Posts tonen met het label frans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label frans. Alle posts tonen

woensdag 2 oktober 2024

HET MENSBEELD VAN PREMIER DICK SCHOOF(IS HIJ EEN MAANBLAFFER? )

 

Uit: Maarten Toonder, Parbleu,  De Maanblaffers (1971)

De Tweede Kamer Oppositieleiders Frans Jozef,  Cowboy Jimmy, Laurens de koster en naar ik meen ook Mirjam de deugdzame,  vroegen tijdens de Algemene Beschouwingen haast wanhopig naar het mensbeeld van Premier Dick Schoof. Ze wilden wel eens weten hoe dat zit. Kun je als partijloze en voormalig ambtenaar wel een mensbeeld hebben? 


Premier Dick gaf een ontwijkend antwoord. Hij bekent dat hij wel een mensbeeld heeft maar dat het nu niet aan de orde is. Wel moet hij zijn kabinet in goede banen leiden en de bijna onoverbrugbare tegenstellingen moet zien te verzoenen en wie weet alsnog te overbruggen. Een opdracht gekregen van de vier coalitiepartners van het regeerakkoord en hem op basis daarvan tot premier geroepen hebben.


Dick is de schoenmaker die zich bij zijn leest houdt. Geen grootse vergezichten over hoe het met ons land moet gaan, maar werk in uitvoering tussen partijen met verschillende mensbeelden en opvattingen. Een heidens karwei als je het mij vraagt waar je niet al teveel met je eigen mensbeeld te koop moet lopen en zeker niet moet proberen op te dringen. Bij dat laatste is de kans groot dat je meer brokken maakt dan goed is voor het land.


Trouw huis-columnist Steven Akkerman zet het kabinet-Schoof weg als een kabinet dat liever geen mensbeeld heeft maar wel onaanvaardbare plannen. Zijn die plannen onaanvaardbaar vanwege hun mensbeeld? Ik heb geen abonnement dus ik kan het niet nalezen maar dat kan natuurlijk altijd.


Maar wat is het goede mensbeeld? Frans Jozef is een sociaal-democraat tevens groen-linkser. De Groen-linksers vormen een amalgaam van (milieu)communisme, socialisme en christelijk radicalisme. Hebben die een gezamenlijk mensbeeld en zo ja, is dat een goed mensbeeld? Is Frans Jozef het vlees geworden mensbeeld van sociaal-democratie en groen-links?


Op internet lees ik een stukje over het mensbeeld van de mooie Jesse. Volgens hem kan een mens niet alles weten en moet dus bescheiden  zijn. Hij vindt dat je moet kunnen beslissen zonder alles te willen weten, niet bang moet zijn om beleid te herzien, je moet kunnen inleven in de ander (stel dat je zelf moet vluchten), dat we op moeten komen voor onze idealen, voor eerlijk delen en een duurzame economie. Een prachtig mensbeeld maar nu de praktijk nog.  


Cowboy Jimmy is van de SP en die hebben vooral een mensbeeld van de werkende mens. Die wordt uitgebuit door het grootkapitaal, in de algemene beschouwingen door hem nog een monster genoemd.  Het is natuurlijk heel deugdzaam dat hij voor de werkende mens staat. Ik zou haast zeggen wie niet? Zijn we niet allen werkende mensen? 


Zo breed ziet cowboy Jimmy het nu ook weer niet. Er zijn werkende mensen en er zijn kapitalisten, die werken ook maar verkeerd. De kapitalist moet verdwijnen. Hoe doe je dat?  


Mirjam de deugdzame van de Christen Unie. De geschiedenis der christenen leert ons dat ook in die groep heel veel mis kan gaan ondanks het sympathiek mensbeeld. Wat voor de ene Christen deugdzaam is, bijvoorbeeld op Trump stemmen is voor de ander een doodzonde. De geschiedenis van het Christendom leert ons ook nog dat elkaar op basis van deugden de maat nemen, tot rampspoed en onheil leidt. 


Wie weet is premier Schoof wel een Maanblaffer en die deugen niet zo weten we uit het verhaal van Maarten Toonder over de Maanblaffers. De man van de Sociale Ontwaak Partij SOP weet er alles van. "Maanblaffers zijn overal om ons heen. Ze sturen aan op een revolutie, want ze willen de macht in handen krijgen. Ze vermommen zich goed en dringen overal in, zodat men ze soms op belangrijke posten vindt." Maanblaffers zijn machtswellustelingen, zoveel is duidelijk. Hun mensbeeld is Machiavelliaans. 


Kortom, een mensbeeld is ook niet alles maar dit wisten ze natuurlijk ook wel in de Tweede Kamer maar je moet toch iets als oppositie?




vrijdag 12 juli 2024

49. AMERICA LATINA. FLAMENCO EN KARTUIZERKLOOSTER

Terug naar huis doen we Burgos aan waar we het Kartuizerklooster Miraflores bezoeken. Dora zet ons bij het monument op het plein voor het klooster op de foto. Rechts zit Alvaro, links ben ik.


We zijn aan het einde van onze bedevaarten gekomen. Onverwacht heeft Frans ons allemaal verrijkt met geestelijke voedsel waar we nog een tijd op kunnen teren. Had hij dit van tevoren bedacht? Ik denk het wel. Anders zou hij niet de gelofte bedacht hebben waarmee hij ons verraste bij het graf van Sint Jan van het Kruis.

Hij heeft het nooit gezegd en ik heb er nooit naar gevraagd maar ik denk dat hij als zijn opvolgers zag en dat hij ons ook samen wilde binden in en gemeenschappelijk doel. Je zou het een belofte van wederzijdse trouw kunnen noemen. 

Al zeg ik het zelf, ik ben van nature trouw aan vriendschappen ook als dat met iemand als Frans is of Alvaro. Een gelofte was niet echt nodig. Bovendien de gelofte om rijkdom niet tot je levensdoel te maken, spreekt vanzelf. De materiële kant van het leven is voor ons een noodzaak maar niet iets om je leven aan te wijden.

Frans vertrekt naar Colombia, wij blijven nog een dag om dan terug te rijden naar Nederland. Alvaro gaat met ons mee in de auto, een kennismakingsreis met een stukje van West-Europa. Martha en Lorena komen later per vliegtuig, als wij in Nederland zijn. Dan zullen ze samennon een week bij ons thuis in Vreeswijk logeren. 

Onze laatste avond in Madrid brengen we op aanbeveling van Alvaro door in een flamenco-club. Alvaro is tijdens een eerder bezoek aan de club gefascineerd geraakt door de flamencodanser en muziek in die club. Niet zo gek als je hem kent. Hij is van aard serieus maar kan zich laten gaan in muziek en dans. 

Het gaat er informeel aan toe. Een soort permanent jamsessie maar dan van Flamencodans en muziek in plaats van jazz. Muzikanten en dansers wisselen elkaar af. Iedereen die wil, kan op de vloer terecht en laten zien wat hij of zij kan. 

Een jongeman valt op door zijn toewijding en zijn vakmanschap. Hij danst bijna in trance. Zo te zien is hij met flamenco opgegroeid, maar heeft niet het gebruikelijke postuur en gezicht. 

Alvaro vraagt aan ons wat wij denken van zijn afkomst. We hebben geen idee. Hij lijkt wel een Japanner.  Hij blijkt uit Peru te komen. Peruanen lijken soms op Japanners vanwege hun sterke indiaanse trekken die een zekere verwantschap tonen met Aziatische volkeren zoals de Japanners. 

De volgende morgen is de dag van ons vertrek. We doen wat Frans ons bij het afscheid op het vliegveld heeft aanbevolen en rijden naar Burgos waar we het kartuizer klooster bezoeken. 

Het is inderdaad zoals Frans heeft gezegd een wonderschoon klooster met een prachtige kapel. Het is voor het eerst dat ik besef dat die schoonheid voortvloeit uit de wil van de ambachtslieden om de goddelijkheid te vieren. Aardse schoonheid is voor hen het voorportaal van de hemel. 

In hun tijd was die hemel een rotsvaste zekerheid. Daar werd ternauwernood an getwijfeld. Dat is nu heel anders. Onze twijfel of ongeloof heeft ons het absolute gevoel voor schoonheid ontnomen. Al zouden we het willen, we kunnen de schoonheid van de muziek, de beelden en de architectuur van de oude meesters bij gebrek aan geloof niet meer evenaren. De zoektocht naar volmaaktheid hebben we opgegeven.

 

vrijdag 31 mei 2024

44. AMERICA LATINA. WANDELEN IN DE MANESCHIJN

Al wandelend in de kloostertuin voeren pater Sebastian (rechts) en Frans een geanimeerd gesprek.


Moeten wij, Alvaro en ik tezamen met onze vrouwen, nu meteen ook maar een seculiere derde orde van de Karmel oprichten? Half schertsend spelen we met deze in wezen meer romantische dan praktische gedachte. In welk land zouden we dat moeten doen? In Colombia,  waar Alvaro en Martha wonen of in ons thuisland Nederland?

Frans moet niks hebben van deze scherts en maakt er zich terug in Bogotá ongebruikelijk kwaad over. De brief is een antwoord op een brief die ik hem geschreven heb en een brief die Alvaro en ik aan onze vriend Fernando hebben geschreven nadat Frans vertrokken is. 

 “Je brieven hebben mij veel goed gedaan. Er is en duidelijke golflengte die tijd en ruimte overtreft, zelfs mijn grootvader-zijn (een verwijzing van zijn rol voor het gezin van Alvaro in Colombia). Wij hebben weer eens in korte tijd zoveel nonsens, al was het aangenaam, doorleefd, dat inderdaad het bewustzijn sterker is geworden van de dwaasheid van prestige en materiële grootsheid. De liefde tussen enkele personen, die zich dan ook nog trachten in te zetten voor hun medemens, overtreft de tijd en gaat in onzichtbare dimensies verder in de eeuwigheid.

Natuurlijk moeten wij in het geluk van wederzijdse resonantie niet de dwaasheid begaan te menen dat we daarmee het hele leven in de maneschijn kunnen wandelen. De heerlijke gedachtenwisseling in vriendschap, al zeggen we dan af en toe kolder, ons verlangen samen te kunnen werken en de harde werkelijkheid waarmee we ons tevreden moeten stellen zonder tevreden te zijn, lopen nogal uiteen.

Inderdaad behoeven we niet uitsluitend uit boekenwijsheid te leven, maar alles aan de kant zetten, is weer het andere uiterste. Wij hebben allen een taak met elkaar gemeenschappelijk en die kan af en toe erg hard zijn. Niemand, zelfs wijzelf niet, is echter gediend met een vrolijke rondedans om onze gemeenschappelijke huizen, waarop gezinspeeld wordt in de brief aan Fernando. Hij vond die brief enorm leuk als uiting van vriendschappelijke onbevangenheid. Hij liet hem mij ook lezen, maar ik vond er kop noch staart aan en kan mij levendig voorstellen hoe het geval geschreven is. Ik heb niets tegen dat soort brieven. De grondtoon is vriendschap, maar de rest is volgens mij kolder. Soms moeten wij met dat laatste voorzichtig zijn want het gevaar kolder au serieus te nemen is niet uitgesloten en dat wordt het tegenover gestelde bereikt van wat bedoeld is…. (Bogotá, 3 juni, 1974)

Ik stel hem gerust. De soep wordt niet zo heet gegeten als opgediend. Ik ben op zoek naar een manier om met mijn Colombiaanse vrienden invulling te geven aan ons gezamenlijke levensdoel en idealen. Dat antwoord stelt hem gerust.

“Je brief van 7 juni heeft me goed gedaan. Ons samenzijn in Nederland en in Madrid is een weldaad voor ons allen geweest. We hebben geproefd hoe waardevol existentiële vriendschap is temidden van veel gewichtigdoenerij en vooral in de leegte die ons omringt. Ik heb je wel een beetje op de korrel genomen naar aanleiding van jullie brief aan Fernando, maar deze kritiek was in het geheel niet gericht tegen authenticiteit of tegen zelfverwerkelijking. Goede vrienden mogen best wat overdrijven b.v. door te zeggen dat nu we toch eenmaal naar Madrid gaan, kunnen we ook wel verder gaan naar Afrika en dan zou ik er aan toevoegen: om terug te keren over China. Toen ik de brief aan Fernando las, dacht ik aan het dorp dat we ergens buiten de samenleving zouden gaan stichten. Als we allemaal monniken waren, zou dat best te doen zijn in de stijl van S.Franciscus en misschien ook wel in onze eigen stijl. 

Uit een brief van Alvaro die ik enige dagen geleden ontving, schijnt hij naar aanleiding van een brief van jouw aan hem te menen, dat ik met alle geweld wil dat hij een professoraat aanvaardt, waar hij niets voor voelt. Ik zou niet weten waar ik de autoriteit vandaan zou moeten halen om hem iets in de weg te leggen waar zijn zelfverwerkelijking betreft. Er zijn meerdere wijzen waarop hij zijn volk kan dienen en daarbij kunnen we elkaar aanvullen. Wij hopen althans dat er een mogelijkheid gevonden wordt om ook jullie naar Colombia terug te krijgen. Maar van niets kan niemand leven. Wel kan men zeer sober zijn. Maar in ieder geval moet men ook aan zijn gezin denken. In plaats van jullie te bekritiseren ben ik blij met jullie levenshouding. Mijn kritiek ging slechts uit naar wat ik als onverwerkelijkbaar zag, n.l. een vriendschappelijke samenleving zonder contact met de samenleving en zonder middelen van bestaan. Ook Alvaro weet nog niet goed hoe zijn ideaal te verwerkelijken. Maar ik heb jullie ideaal zeer hoog. Dit heb ik Alvaro dan ook geschreven. Zelfs met een bescheiden inkomen zullen jullie geen bourgeois worden. Wat mij wel dierbaar is bestaat in de sleutel- en vermenigvuldigingsfactor van jullie manier van zijn. Alvaro meende dat ik erg teleurgesteld zou zijn door zijn voornemen om geen professoraat aan te nemen - afgezien van zijn goodwill om mij af en toe te vervangen. Integendeel.

Binnenkort komt Oscar bij je op bezoek. Tracht het zo te regelen dat hij de Zuiderzeewerken te zien krijgt, de havens van Rotterdam niet alleen door er omheen te rijden en zo mogelijk de zeedijk tegen de Zeeuwse eilanden. Mocht je niet alle kosten op je kunnen nemen, neem dan contact op met Vollebergh, die ik ook zojuist geschreven en ingelicht heb. Het is niet nodig hem te bezoeken. Maar misschien wil hij iets vanuit de Rosierstichting bijdragen tot dekking van kosten, die overigens, mijnsinziens, niet zo hoog zullen oplopen. Overigens is Oscar zeer veranderd vanwege de sociale standing die hij tegenwoordig heeft. In zijn hart is hij echter nog zo goed als je hem gekend hebt. Fernando wil niets liever dan met Alvaro samenwerken.

Wat mijzelf betreft, ik voel me momenteel weer gezond. De fondsen reiken tot 1978. Tegen die tijd zal ik wel uitgerangeerd zijn of moeten wij het zoveelste nieuwe wonder zien te verkrijgen. Vollebergh heeft met de grootste waardering over Alvaro geschreven.  Zo ook de prior van Amstelveen. Niemand heeft spijt van de kosten die gemaakt zijn.

Beste Piet ik ga eindigen. Behalve mijn colleges moet ik ook nog enige lezingen voor een internationaal congres in Quito voorbereiden. En last not least - stel je voor - heeft men mij gevraagd de constituties van de ongeschoeide Carmelietessen te herzien. Waar een straatjongen zoals ik al niet goed voor is. Todo mi cariño ook aan Diny en Floortje. Frans. (Brief van 25 juni 1974) 

 

vrijdag 10 mei 2024

41. AMERICA LATINA. NOORD AMERIKA DE GROTE BEMOEIAL

Mijn Colombiaanse vriend Alvaro poseert in de besneeuwde bergen van Segovia (april 1974)


Hoe leg ik aan Alvaro uit dat de Bommelverhalen net zoveel zeggen over Nederland als de geschiedenis van de familie Buendia in “Honderd Jaar Eenzaamheid” over Colombia? Waar zitten de verschillen en waar de overeenkomsten? 

Om te beginnen mankeert het me aan voldoende kennis van het Spaans. Ik kom een eind, maar niet ver genoeg om Alvaro een afgetekend beeld te geven van onze samenleving met bijpassend verhaal en uitleg.

Neem nou de figuur van Grootgrut uit Rommeldam. Hij is de klassieke Nederlandse kruidenier, beleefd, zuinigjes en op zijn woorden en centen passend. Lopen er in Colombia ook zulke figuren rond? Is een hoofdfiguur als Bommel, een parvenu zoals de adelijke Canteclaer vaststelt, maar die wel goede bedoelingen heeft met de verdrukte mens, is die denkbaar in Colombia?

Onze werelden zijn zo verschillend dat het haast ondoenlijk is om er een brug tussen te slaan. Je kunt je wijs maken dat we allemaal wereldburgers zijn maar dat is lang niet genoeg om elkaars werelden daadwerkelijk te begrijpen. 

Alvaro kent mijn wereld alleen van horen zeggen, van Frans, mij en andere Nederlanders die hij heeft ontmoet. Frans respecteert hij vanuit de grond van zijn hart vanwege diens medemenselijkheid en begrip voor hem en zijn volk. 

Maar Frans is nu net niet wat je een doorsnee Nederlander kunt noemen. Hij is een bereisde Roel, fysiek maar vooral geestelijk. Hij is geen toerist die alles gezien moet hebben en dan meent de wereld te kennen. Dat is natuurlijk grote onzin. Hij heeft mensen van alle rangen en standen, maar vooral gewone mensen, gezien en naar ze geluisterd. Hij heeft de menselijke tekortkomingen van dichtbij leren kennen en aanvaarden. Hij is genereus voor mensen en tegelijk relativerend. 

Voor Frans zijn mensen als het ware kleine zondaars die er in hun ogen er het beste van proberen te maken. Voor Alvaro en mij is de wereld nog maakbaar als je er maar hard genoeg aan trekt. De vraag is naar welke kant?  Als het aan Alvaro ligt in ieder geval niet de kant van New York en Amerika op, veel te materialistisch en te weinig spiritueel. 

Teveel materiële verleidingen van het kapitalisme waardoor "het hebben" het wint van "het zijn". Een euvel waar ik me bewust van ben geworden op de universiteit maar niet in de mate waarin Alvaro het schildert. Ik ben dan ook nog nooit in New York of elders in Amerika geweest.

De Amerikaanse macht en overvloed maakt indruk, misschien dat we daarom vinden dat Amerika te materialistisch is of is het daadwerkelijk een plat materialistisch land? Moeilijk te zeggen als je het land niet kent. Je eigen cultuur ophemelen is zo moeilijk niet maar of dat helpt om de ander te begrijpen? 

Hoe je het ook keert of wendt, zonder Amerikaans ingrijpen zouden we misschien nog in een wereld van Duitse rassenwaan leven. Stel je voor, een Europa ondergedompeld in het Nazisme met zijn ongebreidelde moordlust. Je gruwt al bij het denkbeeld. Mede dankzij de Amerikanen leven we nu in een min of meer verenigd Europa, geen oorlog meer tussen Europese grootmachten Duitsland, Frankrijk en Engeland. 

Alvaro kijkt daar aan de andere kant van de oceaan heel anders tegenaan. Voor hem is Amerika geen grote broer maar een bemoeial die telkens ingrijpt, soms met geweld, in hun samenleving. Die de verandering gen ten goede voor de armen en uitgebuiten tegen houden. Amerika is voor hem de Grote Bemoeial, de nieuwe kolonisator ook al bedoelen ze het goed. Ze zijn Olivier B. Bommel in het groot. Veel geld en goede bedoelingen maar begrijpen hoe het zit, doen ze niet.  

Het is waar dat de Amerikanen zijn en mijn wereld domineren. Neem nou mijn studie sociologie en politicologie aan de katholieke universiteit van Nijmegen. Bijna alle wetenschappelijke litteratuur is van Amerikaanse bodem. Je kunt je afvragen waar onze eigen inbreng blijft? Is die er nog wel of zijn we overgeleverd aan Amerika? 

Koloniseert Amerika ook ons langs de weg van de wetenschap of is dat een achterhaalde -negentiende eeuwse - gedachtengang? Is het gedaan met nationale culturen? Worden we een grote Europese cultuur of zelfs wereldcultuur? Als het aan Alvaro ligt zeker niet en ook ik heb mijn twijfels.

 

vrijdag 12 april 2024

37. AMERICA LATINA. NAAR SPANJE

Ik was in die tijd nog geen toegewijde fotograaf. Dit is een van de weinige foto's die ik van Frans heb. Een merkwaardige of slordige foto. Je ziet nog net een been en nog wat meer van Dora. De foto is gemaakt tijdens een dagtocht die we maakten naar Segovia. In de bergen lag toen nog sneeuw.
 

De kogel is door de kerk. We gaan onze Colombiaanse vrienden Alvaro en Martha bezoeken in Madrid. Onze enige dochter logeert bij haar opa en oma, de vader en moeder van Dora, in Oss. Die zijn er blij mee en voor ons is het vertrouwd zodat we zonder zorgen weg kunnen.

De weg zelf is ons bekend. We rijden hem voor de derde keer. De eerste keer was in 1968, een avontuurlijke vakantie met vieren naar Marokko. We doorkruisten met een R-viertje heel Frankrijk en Spanje. We ontdekten toen hoe klein Nederland is en hoe groot  Frankrijk en Spanje.

We reden ook toen dwars door de Pyreneeën naar het Baskische San Sebastian. Daarna volgden we over tweebaans wegen de groene westkust richting Spaanse hoogvlakte om regelrecht naar Madrid te rijden. Vandaar ging het langs de molens van Don Quichot naar Granada en Malaga om bij Algeciras de Middellandse zee over te steken. Dat was Spanje in vogelvlucht

De tweede keer was in 1970. Ons doel was een zomercursus Spaans in San Sebastian. We kampeerden op een stijle berg net buiten de stad. In de ochtend volgden we de lessen in Spaanse taal, grammatica en litteratuur. In de middag maakte we aan het strand ons huiswerk en 's avonds volgende we lezingen over Spaanse geschiedenis en cultuur.  Op zondag verkenden we per auto de Pyreneeën.

San Sebastian is een Baskische stad met een Spaanse inslag. Je kunt aan de huizen nog zien dat het in de vorige eeuw een mondaine badplaats moet zijn geweest. Als het regent krijgt het versleten mondaine decor een tragisch karakter. Als de zon schijnt leven stad en strandleven op. Dan zie je iets van de vroegere allure terug.

Naar Marokko reden we in een veel te oude Renault Vier met open dak. Die heeft de reis met enkele haperingen maar net gehaald. Naar onze zomercursus reden we in een tweedehandse Fiat Zeshonderd die net voorbij Saint Jean de Luz begon te sputteren. We haalden met enig geluk de Fiat garage in San Sebastian. Nu maken we de reis naar Madrid opnieuw in een Renault Vier maar wel een die in betere staat is.

Vanwege zijn lichaamslengte zit Frans voorin. Daar kan hij zijn benen beter kwijt. Dora en ik wisselen elkaar af aan het stuur. De reis doen we in drie dagen. De eerste dag logeren we een eind onder Parijs in een eenvoudig hotel langs de Route Nationale. De volgende dag rijden we tot ergens onder Bordeaux niet ver meer van de Spaanse grens. De derde dag rijden we door tot in Madrid.  Een lange dag, maar te doen.

We stoppen om koffie te drinken en uitgebreid te lunchen. In Bogotá hadden we al gemerkt dat Frans een ongezonde maar ook matige eter is. Het belangrijkste bestanddeel van de dag zijn sigaretten en  koffie. Voor de rest houdt hij het bij een glas wijn en een eenvoudig stuk vlees met garnering, die hij meestal laat liggen. Eten is voor Frans noodzaak of bijzaak, het is hoe je het maar bekijkt.  

De aankomst in Madrid was een opluchting voor Frans en een verrassing voor Alvaro en Martha. Ze wisten dat we onderweg waren maar niet wanneer we precies zouden aankomen. Hun kleine appartement in een buitenwijk heeft een woonkamer en een keukentje, twee slaapkamers en een klein berghok zonder ramen. Dat laatste kamertje wordt onze slaapkamer. Alvaro en Martha slapen met hun dochtertje Lorena in de grote slaapkamer, Frans slaapt op de logeerkamer. 

Frans vertrekt binnen een week naar Colombia. Tijdens die week wil hij ons van alles laten zien in en om Madrid. Hij heeft immers in Spanje gewoond en gewerkt. In Spanje, anders dan in Frankrijk en later in Oostenrijk en Italië, houdt hij zich bezig met de Spaanse mystiek. In zijn voorwoord bij het deel over Spanje in zijn eerste boek ‘Ik zocht Gods afwezigheid’ (1956) geeft hij een soort samenvatting van het Spanje van zijn tijd, een Spanje dat nog niet zo bar veel veranderd is bij onze aankomst in april 1974.

“De herinneringen, welke ik in de volgende pagina’s op schrift stel, geven de tijd weer, dat ik in Spanje was om de ondergrond en het milieu te leren kennen van de Spaanse mystiek. Het kan vreemd schijnen met deze bedoeling naar een land te reizen, waar volgens de algemene opvatting der wetenschap op het ogenblik nauwelijks mystiek leven gevonden wordt. De tijd, dat Spanje hierin iets te betekenen had, ligt drie á vier eeuwen achter ons. Toen beleefde het een hoogtepunt van godsdienstig en cultureel leven, dat het nadien nooit meer bereikt heeft. De grootheid van Spanje behoort tot de geschiedenis en is op het ogenblijk zoek. … Men hoeft er zich slechts op te bezinnen, welke plaats Spanje momenteel in het politieke, economische en culturele leven der wereld inneemt om er van overtuigd te raken, dat hier van een leidende positie geen sprake is. Men zou zelfs de plaats van Spanje in het huidige wereldbeeld onbelangrijk kunnen noemen.” (Blz. 241 in voornoemd boek)


vrijdag 23 februari 2024

30. AMERICA LATINA. LIEFDE IS ELKE DAG EEN GOEDE DAAD

West Side Story is de Amerikaanse versie van Shakespeare's Romeo en Julia. De Jets en de Sharks zijn twee rivaliserende jeugdbendes uit New York met elk een andere etnische achtergrond. Tony behoorde ooit tot de Jets, terwijl Maria de zus is van Sharks-leider Bernardo. Ondanks de rivaliteit tussen de twee bendes worden Tony en Maria verliefd op elkaar en beginnen ze aan een verboden romance.


Dat Sartre zich herkende in Sint Jan van het Kruis zoals Frans in zijn brief van 25 oktober schrijft, is mij niet bekend. Ik ben het niet tegengekomen, niet in geschriften over Sartre en ook niet in die over Jan van het Kruis. 

Dankzij Frans ben ik Jan van het Kruis gaan lezen. Hoewel geen dichter en geen mysticus had ik gek genoeg geen moeite om de gedichten met uitleg en teksten van deze Spaanse mysticus te lezen.  Het was tegelijk thuis komen en en toch anders. Zou dat door mijn katholieke opvoeding komen en mijn romantische instelling? 

Jan van het Kruis heeft mij op de gedachte gebracht dat liefde tegelijk kernwaarde en beginsel kan zijn voor mijn leven. Het klinkt gewichtiger dan ik het bedoel. Het komt er op neer dat alleen liefde het leven de moeite waard maakt. De rest is bijzaak. 

Dit is overigens gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij JvK kom je alle praktische problemen van de liefde tegen: de twijfel of je liefde beantwoord zal worden, de onzekerheid die soms zo maar ineens kan binnensluipen als een dief in de nacht, de extase als de liefde beantwoord wordt, het raadsel van de eenwording in liefde, de ander als object en subject van liefde, de overgave aan en van de geliefde. 

Tussen twee mensen of in gezinsverband is dit allemaal nog wel te doen, al gaat het ook daar met horten en stoten. Liefde is nu eenmaal geen sinecure. Het is niet voor niets het meest bezongen onderwerp in klassieke of populaire muziek, zijn er dikke boeken over geschreven en staan de damesbladen er wekelijks vol mee. Liefde is alom begeerd en tegelijk een mysterie.

Maar wat moet je met liefde aan in de maatschappij? Is dat niet iets voor watjes en doetjes? Toch niet, zo leerde ik van jongs af aan. Als goed katholiek moet je je naasten lief hebben. Dat betekende bij de verkenners dat je elke dag een goede daad moest doen. 

En was het vakbondswerk van mijn vader ook geen vorm van naastenliefde? Het was in ieder geval sociaal werk. Opkomen voor de rechten van de werknemers op loon, vakantiedagen, vakantiegeld, vrije dagen en ziekteverlof is voor de meeste werknemers van levensbelang. 

En als de katholieke grondslag voor dit alles wegvalt zoals bij mij het geval was, wat dan? Daar had ik nog geen helder antwoord op en dus doe ik voort alsof er niks aan de hand is zoals mijn werk bij CLAT. Het is de voortzetting van wat ik thuis geleerd heb en waar ik hoe dan ook in wilde geloven, of ik me nu wel of niet bekende tot de Roomse kerk. 

In de paar maanden dat ik een werkeloze afgestudeerde student was, probeerde ik het geestelijke gat over de verhouding tussen mens en maatschappij en de rol van de liefde op te vullen met het lezen van de Jonge Marx. Mijn belangstelling daarvoor was gewekt tijdens het college “Sociale Wijsbegeerte”. Daar werden klassieke katholieke ideeën over mens en samenleving besproken maar ook die van de Jonge Marx.

Ik wilde hem in zijn eigen taal lezen waardoor ik beter in zijn hoofd kon kruipen. Dat is, mag ik wel zeggen, een heksenkarwei. Het Duits van Marx is geen gewone mensentaal, het is Duits grondig en gecompliceerd en ook nog eens filosofisch. Je raakt gemakkelijk verdwaald in zijn lange zinnen met bijzinnen en vooral ook wat hij bedoeld kan hebben met dit of dat woord. Tussen 1850, de tijd waarin Marx zijn polemieken heeft geschreven, en 1970 zitten bovendien ruim honderd jaar. In zo een lange tijd verandert er veel in een taal.