Sommigen hebben een scherp gevoel voor kleur. Ze beleven kleuren. Anderen daarentegen maakt het niks uit, ze letten niet op kleuren. Ze zijn er en dat is het dan.
Dan heb je ook nog de kwestie van de kleurensmaak. Moeten kleuren harmonieus zijn, bij elkaar passen? Ik groeide op met het gezegde “rood met groen is boerenfatsoen.” Anderen houden van kleuren die fel en ongegeneerd tegen elkaar afsteken. Men spreekt van schrille kleuren of van kleurige kitsch.
Als het om kleding gaat, kiezen de meeste mensen voor onbestemde kleuren en kleurcombinaties. Daarmee val je niet op, ga je op in de massa en dat is wel zo veilig. Wie zich kleurig kleedt, moet niet bang zijn om op te vallen.
Voor kunstschilders is kleur naast vorm en compositie het belangrijkste instrument om een schilderij te maken. Kunstschilders moeten dus wel degelijk weten wat ze met kleur willen. Een schilderij maken met onbestemde kleuren, kan natuurlijk, het past boven elke zitbank maar het gevolg zal een nietszeggend schilderij zijn.
Aangezien een kunstschilder niet zonder een minimaal besef van kleuren kan, is het logisch dat er nagedacht wordt over het hoe en wat van kleuren. Zo ook Kandisnky. In zijn boek “Spiritualiteit en abstractie in de kunst” besteedt hij er de paragraaf “werking van kleuren” aan.
K. onderscheidt ten eerste een ‘zuiver fysieke’ uitwerking van kleuren: “het oog wordt door de schoonheid en andere eigenschappen van de kleur bekoord” (blz.53) Vervolgens beschrijft hij die fysieke uitwerking in termen van smaak, genot, prikkeling kortom directe lichamelijke reacties die volgens hem oppervlakkig en van korte duur zijn voor de middelmatig sensitieve mens.
De kleurervaring beklijft niet. Dat ligt bij kinderen anders. Hun ervaringen zijn nieuw en worden dus beter onderzocht zoals bijvoorbeeld een kind dat zijn hand in het vuur wil steken om het te onderzoeken. Maar eenmaal bekend met het nieuwe verdwijnt de belangstelling, de wereld wordt langzaam maar zeker onttoverd.
Alleen voor de mensen met een hogere ontwikkeling ontsluit zich de wereld van kleur: “Bij een hoogstaande ontwikkeling krijgen deze dingen en wezens een innerlijke waarde en tenslotte een innerlijke klank.” (blz.54)
K. komt aldus uit op een vergelijking van kleuren met klanken en klanken hebben een gemoedsbeweging tot gevolg. Dit is de tweede eigenschap van kleuren, die van hun psychische werking. “Daarbij demonstreert zich de psychische kracht van de kleur die de ziel tot vibreren kan brengen. En de eerste elementair-fysieke kracht kracht wordt nu de weg waarlangs de kleur tot de ziel doordringt.” (Blz.55)
Maar hoe het precies werkt weet K. ook niet maar hij vindt dat de kunstenaar de hand is die met zijn kleurtoetsen doelbewust de ziel tot vibreren brengt. De kleurenharmonie moet dus gericht zijn op doelbewuste beroering van de menselijke ziel en dat nu noemt K. Het beginsel van de innerlijke noodzaak.” (blz. 58).
Kandinsky legt nogal een zware taak op de schouder van de kunstenaar. Hij moet uit innerlijke noodzaak zielen tot beroering brengen door kleur. Maar verschilt de psychische werking van kleuren niet per cultuur? Als dat zo is, hoe kan een schilder dan universeel zijn met zijn abstracte schilderkunst?
Het ziet er naar uit dat Kandinsky met zijn ideeën en theorie over abstracte schilderkunst nieuwe vragen opwerpt over de betekenis en de reikwijdte van kleur.







