze verbazing geen moeite mee. Blijkbaar vinden ze dat we er oud en wijs genoeg voor zijn al zullen ze wel bezorgd geweest zijn, maar dat laten ze niet merken.

Een reisgezelschap van drie personen is onhandig. Vier is beter, maar waar vinden we een vierde reiziger, wat ook meteen zou schelen in de kosten? Min of meer op goed geluk vraag ik Henkius, die ik ontmoet heb bij Politeia en sociologie colleges. Hij is wars van dikdoenerij en aanstellerij, nergens bang van en past zich aan aan omstandigheden. Een betrouwbare metgezel. Hij is weliswaar kort geleden vader geworden maar dat blijkt geen belemmering. Zijn vriendin en hij laten elkaar zoveel mogelijk vrij.

Nu het probleem van het reisgezelschap is opgelost, blijft de kwestie van de financiering over. Niemand van ons heeft genoeg geld om een auto te kopen en ook nog eens de reis te betalen. Dora verdient net genoeg om van te leven, mijn toelage houdt niet over en die van Bernard en Henkius ook niet. Gelukkig kunnen we in de lente alle drie een paar weken ijs venten bij vriend Henny in Oss. Dat brengt meteen genoeg vakantiegeld op. Nu nog de aanschaf van een enigszins betrouwbare maar vooral betaalbare auto.

Het toeval komt ons te hulp. Ik heb een oom die als bijverdienste losjes in oude auto’s handelt, versleten tweedehandse brikken. Hij heeft voor ons een geschikte model staan, een Renault Fregat voor de betaalbare prijs van zevenhonderd gulden. Ik heb nog nooit gehoord van de Renault Fregat maar ik weet dan ook niet veel over auto’s. Een auto kopen is zowiezo een nieuwe ervaring voor me en dan is het een hele geruststelling dat je bij je eigen familie terecht kunt.

(verschijnt elke vrijdag)
 

 

 

 

 

 


What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 25 december 2020

91. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, LIEFDESVERDRIET

Tina (rechts) en Dora samen in de keuken. (Foto: Claartje Neuhaus)

 

Ik heb nog niet veel verteld over de drie vriendinnen met wie Dora samenwoont onder het motto samen maar toch apart. Ze hebben elk een eigen kamer. De rest van het huis hebben ze gezamenlijk waarvan de keuken het belangrijkste is. Ook hebben ze een gezamenlijke huishoudpot voor eten en andere huiselijke benodigdheden. In de weekenden eten de overblijvers samen. Ik wil als overblijver nogal eens aanschuiven.

Beneden wonen de twee zussen Mar en Klaar. Klaar is de oudste van de twee. Zij woont in de grote kamer naast de keuken, Mar heeft de voorkamer. Om van de keuken naar haar kamer te komen, moet ze door de woonkamer van haar zus tenzij ze buitenom zou lopen naar de voordeur, maar dat gebeurt nooit. De voordeur wordt zelden gebruikt. Mar studeert biologie aan de Katholieke Universiteit net als haar twee broers. Klaar geeft tekenles op een school voor nijverheidsonderwijs.

 Dora woont met Tina boven op zolder waar twee slaapkamers zijn getimmerd. Via een kale houten trap op de deel kom je boven. Tina geeft net als Klaar tekenles. Ze heeft verkering met een filosofie student. In de weekeinden treffen we elkaar wel eens aan de keukentafel bij het eten en naleuteren met koffie. Met zijn ronde bril, haardos, colbertje en bedachtzame manier van praten, is hij de verpersoonlijking van de filosofie student. 

Tina heeft als kind met haar moeder in een Jappenkamp in Nederlands Indië gezeten. Daar praat ze zelden of nooit over. Ze zijn na de onafhankelijkheid van Nederlands Indië teruggekomen naar Nederland waar haar vader weer leraar is geworden. Haar moeder is streng gelovig katholiek. Als kind was Tina zo gevoelig voor het geloof dat ze, zo vertelde ze, erover gedacht heeft om uit het raam te springen om zo meteen in de hemel te komen. Haar streng gelovige moeder heb ik jaren later ontmoet maar dat is een ander verhaal.

 Tina heeft geen geluk in de liefde. Ze is gelukkig met haar filosoof maar hij niet langer met haar. Op de avond dat hij het uitmaakt horen we Tina door de dunne houten scheidingswand intens verdrietig huilen met lange uithalen die vanuit de diepte van haar ziel leken te komen. Zoveel liefdesverdriet hadden we nog nooit gehoord, een verloren eenzame ziel waaruit droefenis als een woeste rivier naar buiten kolkte. Het is niet meer goed gekomen tussen haar en de filosoof.

Mar zit anders in elkaar. Ze heeft geregeld aanbidders maar die maken geen schijn van kans. Waarom weet ik niet, sommigen zien er alleraardigst uit, maar ze worden zo resoluut afgewezen dat ze het niet wagen om het het nog een keer te proberen. Ik heb slechts een student gekend die het enige tijd heeft vol gehouden om langs te komen. Ik meen me te herinneren dat hij ook ontvangen is in de keuken, niet op haar kamer. Op een gegeven moment heb ik ook hem met bloemen in zijn hand de deur moeten wijzen.

(verschijnt elke vrijdag)

What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 18 december 2020

90. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, EEN AFFAIRE

Met Dora in de keuken van het huis waar ze samenwoont met 3 vriendinnen. (Foto: Clara Neuhaus)

 

Het apart en toch samen wonen in Nijmegen brengt ons weer wat dichter bij elkaar totdat ik op een verloren namiddag met enkele studievrienden te gast ben bij een slanke, artistiek in het zwart geklede antropologie studente met zwaar zwart opgemaakte ogen en fel rode lippen waarop ik op slag verliefd raak. 

Ik bemerk dat ik net zo van de kaart geraak als indertijd op het schoolplein toen ik voor het eerst de dansende blonde krullen van B.B. zag. Ik word zenuwachtig, ik zweet teveel, ik hoor haar praten maar volg het niet en weet zelf niet wat te zeggen. Ik voel me een houterige pop of een schooljongen in korte broek. Ik weet niet of mijn onhandige gedrag opvalt. Ze laat het in ieder geval niet merken.

Thuis gekomen probeer ik mijn gevoelens op orde te krijgen maar dat gaat moeilijk zo verrast als ik ben door de overval van verliefdheid. Ik ben moe of zelfs bijna uitgeput van de ontmoeting. Ik ben nu eenmaal geen onverstoorbare koele minnaar en ook geen flirt die weet hoe hij zich moet etaleren. Doe maar gewoon dan doe je gek genoeg is dankzij mijn moeder een levensmotto van me geworden. Nog verward en zwaar te moede ga ik die avond, zoals bijna elke avond, langs bij Dora. Bij wie anders kan ik mijn verhaal kwijt dan bij haar, moet ik in een moment van verstandsverbijstering gedacht hebben.


Ik zie al meteen aan haar gezicht dat ik een grote vergissing bega door met haar dit probleem te willen bespreken. Als ze niet meer dan een vriendin was geweest, zou het nog gekund hebben maar we zijn geliefden en hoe je het ook wendt of keert mijn verliefdheid op een andere vrouw is en bedreiging van onze liefde en zo voelt het ook voor Dora.

Dat was ik in mijn liefdeskoorts even vergeten. Hoe kun je zo stom zijn? Ze vraagt me verbaasd en verbijsterd wat dit betekent? Is het nu uit tussen ons? Zo ver was ik nog niet en dus zwijg ik en haal uit onmacht mijn schouders op. Nu begint ze zacht te huilen zonder mij verwijten te maken. Op dat moment dringt het pas tot me door dat ik erg egoïstisch te werk ben gegaan. Ik was de gevoelens van Dora gewoonweg vergeten. Dat is dus wat verliefdheid met je doet. Het zet alles op zijn kop. Ik ben niet opgewassen tegen haar verdriet en waar zou ik haar mee moeten troosten. Er zit niks anders op dan in stilte te vertrekken. 

De volgende middag ga ik op bezoek bij de vrouw in het zwart. Gezeten op de grond drinken we thee. Ik probeer voorzichtig het thema verliefdheid en liefde aan te roeren. Ik maak in het gesprek omtrekkende bewegingen om te zien of zij misschien ook last heeft van enige verliefdheid. Dat blijkt geenszins het geval zodat het langzaam maar zeker tot me begint door te dringen dat ik in een hopeloze situatie verzeild ben geraakt.

Eenmaal op de fiets terug naar mijn kamer zie ik glashelder voor me wat me te doen staat. Dora zo snel mogelijk geruststellen dat er niks aan de hand is, dat mijn verliefdheid nog sneller dan een strovuurtje is opgebrand en dat ik alles in het werk wil stellen om haar vertrouwen terug te winnen want die zal door mijn domme actie wel een flinke knauw hebben gekregen. Die avond praat ik nog lang met Dora na.

Ik kan me na zulke beslommeringen van geest en lichaam verliezen in de vraag wat liefde nu eigenlijk is als het zodanig je ziel en hoofd zo op hol kan brengen dat je in een koortsdroom verzeild raakt. Hoort dit bij de instinctmatige drang om de soort in stand te houden, en dat die drang wordt verfraaid wordt door gevoelens van schoonheid en lust om vervolgens te worden behangen met romantische versierselen als poëzie, liefdesliedjes en mode? Vanwaar komt het gevoel dat je opgaat in de ander, de ander je volledig maakt en dat het goed voelt om bij elkaar te zijn? Dora heeft minder dan ik de behoefte om zich dit soort vragen te stellen. Liefde zit in je, het is er of het is er niet en dat is genoeg voor haar. Je moet je er aan overgeven en de rest vol vertrouwen overlaten aan het leven zelf.

 (verschijn elke vrijdag)


What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail

vrijdag 28 augustus 2020

75. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, LOVE-IN

Nederlands "Hippiemeisje"
Spelenderwijs komen we op het idee om op zolder een Love-In te houden. Dat is een uitvinding van de Amerikaanse hippie beweging om de vrede en de liefde te vieren, een alternatief kerstfeest maar dan zonder kerstboom, kerststal en kerstdiner. Je kunt het ook zien als een nieuwe eredienst aan de liefde en de wereldvrede. De Love-In is in Amerika ontstaan als een reactie op  de oorlog in Vietnam. De hippies vormen een radicale vredesbeweging die zich bewust buiten de maatschappij en de samenleving plaatst. Voor hen heeft de oude samenleving met de oude generatie en zijn Vietnam oorlog afgedaan. 

Zover gaan wij niet. Ons land voert geen oorlog in Vietnam. Je kunt het hooguit medeplichtig noemen als lid van de Noord Atlantische Koude Oorlog Alliantie NAVO maar de Vietnam oorlog weegt voor ons jongeren veel minder zwaar als voor Amerikaanse jongeren die als dienstplichtigen in die oorlog terecht komen en sneuvelen. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn maar wij willen als jonge generatie wel solidair zijn met de Amerikaanse jongeren.


We scheppen een feestelijk romantisch sfeer door de gang en de zolder aan te kleden met oude foto’s, ansichten en plastic bloemen. Op de zoldervloer leggen we oude tapijten afkomstig uit onze voorraad afgedankte spullen die we van buren en buitenlui hebben gekregen. Onder het schuine dak leggen we oude matrassen en kussens. Het geheel wordt afgerond met schaarse verlichting en veel wierook. De zolder heeft na gedane arbeid veel weg van een oosters boudoir of een indiaanse tipi maar dan wel een met een muziek installatie. 


Het pronkstuk is een eigenhandig door Jo ontworpen en gebouwde lichtpiano. Een instrument om een lichtshow mee te geven. Het bestaat uit een oud piano toetsenbord en een stel gekleurde lampen die via het toetsenbord aan en uit gezet worden. In plaats van noten sla je gekleurde lampen aan. Na enige oefening kun je op het ritme van de muziek met licht spelen wat een enigszins hallucinerend effect heeft. Een joint maakt de psychedelische belevenis compleet. Het succesnummer van de avond is “In a gadda da vida” van Iron Butterfly. We krijgen er niet genoeg van. Het nummer wordt eindeloos gedraaid. Je kunt er lekker op dansen maar ook op weg zwijmelen. Het is maar waar je hart en ziel rond dolen. 


We worden uit onze hallucinante droomwereld gehaald door twee politiepetten die zonder enige waarschuwing vooraf in het zolderluik verschijnen. Onmiddellijk daarna hijsen zich twee geüniformeerde reuzen van politiemannen op de zolder. Ze torenen hoog boven ons, laag bij de grond gelegen volk uit. Ze komen poolshoogte nemen vanwege een klacht over geluidsoverlast. Een proces verbaal is onvermijdelijk.


Dat drukt de pret. De dromerige sfeer verdwijnt met de snelheid van het licht uit het openstaande raam. Sommigen worden er baldadig van en gooien lege flessen uit het raam de voortuin in. Daar heb ik als Heer des Huizes geen zin in. Opruimen die boel en naar huis.


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 31 juli 2020

71. MIJN SPROOKJEJAREN ZESTIG, BEZETTING AULA VAN DE R.K. UNIVERSITEIT

De Nijmeegse Rector Magnificus Baron S. van Wijnbergen in het midden ietwat verlegen lachend tussen de massa van bezettende studenten. Pal naast hem links mijn broer B., daarnaast ik zelf, dan Dora en huisgenoot B. Net achter de microfoon zit tstudiegenoot F. J.

En dan gebeurt wat gebeuren moest. De aula van de R.K. Universiteit wordt onder de ogen van de Roomse Heilige en Kerkgeleerde Thomas van Aquino, bezet. De allereerste bezetting van een universiteit in Nederland. Een voetnoot in de annalen van de geschiedenis, een heldendaad voor de bezetters.  Zij of liever hun woordvoerders eisen democratisering en een universiteit in dienst van het volk.

“In het najaar van 1968 bezetten Nijmeegse studenten de aula gedurende één dag: de allereerste studentenbezetting van een universiteitsgebouw in Nederland. Daarmee reageerden ze op de voorstellen van de regering die het academisch bestel wilde herstructureren. Studenten zagen daarin een poging om de universitaire studie om te vormen tot een instrument dat de kapitalistische maatschappij diende in plaats van het volk. “ (Vox)


Het toeval, het lot, de stand van planeten of God zelf, wie zal het zeggen, wil dat ook ik tot de helden behoor. Wij met z’n allen, daar in de aula van de Roomse universiteit te Nijmegen, doen op dat moment, op die dag een historische poging om de wereld te veranderen, te beginnen aan de universiteit zelf. We hebben geen idee wat het gaat worden, maar wel veel energie en enthousiasme.

De bezetting zelf wordt een les in democratisering. Op de voorgrond treden dezelfde gezichten van altijd naar voren. Sommigen herken ik van de bijeenkomsten van de Kritiese Universiteit in het café aan de Oranjesingel. Voor mij is het de oude garde van de studentenverenigingen maar dan met nieuwe woorden. Hun vanzelfsprekende autoriteit is gebleven, hun woorden zijn anders.

Ik heb te doen met de vermeende vijand, Rector Magnificus prof.mr. S. Baron van Wijnbergen. Ik zie hem voor het eerst. Hij staat zowat naast me. Als ik wil kan ik hem aanraken. Hij lacht verlegen. Hij weet zich geen raad met de situatie, heeft geen idee in wat voor een heksenketel hij terecht is gekomen. Zijn naam heeft hij niet mee. Een Baron is hoe dan ook van de verouderde orde. Hij zegt dat hij wil luisteren en praten over hervormingen voor zover de wet dat toelaat. Hij beseft niet dat wij de wet zijn.

Hoe uitgelaten de stemming ook is onder de studenten, voor de woordvoerders is de bezetting een serieuze zaak, een zaak zo ernstig dat je er bijna bang van wordt. Maar we versagen niet en blijven geduldig luisteren naar wat onze leiders te zeggen hebben. Je weet maar nooit. In de loop van de dag blijkt dat de hele zaak niet veel meer is dan een administratieve aangelegenheid. Het gaat om herverdeling van de administratieve macht.  Waar blijft de verbeelding?


(verschijnt elke vrijdag)

vrijdag 8 mei 2020

MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG 59, TE ZIJN OF NIET TE ZIJN

Mijn eerste lessen in avontuur en keuzes maken, waren de jongensboeken van Arendsoog en zijn indiaanse vriend Witte Veder gevolgd door de serie over de held Pim Pandoer en later Karl May en Huckelberry Finn. 
"In de Arendsoogboeken wordt geen blad voor de mond genomen over misstanden als de onderdrukking van de Indianen of de slavenhandel. De katholieke Kerk speelt, geheel naar de geest van de tijd, in de eerste delen in de gedaante van een pater een niet onbelangrijke beschavende rol."(Wikipedia: Arendsoog)

Misschien kwam het door de boeken van Erich Fromm, misschien door mijn heftige jeugdliefdes maar ik ontdekte als bij donderslag het verschil tussen hebben en zijn. Hebben verwijst naar bezitten, zijn naar het bestaan zelve,  naar de kern van je bestaan, naar de zin van je leven. Hebben is de buitenkant, zijn is de binnenkant. Hebben is materieel, zijn is spiritueel. Wie is, staat ergens voor. Wie heeft kan meer hebben maar is daarom niet meer. Om te zijn is hebben niet nodig soms zelfs een sta-in-de-weg. Kluizenaars en monniken beseffen dat (teveel) hebben een bedreiging kan zijn van je spiritualiteit en proberen daarom zoveel mogelijk te zijn met een minimum aan hebben. 

Maar hoe wil je zijn? Die keuze moet je maken, telkens opnieuw. Je kunt gemakkelijk zijn, ergens voor of tegen zijn, opportunistisch zijn, bedrieglijk zijn, hatelijk of lief, gelovig of ongelovig, gierig of vrijgevig. Er zijn ontelbaar veel manieren van zijn. Je kunt zelfs niet zijn door weg te vluchten van zijn en alsmaar werken aan het hebben of het zijn opgeven door niks te doen, de zaken op zijn beloop te laten. Zijn kan je kop kosten door principieel te zijn, in verzet te zijn of strijd te voeren voor gerechtigheid. Je keuze voor zijn, kan zelfs leiden tot nooit meer zijn, d.w.z. de dood.
Shakespeare’s Prins Hamlet wankelt tussen zijn en niet zijn, tussen dood gaan of vluchten voor de dood.


"Te zijn of niet te zijn, dat is de kwestie:
of het nobeler is om te lijden
onder alles wat het wrede Lot je toeslingert
of om de wapens op te nemen tegen een zee van zorgen
en er al vechtend een einde aan te maken?
Te sterven, te slapen, niets meer;
en in die slaap rust vinden voor alle hartzeer
en de duizend pijnen die je lichaam je bezorgen,
dat zou een einde zijn om jezelf toe te wensen.
Te sterven; te slapen: misschien wel dromen: Ach nee,
daar wringt het 'm: want welke dromen komen in die dodenslaap,
als we de aardse zorgen hebben afgeworpen,
Het doet ons weifelen: dit is de overweging die leidt
tot de ellende van zo'n lang leven,
Want wie zou de gesel en de hoon van de tijd verdragen,
het onrecht van de onderdrukker, de arrogantie van de rijke,
de pijnen van een onbeantwoorde liefde, de dwalingen van het recht,
de onbeschoftheid van een ambtenaar, en de verachting
waarmee onbenullen je geduldige werk belonen,
wanneer je rust kan vinden met een simpele dolkstoot?
Wie zou dit alles verdragen, zweten en kreunen onder een ellendig bestaan
als niet de dreiging van wat achter de dood komt er was,
het onontdekte land waar geen reiziger uit weerkeert
verwart ons en maakt ons zwak,
zodat we liever de lasten dragen die we kennen
dan het onbekende tegemoet te gaan.
Zo verlamt het geweten ons tot lafaards,
en zo wordt gezonde daadkracht verziekt door bleek gepieker
en lopen grootse ondernemingen op niets uit.
Stil nu, daar is mooie Ophelia! Nymf,
laat mijn zonden in je gebeden herinnerd worden."


Vertaling door J. Grandgagnage (2009)[17]
Monoloog van Hamlet uit Act III, scene I

Arendsoog, Kuifje en al mijn andere jeugdhelden zijn geen Hamlets. Hun keuzes zijn avontuurlijk, niet dramatisch. Daar pas ik beter bij. Per slot van rekening is mijn vader geen koning en ik geen prins. Er waren wel eens ruzies thuis over het vakbondswerk van mijn vader, teveel van huis naar late vergaderingen en leden met moeilijkheden die meestal op zondag bellen en dan bij voorkeur onder het eten. Mijn moeder vond dat mijn vader dan nee moest zeggen en dat deed hij niet. Het was onze boterham, vond hij. Weg was de huiselijke vrede bij het zondagse middagmaal maar dat was het dan. Tot moord en overspel kwam het niet. 


Gezien mijn afkomst verwacht ik niet ooit voor een zo dramatische keuze te komen staan als Hamlet maar je weet het natuurlijk nooit helemaal zeker. Er kan zo maar iets uit de hand lopen in de liefde of in de wereld en daar doe je dan weinig aan. Het beste verweer daartegen is de houding “wie dan leeft, wie dan zorgt.” Voorlopig gaat alles naar wens en dat moet ik zo zien de houden. Ik speel de held in mijn eigen jongensboek met een dramatiek die niet veel verder reikt dan de keukentafel en dat is genoeg.


verschijnt elke vrijdag
Elke gelijkenis met bestaande personen 


of gebeurtenissen berust op louter toeval.