![]() |
| Links, ien van den Heuvel in 1975. Helemaal rechts Max van den Berg, naast hem Joop den Uyl en daarnaast Ed van Thijn. Foto genomen in de jaren '80. |
In 1974 wordt Ien van den Heuvel tot partijvoorzitter gekozen. Zij introduceert met de Rooie Vrouwen het feminisme in de partij en vernieuwt het vredesactivisme. Zij is actief bij de kerkelijke vredesbeweging IKV (Interkerkelijk Vredesberaad) waarvan ze later voorzitter wordt.
Met haar komst aan de top van de partij worden nieuwe accenten gelegd op de positie van de vrouw binnen en buiten het gezin. Daarmee wordt het traditionele arbeidersgezin, de belangrijkste pijler onder het kiezersbestand van de PvdA, onderwerp van discussie. Centraal staat dat de vrouw economisch financieel zelfstandig moet worden zodat ze minder afhankelijk wordt van haar man Ze moet in haar eigen inkomen kunnen voorzien. De individualisering treedt aldus het gezin binnen.
Door de vredesbeweging begint men in de PvdA anders te kijken naar de Koude Oorlog. Het gelijk komt niet langer van een kant. Het Westers kapitalisme en imperialisme dragen mede verantwoordelijkheid voor het onrecht in de derde Wereld. Niet alles is slecht aan het communisme. De dreiging van een kernoorlog maakt het dringend gewenst dat in plaats van nog meer kernwapens een dialoog komt tussen Oost en West, wat in de praktijk een dialoog tussen de Sovjet Unie en de VS inhoudt, de twee toenmalige kernmachten.
Den Uyl paste zich zoveel mogelijk aan deze nieuwe linkse koers van zijn partij aan, maar bleef trouw aan de klassieke democratische beginselen van de sociaal-democratie. Den Uyl was en bleef een democraat. Hij bekritiseerde daarom scherp en openlijk Ien van den Heuvel toen zij in 1975 na een bezoek aan Oost Duitsland (DDR) begrip toonde voor de Berlijnse muur.
In 1979 werd Ien van den Heuvel opgevolgd door Max van den Berg. Radicaal als hij was, zette met zijn voorzitterschap de ‘nederlagenstrategie’ van de partij pas goed in de verf.
“De ‘nederlagenstrategie van oud-PvdA-voorzitter Max van den Berg houdt in dat een politieke partij principieel blijft vechten voor haar idealen en onmogelijke of compromisloze standpunten handhaaft, ook al is op voorhand bekend dat een nederlaag of verlies in de praktijk onvermijdelijk is. Het doel is om zuiver te blijven op de inhoud en de kiezer helder te tonen waar de partij ten gronde voor staat, in plaats van te vroeg te bezwijken voor slappe compromissen.” ( ‘Nederlagenstrategie’, Prof. Dr. Joop van den Berg, 11 september 2020), Montesquieu Instituut)
Maar bij gebrek aan absolute meerderheden in de Tweede Kamer vormt het sluiten van compromissen sluiten het hart van de Nederlandse democratie. Wie dat niet wil, blijft buiten de regeringsmacht en kan zelfs in een politiek isolement terecht komen.
Internationale solidariteit stond ook bij Max van den Berg hoog op zijn politieke prioriteitenlijst. Hij verklaarde zich in de geest van de tijd solidair met links radicale gewapende groepen in Midden Amerika. Dat bracht hem samen met andere linkse partijen in de Tweede Kamer in 1984 in botsing met CDA Minister Hans van den Broek en een deel van zijn eigen Tweede Kamer fractie in het parlement.
De minster was van mening dat het sturen van verkiezingswaarnemers naar El Salvador ter ondersteuning van gematigde krachten vertegenwoordigd door de christen-democratische presidentskandidaat José Napoleon Duarte, zou kunnen helpen om op termijn een einde te maken aan de wrede burgeroorlog tussen gewapend extreem links en de rechtse doodseskaders.
De linkse oppositie waaronder ook een deel van de PvdA fractie in de Tweede Kamer, meende echter dat het sturen van verkiezingswaarnemers een dictatoriaal regime zou legitimeren en dat de verkiezingen niet democratisch konden zijn omdat de linkse guerrillabeweging (FMLN) en haar politieke tak (FDR) niet konden deelnemen.
Uiteindelijk stemde de fractie onder leiding van buitenland woordvoerder Relus ter Beek in met het sturen van waarnemers en aldus de deelname van een partijgenoot aan de waarnemingsmissie goed te keuren.
De felle Kamerdiscussie doofde pas enigszins nadat de twee waarnemers (CDA'er Kerstiëns en PvdA'er Nelissen ) na terugkomst een genuanceerd rapport uitbrachten. Hoewel zij de enorme chaos en de repressieve omstandigheden beschreven, concludeerden zij dat de massale opkomst van de Salvadoraanse bevolking liet zien dat de verkiezingen onder de burgers wel degelijk leefden en dus niet als een "totale schijnvertoning" vanuit Washington konden worden afgedaan.
Dit leidde later dat jaar (eind 1984) tot een vergelijkbare discussie in de Kamer toen dezelfde waarnemers naar de verkiezingen in het Sandinistische Nicaragua moesten worden gestuurd.






