Posts tonen met het label ontwikkelingshulp. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ontwikkelingshulp. Alle posts tonen

donderdag 5 juni 2025

DE UITVINDING VAN KLIMAATVERANDERING EN BIODIVERSITEIT

 

Zo zag de natuur op school er uit maar ook in het echt. Ik ben opgegroeid met kievieten, ooievaars (ze zijn er nu weer en meer dan ooit), allerlei soorten eenden enz. Maar ja, toen in 1956  had Nederland amper 11 miljoen inwoners en ongeveer 250.000 auto's. Nu heeft Nederland 18 miljoen inwoners en bijna 10 miljoen auto's. Daar kan geen enkele natuur tegenop werken.

Jongeren van nu groeien op met handicaps die ik het grootste deel van mijn leven niet heb gekend: klimaatverandering en biodiversiteit. Het weer, dat bestond wel maar draaide toch voornamelijk om de vraag of je een regenjas moest meenemen of niet, of het weer was om te zwemmen en of het in de winter ging sneeuwen dan wel vriezen. In het laatste geval was dan de vraag wanneer je kon schaatsen. 


Zowel zwemmen en schaatsen hebben een grote rol gespeeld in mijn jonge liefdesleven. Mijn eerste afspraakjes na de dansles waren op de schaatsbaan van Oss, een ondergespoten deel van het sportpark. De ijsbaan was met zijn verlichting, zijn muziek uit eenvoudige luidsprekers en zijn bescheiden kantine waar je warme chocolademelk kon drinken tegen een schappelijke prijs, betoverend romantisch voor ons als verliefde teenagers. Een mooier begin voor een opbloeiende liefde kan ik me nu nog niet voorstellen.


De zomers waren voor het zwemmen in een, zeker vergeleken met een sportzwembad van tegenwoordig, romantisch natuurbad. Het bad was omgeven door grasvelden met hier en daar een stukje strandzand. De meisjes paradeerden in badpakken. De bikini was nog verboden. Maar ja wie mist een bikini als je zo al van de meisjes in badpak kon genieten?


Voor de rest was het weer vooral een zorg voor de akkerboeren. Wat ik zag op de zwart-wit televisie was dat het vooral niet te nat of te droog moest zijn maar daar ergens tussenin. Als het weer zich als ergens tussenin gedroeg dan hoorde of zag je geen boeren op TV. 


Had het langdurig geregend dan stonden om acht uur op het TV journaal een boer en een verslaggever met flinke laarzen aan in het veel te natte veld. De broer bukte om een paar nog kleine aardappelen uit de natte kleigrond te trekken om ons kijkers rottende aardappelen te tonen. Daar ging een deel van het inkomen van de boer.


Was het al een tijd droog dan kreeg je een verslag van het platteland over uitdrogend gewas op de velden wat ook een aanslag was op het inkomen van de boer. Soms in het vroege voorjaar waren de fruitboeren de klos vanwege de nachtvorst waardoor de fruitoogst mislukte.


Het weer was een ernstige zorg voor de boeren en dat was het dan. Klimaatverandering bestond niet. Van levensbedreigende klimaatverandering of de algehele ondergang van moeder planeet als gevolg van het handelen van de mens was in mijn jeugd en tot ver daarna geen sprake. Het klimaat was een gegeven. Je kon warme of natte zomers hebben, harde winters of een kwakkelende winter, een te nat najaar of voorjaar maar daar was het wel mee bekeken.


Zorgen over biodiversiteit bestonden toen ook niet. We leerden het niet op school en hoorden het ook niet thuis. In kranten, op radio en TV sprak nooit iemand over het verlies van biodiversiteit. Het was een begrip wat eenvoudigweg niet bestond en er kon dus ook niet over gepraat worden laat staan dat je er bezorgd over kon zijn.


Tegenslagen die je konden treffen waren woningnood, werkloosheid en ziektes als kanker. Andere zorgen waren de koude oorlog, het  communisme en de armoede in de wereld met bijbehorende rampen. De honger in het Afrikaanse Biafra greep het halve land aan en leidde tot acties ter bestrijding van de honger en ondervoeding. 


Bij de bijna jaarlijks terugkerende overstromingen in Bangladesh waar maar geen einde aan leek te komen,  vroegen we ons af waarom ze daar in Bangladesh nog steeds niet bezig waren fatsoenlijke dijken aan te leggen. 


Om de haverklap vernam je dat er ergens in een Derde Wereld land massaal honger werd geleden, kinderen ondervoed en de medische hulp gebrekkig. Dat leidde tot allerlei menslievende initiatieven bij jong en oud om de armoede de wereld uit te helpen. Ontwikkelingshulp was de nieuwe missie van de vrije wereld.


Maar biodiversiteit, nee dat bestond niet, net zo min dus als klimaatverandering. Die twee verschijnselen zijn pas later uitgevonden door biologen en klimatologen. Zij ontdekten dat we met angst en beven naar de toekomst moeten kijken vanwege het verlies aan biodiversiteit en als gevolg van de klimaat verandering. Daarom, oh Nederland let op uw zaak of we gaan ten onder.

woensdag 12 juli 2023

KLIMAATZIN EN ONZIN. ANGST ALS VERDIENMODEL BIJ GREENPEACE

 

Deze afbeelding staat op een paneel van "De Tuin der Lusten" geschilderd door Jeroen Bosch tussen 1490 en 1500. In die tijd geloofde men in "het Laatste Oordeel" tevens de afsluiting van de aardse menselijke geschiedenis. God zelf zal bij het eind oordeel de goeden van de kwaden scheiden. Dat geloof is grotendeels verdwenen. Nu denkt men dat het einde der tijden kan aanbreken als gevolg van de opwarming van de planeet door het broeikasgas CO2. Het einde der tijden is nu als het ware wetenschappelijk vastgesteld.


Toen ik zes jaar geleden terug kwam naar Nederland ontdekte ik dat men in Nederland meer dan in België gevoelig is voor alles wat met milieu en klimaat te maken heeft. Daarbij heeft Nederland in tegenstelling tot buurland België opnieuw de intentie om de eerste en de beste van de klas te willen zijn.

Ik zeg opnieuw omdat dat ook het geval was in de vorige eeuw met ontwikkelingshulp. Ook toen wilde Nederland zoals dat zo mooi heet gidsland zijn. Ik heb daar nooit een goede verklaring voor gevonden. Is dat omdat het ons Nederlanders het gevoel geeft dat we nog steeds van betekenis zijn in de wereld?

Nederland is immers in alle opzichten een klein land dat voor de wereld al lang niet meer de betekenis heeft die het ooit gehad heeft. De Belgen hebben nooit het gevoel gehad dat ze belangrijk zijn geweest voor de wereldgeschiedenis, in ieder geval niet in dezelfde mate als Nederlanders dat hebben gehad.

Het kan ook zijn dat het te maken heeft met een calvinistische inslag. Het calvinisme is een bezwaard geloof dat enerzijds berust op schuldgevoelens ten opzichte van de wereld en anderzijds op verantwoordelijkheidsgevoel voor de wereld. Nederland was daarom een uitgesproken missieland zowel voor protestanten als katholieken.

Die mengeling van schuld en verantwoordelijkheid is misschien ook de basis voor de Nederlandse drang om de beste te zijn. Een drang die versterkt wordt door ons traditionele koopmanschap waarvan de basis werd gelegd tijdens het ontstaan van de Republiek der Nederlanden in de 16e eeuw. De gedachte is dat wie de beste en de eerste is, kan er ook het meest aan verdienen.

Het gevolg is dat de vraag naar de effectiviteit en doelgerichtheid van de klimaat inspanningen taboe is. Het is een morele plicht en een schuld die betaald moet worden. Dat volstaat. De media met kranten als NRC, Volkskrant en Trouw en de publieke omroepen tezamen met een waaier van ngo’s, sporen  Nederland voortdurend aan om haast te maken met klimaat en milieu.

Zie op You Tube
 

Greenpeace gaat zo ver dat als je geen lid wordt van hun club de toekomst in de vorm van oceaangolven zal vernietigen. Greenpeace maakt van angst hun verdienmodel zoals ooit de Roomse en andere kerken deden.

Het is een kruistocht waarbij kritiek en kritische vragen taboe zijn.
De klimaat kruistocht is in wetten gegoten. De ernst van de zaak wordt breed uitgemeten met schuldgevoelens en al.

Sommigen komen daarbij in de ban van de idee dat het einde der tijden nabij is als niet tijdig wordt ingegrepen en wel liefst voor 2050 want dan zou het wel eens te laat kunnen zijn. Ze worden gedreven door angst voor de toekomst. Hopelijk raken intussen niet teveel mensen in psychische nood. 

 

PS.

Zo langzamerhand denken milieu aktiegroepen als Urgenda en nu dus Greenpeace met zijn klacht tegen de staat over stikstofreductie Nederland te kunnen regeren met als argument de staat van de natuur. Nog even en we hebben geen verkiezingen meer nodig.

Greenpeace klaagt gevallen kabinet aan voor te weinig stikstofreductie

vrijdag 2 juli 2021

3. HET BELOOFDE LAND. ONTWIKKELINGSHULP

 

De nationale mentor van de Nederlandse ontwikkelingshulp en dus ook van mij was de macro-econoom en Nobel prijs winnaar professor Jan Tinbergen (1903-1994). 

"In 1957 werd Tinbergen gewoon hoogleraar in Rotterdam met als leeropdracht Wiskundige Economie en Ontwikkelingsprogrammering. Vanaf 1956 is Tinbergen naast die Wiskundige Economie ook het vak Economie van Ontwikkelingslanden gaan geven. Vanaf 1966 tot zijn emeritaat (1973) was zijn leeropdracht in Rotterdam Economie der Centraal Geleide Stelsels en Ontwikkelingsprogrammering. De problematiek van de Derde Wereld had allengs meer zijn interesse en zijn 'hart' gekregen dan theoretische benaderingen. Hij richtte diverse instituten op en was vele jaren topadviseur van de VN voor ontwikkelingsplanning. Naast zijn hoogleraarschap bij de Nederlandsche Economische Hoogeschool was Tinbergen van 1934 tot 1968 directeur van de Stichting het Nederlands Economisch Instituut. Verder was hij de eerste directeur van het Centraal Planbureau. Van 1973 tot zijn pensionering in 1975 gaf hij college als hoogleraar aan de Universiteit Leiden." (foto: petrus nelissen, gemaakt in 1988 tijdens een CNV actie voor behoud van 1,5% van het Nationale Inkomen voor Ontwikkelingshulp)

Dat ik als bijvak ‘Economie van de ontwikkelingslanden’ koos was natuurlijk geen toeval. Het was mijn lot, van begin af aan al maar ik besefte dat toen natuurlijk niet. Als Rooms jongetje hoorde ik in de zondagsmis op de preekstoel zo af en toe een missiepater prediken over de armoede en de onwetendheid in verre landen, bijvoorbeeld Papoea Nieuwe Guinea. Ter afsluiting van zijn sermoen vroeg hij dan een bijdrage aan ons parochianen voor de aanschaf van schoppen want die waren hard nodig om op het land om te spitten. Zijn verhaal was een combinatie van idealisme, heldenmoed, avontuurlijk reizen en nuttig werk, zogezegd een Roomse Kuifje.

Die combinatie is nooit meer uit mijn hoofd verdwenen. Aan het eind van de lagere school nam ik mij samen met mijn beste vriend voor om voor ingenieur te gaan studeren om daarna de Surinamers te gaan helpen bij het Brokopondoplan waar we net wat over geleerd hadden. Op de middelbare school leerde de godsdienstleraar ons dat ontwikkelingshulp of zoals het toen heette hulp aan de arme landen een plicht van naastenliefde was, ook als de hulp niet altijd goed terecht komt. Mijn vriend is inderdaad water en wegenbouw gaan studeren, ik was daarentegen op een ander pad terecht gekomen. Tot vandaag dan, want met de idee om colleges in de “Economie van de ontwikkelingslanden’ van professor Janssen S.J. van de Hogeschool Tilburg te gaan volgen, keerde ik terug op het voor mij bestemde pad.

Ik leerde van Janssen waarom het nodig is dat wij de ontwikkelingslanden moeten helpen met het verstrekken van kapitaal en kennis ofwel ontwikkelingshulp. Ontwikkelingslanden zijn te arm om te besparen en zo lang je niet kunt besparen heb je geen geld om te investeren in de ontwikkeling van je land. Ik besef dat dit een iets te eenvoudige weergave is van het college ‘Economie van de ontwikkelingslanden’ maar de strekking is duidelijk. Ontwikkelingshulp is noodzakelijk willen we de ontwikkelingslanden niet in de steek laten, wat niet alleen onverantwoord zou zijn vanuit naastenliefde maar ook onrechtvaardig want veel ontwikkelingslanden zijn voormalige koloniën waarvan wij ex-koloniale landen geprofiteerd hebben.

Dat laatste werd bevestigd door de in zwang zijnde imperialisme theorieën over de uitbuiting van wat de Derde Wereld was geen heten. De term Ontwikkelingslanden deed semantisch geen recht aan de eigen ontwikkeling van die landen, hoe anders die ook is.

Vladimir Iljich Lenin, de Godfather van het communistische Rusland, zei al dat het imperialisme het hoogste stadium is van het kapitalisme. Wij imperialisten zijn rijk geworden over de ruggen van de armen, waarmee ook meteen de schuldvraag is beantwoord en vastgesteld wie verantwoordelijkheid is voor de armoede wereldwijd.

Het boek“Capitalism and Underdevelopment in Latin America’ (1967) van de Duitse socioloog en econoom Andre Gunder Frank leverde het economische bewijs van de Leninistische ideologie. Latijns Amerika is het slachtoffer van zijn voormalige koloniale machthebbers en het nieuwe Noord Amerikaanse imperialisme. Zo werd mijn wereldbeeld overzichtelijk en helder. Dat in deze toestand ingegrepen moest worden, is me duidelijk geworden. Hoe precies wist ik nog niet maar dat ik had er alle vertrouwen is dat de toekomst mij dat zal leren. 

(wordt vervolgd)
 

vrijdag 12 april 2013

NOODLIJDEND NEDERLAND

Nederland heeft het moeilijk.


Op een gegeven moment vond ik dat ik aan ontwikkelingshulp moest doen, niet praten maar doen. Gepraat werd er al genoeg. Ik had op de Carmelieten HBS in Oss al geleerd dat je zoiets vanuit je hart moet doen, je medemens wat gunnen. Een kwestie van naastenliefde dus. Later kwam daar als vanzelfsprekend rechtvaardigheid bij en dan vooral sociale rechtvaardigheid. Die basis is eigenlijk nooit veranderd al is er in de loop der jaren natuurlijk af en toe hevig getwijfeld. Het zou niet goed zijn als dat niet het geval zou zijn geweest.

Een van mijn eerste twijfels was zoals bij alles wat je doet of het wel nut heeft? Dat begon al toen ik voor het VN ontwikkelingsprogramma in Mexico werkte. We hadden 5 miljoen dollar per jaar te besteden. Apenootjes als je keek naar de omvang van de problemen in dit enorm grote land met zijn krottenwijken zo groot als een miljoenenstad en een armoedig, ongeletterde platteland waar arrogante politici en gewetenloze zakenlieden de scepter zwaaiden. Bovendien werd beweerd dat de Mexicanen de uitvinders van corruptie waren.

Nederland heeft het de ene dag wat moeilijker dan de andere dag.

Moet je in zulk geval stoppen? Mijn Noord Amerikaanse VN baas vond van niet. Hij zag het VN ontwikkelingsprogramma als deel van het grotere VN geheel en de VN mag dan niet goed werken, soms zelf corrupt zijn, het is altijd beter dat men met elkaar blijft praten dan oorlog voeren. Praten kost geld maar oorlog voeren nog meer, was zijn korte maar krachtige filosofie. Ik was dat met hem eens en dus bleef ik in de VN geloven net als PvdA minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking. Als jonge idealistische ontwikkelingswerkers vonden we wel dat Nederland af en toe harder aan de bel mocht trekken. Per slot van rekening was Nederland een van de grootste donors in de wereld.

In Nederland werd toen niet getwijfeld aan het beginsel van ontwikkelingssamenwerking. Wel werd er telkens naar betere wegen gezocht om de armoede en het sociale onrecht sneller en efficiënter uit de wereld te helpen. Dat leidde dan weer vaak tot allerlei trendy en modieuze aanpassingen van het beleid waar men in ontwikkelingslanden niet altijd veel van begreep. Ontwikkelingssamenwerking was toen in Nederland vooral ook linkse politiek. Op een gegeven moment werd het socialisme als de oplossing van alle kwaad gezien totdat bleek dat centrale planning van een economie in een onderontwikkeld land juist niet werkt. Daarvoor ontbreekt het aan kennis, deskundigen, betrouwbare maatschappelijke instellingen en instituten en vooral ook stabiele politieke verhoudingen.

Sommige Nederlanders hebben het iets minder moeilijk.

Maar ondanks al dat onderlinge vaak ook partijpolitieke gesteggel bleef in Nederland het hart op de goeie plaats zitten en dat is en blijft per slot van rekening de basis van alles. Rond de eeuwwisseling is daar echter de klad in gekomen. Met de crisis kwam de doorbraak van Wilders. Die begon ongegeneerd het eigen belang van de natie te verkondigen. Waarom zou je armoezaaiers in de rest van de wereld helpen als in eigen land de nood hoog is? Wilders verklaarde Nederland tot een noodlijdend land en verschafte daarmee aan iedereen die wilde het alibi om de rest van de wereld te laten vallen. Je zou het nog kunnen begrijpen indien Nederland echt een noodlijdend land zou zijn maar dat is het niet.

Materieel gezien is Nederland een van de rijkste landen in de wereld, geestelijk staat het er echter minder florissant voor. Nederland predikt dank zij Wilders en in zijn voetspoor Bolkestein en andere VVD corifeeën materiële welvaart als het hoogste goed wat een mens kan bereiken. Wat natuurlijk flauwekul is. Hoeveel geld en rijkdom je ook hebt, het kan nooit je leven vullen. Gek genoeg kan dat geestelijke rijkdom wel ook al ben je arm en behoeftig. Niet dat ik zo'n toestand aanbeveel maar het is toch wonderlijk hoe getroffen je kunt worden door gastvrijheid, solidariteit en vreugde in een naar onze begrippen armoedig milieu.

Nederlanders zoeken het geluk soms op het water.
De basishouding voor ontwikkelingshulp, naastenliefde en solidariteit, is als gevolg van deze nationale knieval voor het gouden kalf van het materialisme ook nog eens vergiftigd met egoïsme en jalouzie. Notities als die van Minister Ploumen over ontwikkelingssamenwerking, hoe goed bedoeld ook, kunnen daar niets aan veranderen. Daarmee komt de zaak niet verder dan wat partijpolitiek gesteggel, onderlinge belangenstrijd en gekrakeel over wie het gelijk aan zijn kant heeft. Onze enige hoop is dat de burgers en kiezers die kruideniersmentaliteit van Wilders en Bolkestein c.s. een keertje spuugzat worden en weer op zoek gaan naar zaken die er toe doen. Tot die tijd wordt het afzien.