Posts tonen met het label cubaanse revolutie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cubaanse revolutie. Alle posts tonen

donderdag 29 mei 2025

7. DE KLEINE GESCHIEDENIS VAN JAN VAN DER PUTTEN. LIEFDE VOOR DE REVOLUTIE MAAKT BLIND

Aan de vooravond van de sandinistische revolutie geeft Jan van der Putten  op zijn hotelkamer in San José een telefonisch radioverslag door van de gebeurtenissen in Nicaragua. (juni 1979)


“Ademloos volg ik vanuit San José de laatste dagen van het tijdperk Somoza. De Organisatie van Amerikaanse Staten eist zijn onmiddellijk vertrek. Uiteindelijk vlucht de dictator naar Miami. Na 43 jaar is een einde gekomen aan de familiedictatuur. Zegevierend trekken de guerrillastrijders Managua binnen. Ik huur direct een auto en rijd over over de Panamericana noordwaarts naar het bevrijde Nicaragua.” (Blz 190 in het boek van Jan van der Putten, Tijd van Illusies, mijn kleine geschiedenis van de wereld, uitgave Querido)


Zo rijdt Jan dezelfde weg die Koen Wessing en ik een paar weken eerder hebben gereden naar de Nicaraguaanse grens maar dan direct door naar de hoofdstad Managua.


“De volgende dag ga ik de straat op. De revolutie is goed begonnen: overal wordt gedanst, gezongen, gedronken en gevreeën. Ik krijg toestemming om samen met de Venezolaanse delegatie die hulp komt aanbieden, de bunker in te gaan. Ernesto Cardenal, sinds gisteren minister van Cultuur, is er ook bij. ‘Alleen dood kon ik hier binnenkomen,’ zegt hij half lachend. In een luxe ontvangsthal zijn nu sandinisten aan het werk. In een hoek ligt een stapel Amerikaanse kranten. De vloeren zijn bedekt met dure tapijten. Somoza’s werkkamer lijkt op die van een gemiddelde CEO.” (Blz.191)


De euforie over de overwinning van de sandinisten spat van de pagina’s. Het is dezelfde euforie als die van Harry Mulisch in zijn boek ‘Het Woord bij de Daad: Getuigenis van de Revolutie op Cuba’ (1968).


“In hoeverre het ook een socialistisch land moet worden, daarover zijn de meningen verdeeld. Internationaal kunnen de sandinisten op enorme goodwill rekenen. Een grotere schurk dan Somoza is immers moeilijk voor te stellen, en die schurk is door de jeugd van Nicaragua verslagen. Zó sympathiek, altruïstisch, die jongens en meisjes, zó puur, zó bezield van idealen - het is haast onmogelijk om niet warm voor ze te lopen. Bovendien heeft links hoognodig een nieuw revolutionair model nodig. Mei ’68 was mislukt, ‘de revolutie binnen de legaliteit’ van Allende was in bloed gesmoord, de oorlog in Vietnam was voorbij, en Fidel Castro was steeds meer een Sovjetvazal geworden. En nu, na zo veel linkse desillusies, komen de sandinisten. Is in Nicaragua dan eindelijk de Nieuwe Mens geboren” (blz 192)


Jan gelooft dus na alle teleurstellingen nog in de mogelijkheid van een nieuw socialistisch model met een Nieuwe Mens. Je verwacht meer nuchterheid van een Nederlandse journalist die toch al heel wat gezien en meegemaakt heeft. Bovendien zijn er ook nog voortekenen die om een kritischer oog vragen dan dat indertijd van Harry Mulisch c.s.

 

Een aantal van de sandinistische leiders is getraind in Cuba. Cuba is en blijft hun voorbeeld en dat op zich al belooft weinig goeds. De aankondiging dat ze een alfabetiseringscampagne gaan opzetten naar Cubaans model, doet vermoeden dat ze Cuba meer volgen dan men denkt. Zo ene campagne is meteen ook ene propaganda campagne. 


Dat het nieuwe leger onder controle komt van Humberto Ortega, de broer van Daniel Ortega doet denken aan Fidel Castro die zijn broer Raúl tot hoofd van het leger maakte. Wie het leger heeft, heeft de macht in Latijns Amerika. Waarom het leger niet afgeschaft zoals in buurland Costa Rica? Er komt vermoedelijk gene geschikter moment in de geschiedenis van Nicaragua. 


Dat de sandinistische leiders denigrerend spreken over buurland Costa Rica, dat hun de helpende hand heeft geboden, als zijnde een bourgeois staat belooft ook al weinig goeds. Costa Rica is het enige Midden Amerikaanse land dat democratisch is, geen leger heeft, waar iedereen kan lezen en schrijven en aan armoedebestrijding doet door o.a. landhervormingen. Als Nicaragua de status van Costa Rica zou kunnen bereiken zou dat al een hele vooruitgang zijn.


In het begin van de revolutie kun je de sandinisten nog het voordeel van de twijfel geven. Maar hoe lang? De Cubaanse revolutie is aanvankelijk ook begonnen als een brede bevrijdingsbeweging maar draaide uit op een communistische dictatuur. 


Jan zelf heeft ook met Cuba gedweept. In dit boek komt hij daarop terug.


“Mijn eerste artikelen over Cuba waren weinig kritisch. Zo schreef ik een hele broadsheetpagina van de Volkskrant vol met een verhaal waarin ik uitlegde dat Fidel Castro de revolutie aan het ‘democratiseren’ was, vooral door de ‘opbouw van democratische bestuurs- en controle-organen: de volksmacht’. Ik had toen al kunnen bedenken dat er van die volksmacht in de letterlijke betekenis niets terecht zou komen en dat die ‘democratische’ instanties alleen maar waren bedoeld om de greep van de partij op de bevolking te versterken.” (blz.270)


De vraag blijft dan, waarom heb je dat toen niet bedacht? Dezelfde vraag kun je ook stellen aan de grote Franse denker J.P. Sartre en zijn feministische evenknie S. de Beauvoir. Sartre steunde zelfs ooit Mao en het Maoïsme. Werd hun denken vertroebeld door een soort van haat tegenover de Franse bourgeoisie, een vorm van zelfhaat? 


Jan is in zijn boek zo eerlijk om zich ook de vraag te stellen. “Waar had ik die naïviteit vandaan?Van de tijdgeest van toen, die nog altijd wegliep met de Cubaanse Revolutie? Van de enorme populariteit en het charisma van Fidel, die haast per definitie niets fout kon doen? Van de angst dat ik de vijanden van Cuba in de kaart zou spelen als ik de Cubaanse vuile was zou buitenhangen? Van mijn behoefte misschien om het contrast te accentueren tussen de sociale verworvenheden in Cuba en de terreurregimes in Zuid-Amerika? Waarschijnlijk was het van allemaal een beetje.” (Blz.270)


Toch een vorm van zelfonderzoek. Dat is meer dan menigeen kan opbrengen maar van mij had hij nog wat strenger mogen zijn. Hij bleef immers lang de sandinisten steunen, ook toen bleek dat ze persvrijheid en vrijheid van vakbeweging aan hun laars lapten en voormalige vrienden van de revolutie waaronder de eerder genoemde nationale held Comandante Cero, alias Eden Pastora in de ban deden. 


Jan droeg publiekelijk en als journalist met iets teveel zelfverzekerdheid  (o.a.in de Volkskrant, de VARA, het NOVIB blad Onze Wereld enz.) zijn geloof in de sandinisten uit. Daarin stond hij overigens niet alleen. Het Nicaragua comité, Solidaridad, de Evert Vermeer Stichting van de PvdA enz. bleven de sandinisten door dik en dun steunen ook toen ze over de schreef gingen met hun beperking van vrijheid van meningsuiting, van vereniging en hun aanvallen op de Moravische kerk van de inheemse bevolking aan de Oostkust.


Pas toen de sandinisten in 1990 de verkiezingen verloren, begon men te beseffen dat men de Nicaraguaanse revolutie door een veel te rosé bril had bekeken. Fellow travelers zijn blijkbaar van alle tijden en Jan was dus ook een van hen en dat strookt niet met goede journalistiek. Liefde voor de revolutie maakt zelfs journalisten blind.

 

vrijdag 29 oktober 2021

20. HET BELOOFDE LAND. ROSIER EN CAMILO TORRES

 

Priester guerrillero Camilo Torres (uiterst rechts) tussen zijn kameraden van het Nationale Bevrijdingsleger ELN in Colombia.

Maar als de Cubaanse revolutie niet voor herhaling vatbaar zou zijn, hoe moeten er dan in Colombia veranderingen komen want dat het land op dood spoor zit en veranderingen dringend nodig zijn, kun je zo zien. Het sociaal onrecht in de vorm van armoede en misère ligt op straat in het centrum van de stad en opgestapeld in de krottenwijken op de hellingen van de bergen rondom Bogotá. Frans Rosier spreekt in zijn boek “Het volk gelooft niet meer in beloften” over “de gordels van ellende”.  (Uitgeverij Paul Brand, Hilversum 1968).

“Iedere grote stand in Latijns Amerika heeft zijn gordel van ellende, d.w.z. buitenwijken waar de armen in alle schakeringen van miserie samenklitten in miserabele huisjes zonder enig comfort of in woongelegenheden welke de naam van huis niet verdienen. Het woord “gordel van ellende" klinkt in het Nederlands wellicht enigszins vreemd. Ik gebruik het echter als een letterlijke vertaling van het Spaanse “cinturón de miserie”, een woord dat men gebruikt om de trieste werkelijkheid aan te duiden waar ik het hier over ga hebben. Het woord verwijst naar krotten van blik en aan elkaar gespijkerde planken, gewoonlijk zonder vloer of venster. Als het regent sijpelt het water door het dak of doordrenkt het de bodem. Vooral wanneer deze geïmproviseerde schuilplaatsen tegen een helling aanliggen, vanwaar bij stortbuien het water naar beneden stroomt en zelfs het interieur der krotten in een modderpoel verandert. Het zijn noodoplossingen, soms in een enkele nacht gebouwd, welke een heel mensenleven duren.” (blz.9)

Rosier denkt niet dat er een eenvoudige remedie is voor deze mensonterende situatie waarin miljoenen mensen in Colombia en ook in andere Latijns Amerikaanse landen verkeren. Ondanks de zichtbare en tastbare tegenstellingen tussen armoede en rijkdom zijn de sociale en machtsverhoudingen gecompliceerder dan we denken.

“In Latijns Amerika wordt de stratificatie tussen hogere en lagere sociale klassen in sterke mate bepaald door het verleden, ondanks het feit dat al deze landen de democratie hebben aanvaard. Zoals ik reeds eerder heb gezegd , de democratie is er in vele opzichten een fictie. Men zou ook kunnen zeggen, dat de democratie slechts de belangen van de hogere klassen dient.
Het is niet altijd gemakkelijk de fijnere details te ontdekken in de opbouw van de sociale ruimte, nog te meer omdat de scheidslijnen niet steeds logisch getrokken zijn, in het bijzonder waar het gaat om delicate nuances. Dit onberedeneerde in de sociale ruimte valt bijzonder in het oog in Latijns Amerika, waar de moderne democratie vermengd is met houdingen uit de zeventiende en achttiende eeuw en waar de raciale vooroordelen een belangrijke rol spelen in het dagelijks leven, ondanks het feit dat de verschillende raciale groeperingen nog niet zijn gekomen tot een zo sterke oppositie als het geval is tussen blanken en kleurlingen in Nood-Amerika.
Maar intussen bestaat de spanning en juist het revolutionaire klimaat dat men in dit werelddeel kan waarnemen maakt heel de marginaliteit van het volk problematisch. Dat wil zeggen, de gevestigde structuren staan op het punt doorbroken te worden.”
(blz. 38 in bovengenoemd boek van Rosier)

Rosier vindt dat je zo een gepolariseerde en toch gecompliceerde sociale situatie niet eenvoudigweg kunt doorbreken met een gewapende revolutie. Zijn persoonlijke ervaringen met zijn vriend, de priester Camilo Torres die een veel te vroege dood vond tijdens een guerrilla actie, zullen hem in deze opvatting gesterkt hebben.

“Toen hij (Camilo Torres) stierf, had men hem zijn goede naam ontnomen, hem de uitoefening van zijn priesterschap verboden en hem een doodlopende straat ingedreven. In naam van wie? De pers schreef dat hij zijn dood zelf gewild en geprovoceerd had. Dit geloof ik niet. Is hij wellicht slechts het slachtoffer geworden van een fataal spel van misverstanden?
Persoonlijk ben ik van mening dat hij stierf uit liefde voor God, voor zijn vaderland en dat hij met zijn leven heeft betaald voor zijn verzet tegen het onrecht, ofschoon zijn dood plaatsvond in de meest barre verlatenheid en te midden van zogenaamde “struikrovers” of verzetsstrijders; tussen mensen die hij minder beschouwde als misdadigers dan als slachtoffers, of afstammelingen van slachtoffers van politieke hartstochten.
De laatste foto welke het volk te zien kreeg was die van zijn levenloos lichaam onder het teken van het kruis. Dit beeld was welsprekender dan de schreeuwende aanklachten die men tot hem gericht had.

Januari 1966.
Vanuit de bergen bij Cali, Colombia “ (blz.142 in het voornoemde boek met als laatste hoofdstuk "Camilo Torres: een teken van tegenspraak", dat helemaal gewijd is aan Camilo Torres) 

In de visie van Rosier is met de dood van Camilo Torres een groot leider verloren gegaan die veel had kunnen betekenen voor zijn land en volk. Hij heeft zich opgeofferd voor de revolutie maar het was een zinloos offer, een offer dat hem werd opgedrongen door de Colombiaanse elite en kerkelijke leiders door hem meer en meer te marginaliseren vanwege zijn sociale bewogenheid en inzet voor het volk. Tragisch genoeg heeft zijn offer het land geen stap verder gebracht en ook de revolutie niet.

Tijdens onze gesprekken spreekt Rosier meer dan eens het vermoeden uit dat de ELN willens en wetens Camilo Torres als groentje de gewapende strijd in heeft gestuurd om zo een martelaar, een katholieke priester nota bene, voor hun zaak te bekomen. Zijn beste vriend het slachtoffer van een samenzwering? Het zou kunnen. In de gewapende klassenstrijd heiligen vele middelen het doel. 

“Due to the growing pressure to back down from his radical politics, Camilo Torres was persecuted and went into hiding (leaving his job as an academic) by joining the guerrillas in Colombia. He served as a low-ranking member of the ELN to whom he also provided spiritual assistance and inspiration from a Christian communist point of view. He was killed in his first combat engagement when the ELN ambushed a Colombian Military patrol. After his death, Camilo Torres was made an official martyr of the ELN.” (Wikipedia: Camilo Torres Restrepo)

(wordt vervolgd)

vrijdag 15 april 2016

GESCHIEDENIS VAN DE CUBAANSE SIGAAR IN EEN NOTEDOP

Pagina uit het boek "Cuba before the World", verschenen in 1915 ter gelegenheid
van de Internationale Tentoonstelling in San Francisco.
In Cuba werd al in de tijd van de Spaanse kolonisatie tabak geteld en tot sigaren verwerkt.

Cubaanse tabak en sigaren zijn een export product van hoge kwaliteit in Cuba en daarmee tevens leverancier van veel inkomsten voor het land. Dat was al zo in de Spaanse koloniale tijd. “During the nineteenth century, tobacco was one of Cuba's main economic activities. Once the prohibition to grow and sell tobacco was lifted at the beginning of the century, the sector expanded rapidly but difficulties soon arose due to Spanish fiscal policy, both in Cuba and in Spain. In the Spanish mainland, where tobacco cultivation was banned, the state monopized the import and manufacture of the product. Attempts to abolish the monopoly failed because the Spanish Treasury depended heavely on its revenu.” (blz. 65 in 'Cuban Studies 33, University of Pittsburgh Press, 2002)

"The Romeo & Julietta cigar factory has been one of the most famous brands of Havana cigars known the world over....This factory has today the enormous production of 85.000 cigars a day and has been in demand by connoisseurs in every country of the world. Senior Rodriguez, Argüelles and Company, the proprietors, claim that the greatest succes in Havana's cigar history of the Romeo & Juliette cigars has been a succes of quality." (Blz.124 in "Cuba before the World"). Het merk  is na de revolutie van 1959 samen met vele andere merken genationaliseerd. Sinds 2008 wordt het merk gemaakt door Habanos SA, het staatsbedrijf op Cuba, en  het vroegere Spaanse Altadis SA op de Dominicaanse Republiek. Altadis SA en Cabanas SA vormen sinds 2008 een joint venture. (Wikipedia Romeo & Julietta)

Toen al gebruikte de staat de tabaksinvoer en uitvoer om er flink aan te verdienen. Het mes van de belastingen sneed aan twee kanten want terwijl Spanje invoerbelastingen hief, werd op Cuba uitvoerbelasting geheven. Het gevolg was dat de Cubaanse tabak te duur werd op de Spaanse markt. De Cubaanse telers weken daarom uit naar de Noord Amerikaanse markt waar ze weer moesten concurreren met een grote lokale tabakssector in aanplant en productie. De onafhankelijkheidsoorlog aan het einde van de negentiende eeuw maakte de crisis in de tabakssector nog groter.

This world renowned and large "Independent" Havana Cigar Factory dates away back to the year 1844, when it was founded by Mr. Hermann Upmann, uncle of the present owner....The "Upmann" factory employs all the year around fully 1200 working people, about 900 of them men and 300 women. The yearly output of cigars is averaging easily 25.000.000 and distributed over considerably more than 200 sizes ranging from $40 to $1500 per thousand." (Blz. 125 in "Cuba before the World"). De eveneens genationaliseerde "Upmann" wordt net als de Romeo & Julietta sigaar tegenwoordig gemaakt door de joint venture Cabanas SA op Cuba en eigendom van de Cubaanse staat en Altadis SA op de Dominicaanse republiek.

Pas na de onafhankelijkheid, in 1899 onder Noord Amerikaanse leiding, kon de tabakssector zich herstellen dank zij Noord Amerikaanse investeerders en de markt aldaar. Het was precies in die periode dat het door ons besproken boek “Cuba before the World” (zie voor meer informatie overt het boek de blog "Cuba before the World") verscheen (1915) ter gelegenheid van een Wereldtentoonstelling in San Fancisco. In het boek wordt tabak aangeprezen als een product waar heel veel geld mee te verdienen is. “The tobacco planters are called “Vegueros” and the plots of land on which they grow the crop are known as “Vegas”. Tobacco grows in may parts of Cuba, wirh varying succes and fluctuating prices; that grown in the western part of Cuba, particularly the extreme west, commanding the highest prices. It is dsitinctively a delicate crop, but one that pays the grower handsomely fort all the trouble he is put to in making it. The returns from the crop will range from a few dollars to $ 1000 per acre annually, and even five times this latter amount is known to have been made. Ordinarily an industrious grower can raise, approximately, ten bales to the leaf to the acre, each bale weighting 100 punds. This tobacco will generally sell for from $20 to $50 per bale, a safe average being $25.(blz. 95)

"Por Larranaga is the oldest of the "Not in the Trust" Havana factories. Its output is 10.000.000 cigars a year, and they are distributed all over the world with the exception of the countries, Italy and Persia (Iran), on account of the State's monopoly. (Biz.126 in "Cuba before the World). Ook dit merk werd genationaliseerd en wordt nu door zowel het staatsbedrijf Habanos SA als Altadis SA geproduceerd in Cuba en op de Dominicaanse Republiek. 

Na de communistische revolutie van 1959 werd een groot deel van de sector onteigend en in zijn geheel onder staatstoezicht geplaatst. De bekende tabaksfamilies en investeerders vertrokken uit Cuba. “The fundamental difference in growing tobacco and making cigars now compared to 50 years ago (d.w.z. voor de revolutie) is that the government controls or owns everything. "It's very simple," says Hiroshi Robaina, the grandson of Alejandro who has been managing the family-owned property on his own for the last three harvests. "We have one client, and we have one place to buy everything. At least prices are up three to 10 times in the last few years for good tobacco." (Zie "Cigars and Cuba: 50 years of history" op de website "Cigar Aficionado")

Het gevolg was een verlies aan kennis en ervaring dat niet gemakkelijk goed te maken is. De daarop volgende Noord Amerikaanse economische blokkade deed de rest. Een jaar voor de revolutie exporteerde Cuba nog 79 miljoen sigaren. In 1970 was de export nog altijd niet meer dan 55 miljoen stuks. Pas in de jaren daarna groeide de export naar 120 miljoen sigaren.

Ook Cubanen zijn fervente sigaren rokers. Hier zien we een straatveger
in Cienfuegos een imposante sigaar roken. Hij heeft er al twee klaar staan 

in zijn borstzak van zijn blouse. Sigaren bestemd voor de
binnenlandse markt zijn van minder kwaliteit dan de exportkwaliteit.
De binnenlandse markt sigarenconsumptie is groter dan de exportmarkt.
In 2005 en 2006 was de consumptie ongeveer 200 miljoen sigaren.
Vanaf 2007 tot en met 2010 is volgens de Cubaanse statistieken
de binnenlandse consumptie bijna 300 miljoen sigaren.
(foto: petrus nelissen, 2008) 

Als gevolg van blauwschimmel zakte in het midden van de jaren 80 de sigaren productie opnieuw in om uit te komen bij nog slechts 50 miljoen per jaar. De verliezen waren enorm waardoor het ook nog eens moeilijk was om de benodigde bestrijdingsmiddelen te financieren. “The worried government decided in 1984 that a young and highly respected economist, Francisco Padron, would take over as head of Cubatabaco. He was given a free hand to do what he wanted. "In 10 years, I put exports at about 110 million cigars," says Padron, who is now retired and writing books in Havana. The outspoken pragmatist lasted a decade with Cubatabaco, which was renamed Habanos S.A. in 1994. He drastically changed the way Cuban cigars were distributed and marketed in the world as well as introducing foreign investment in the cigar industry for the first time since the revolution.” (zie de boven aangehaald website)

Omar was onze gids voor een 4 uur lange wandeling door de
tabaksvelden (mogotes) van V
inales, een van de streken waar het beste dekblad
voor de Cubaanse sigaar wordt geteeld. Hij rookt zelf ook graag een sigaar.
Sigaren van eigen hand. Hij is zelf een van de vele tabaksboeren (guajiros).
Hij mag 10% van zijn jaarlijkse oogst, waar naar zijn zeggen de staat
heel veel aan verdiend, zelf houden. Van de kleinschalige verbouw
van tomaten en ananas mogen ze de helft houden, de andere helft
 is voor de staat die het tegen een vastgestelde prijs opkoopt.
Kokosnoten en bananen groeien in het wild. Van basisvoedsel als rijst,
bonen en maïs moeten ze ook de helft van de oogst aan de staat verkopen.
De prijs die de staat betaalt is volgens Omar altijd veel te laag.
(foto: petrus nelissen, 2008)

Eind jaren 80 begin jaren 90 bereikte de kwaliteit van de Cubaanse sigaar nieuwe hoogten maar de export van 100 miljoen sigaren werd niet meer gehaald. Begin jaren 90 kwam als gevolg van de crisis in de Sovjet Unie, de Cubaanse economie terecht in een neerwaartse spiraal. Het BNP daalde ongeveer met een derde, de export zelfs met 80%. Er was geen geld meer om te investeren in de tabaksproductie. In 1993 besloot Cubatobaco (later dus omgedoopt tot 'Habanos SA') de afnemers elders in de wereld om kredieten te vragen (eisen?) in ruil voor de toekomstige oogst. De productie steeg en tegen 2000 werden er 200 miljoen sigaren, sommigen beweerden zelfs 300 miljoen, geëxporteerd. De uitkomst was echter een ramp voor de kwaliteit van de geproduceerde sigaren. Although exports never reached 200 million, the unbridled expansion was a disaster. From about 1998 to 2001, the country produced close to 160 million cigars annually for export and many were of inferior quality. The main problem was construction—millions of cigars would not draw properly. Moreover, the blends for various brands were less defined. Some critics said the cigars all tasted the same and that factories used too young tobacco to make the cigars in haste.” (citaat uit "Cigars and Cuba:50 years of history")

Deze sigaar rokende vrouw speelt in de straten van Havana de figuur
van een waarzegster uit de vervlogen tijd van het Spaanse kolonialisme
toen de plantages werden bemand door zwarte slaven geïmporteerd uit Afrika.
Dank zij films over piraten en slaven in de Caraïben
(er is ook een James Bond film rond dit thema)
spreken deze vrouwen tot de verbeelding van toeristen.
De sigaar is een belangrijk 
rekwisiet voor de waarzegster,
samen met een spel kaarten en een glas rum.
(foto: petrus nelissen, 2008)

Volgens de Cubaanse statistieken exporteerde in 2007 het land nog altijd 123 miljoen sigaren om daarna te zakken naar 75 miljoen stuks in 2009 en 81 miljoen in 2010. In die periode besluit de Cubaanse regering de helft van Habanas (het voormalige Cubatabaco) te verkopen voor 477 miljoen Dollar aan Altadis S.A., de grootste sigarenmaker in de wereld. In 2008 werd Altadis op zijn beurt gekocht door de Britse tabaksgigant Imperial Tobacco PLC met een omzet van 24 miljard. Sigaren maken daar maar een klein deel vanuit. 

Toeriste die in een van de straten van Havana poseert 
met een man die een slaaf moet uitbeelden. 
Ook hier is de sigaar een belangrijk rekwisiet. 
Dat de man op deze manier wat probeert bij te verdienen,
spreekt voor zich.
(foto: petrus nelissen, 2008)

Het internationale persbureau Reuters meldt in 2011 dat de sigaren productie herstellende was. “The dexterous fingers of Cuba's cigar makers rolled out 81.5 million of the much sought-after smokes last year, compared with 75.4 million in 2009, according to a report released by the National Statistics Office on its Web page.... The partial recovery is due largely to growing demand in Asia -- particularly China -- where the new rich are keen for the largest and most expensive cigars, said Gonzalo Fernandez, deputy director of marketing at Habanos S.A., the worldwide distributor of Cuban cigars. China has climbed into third place, behind Spain and France, among the largest markets for Cuban cigars. Cigars are one of Cuba's top exports."

Op het ogenblik worden wereldwijd ongeveer 150 miljoen Cubaanse sigaren verkocht. Op het moment dat Noord Amerika een einde zou maken aan de economische blokkade van Cuba komt er een markt vrij met een omzet van 300 miljoen stuks per jaar. Natuurlijk, zullen die sigarenrokers niet allemaal overgaan op Cubaanse sigaren maar de verwachting is toch dat het aandeel Cubaanse sigaren op die markt groot zal worden. Voor de productie is er genoeg land beschikbaar in de streken waar de beste tabak geproduceerd wordt (Vuelta Abajo) en er zijn genoeg mensen die de kennis en de toewijding hebben om tabak te planten en de bladen te verwerken.


















vrijdag 18 maart 2016

IS ER RACISME OP CUBA ? Deel 2

Havana, 2008 (foto: petrus nelissen)

Mijn vorige blog over racisme in Cuba eindigde met de opmerking dat er meer onderzoek nodig was om te zien of er racisme is op Cuba. Dat is niet gemakkelijk. Als je zoals mijn vrouw en ik enkele weken over het eiland zwerft dan is het moeilijk om er achter komen of en zo in hoeverre sprake is van racisme. Cubanen zijn vriendelijk en goedlachs maar ze laten zich niet gauw in hun kaarten kijken. Ze weten maar al te goed dat de Cubaanse Stasi nooit ver weg is.

Een enkele keer als we na een wat langer gesprek er sprake was van een zeker vertrouwen dan gaf men toe dat er wel degelijke sprake was van racisme maar daar bleef het dan bij. De Afrocubanen aan de top van de partij en in het parlement werden in die gevallen afgedaan als “excuus-zwarten”. Zij waren als het ware het bewijs dat Afrocubanen wel degelijk ook een rol spelen in de hogere revolutionaire politieke sferen.

Weblog CUBA, de best geïnformeerde weblog over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, volgens het dagblad Trouw.

Op internet vind ik na enig zoekwerk artikelen en interviews over racisme. Op de Nederlandstalige weblog CUBA van 28 november 2011 wordt bericht dat de geheime politie een forum over racisme verhinderde. “Twaalf deelnemers werden aangehouden. Woordvoerder Juan Antonio Madrazo van het Comité Ciudadanos por la Integracion Racial/burgercomité voor raciale integratie (CIIR) zei dat de geheime politie de voortgang van de bijeenkomst had verboden.”

Op de blog lezen we dat “Madrazo van mening is dat het gesprek over racisme een taboe is dat door de autoriteiten in stand wordt gehouden omdat ‘dit thema de gewenst eenheid in het land ondermijnt.’ Hij verwijst naar Carlos Moore , een sympathisant van Castro die uiteindelijk het land in het begin van de jaren zestig verlaten heeft omdat hij openlijk de raciale onverdraagzaamheid binnen de revolutie aan de orde stelde o.a. in zijn  artikel “Is er een plaats voor de zwarte mens in de Cubaanse revolutie?”

Plaza Vieja, Havana, 2008 (foto: petrus nelissen)

Op de AfroCuba Website staat onder de kop “Politics’  het volgende te lezen over AfroCubanen en racisme: “We find plenty of fault to go around on both sides of the Florida Straights, where both establishments are top heavy with white leadership, the one in Miami even more so. We do not view the Cuban Government as an enemy, it is solidly in place and will remain there. They have taken a number of steps to reduce racism, they are acutely aware of the problem, especially at the higher levels. They do engage in the classic hispanic patterns of denial and avoidance, reaching such absurd levels as conducting a census based on ethnic self identification and pretending to believe the conclusion that Cuba is 65% white, a conclusion a person with modest powers of observation would deny after walking down virtually any street in Cuba!”  

“Racism in Cuba is best confronted taking into account the parameters of allowed discourse, pushing where need be. It is counterproductive to threaten the existence of the state, which will naturally react in a strong fashion as a result, as does any state, especially when it is besieged by external enemies. Education, promotion of alternative views, persuasion, these are tools that can be effective in dealing with a moral scourge that is increasingly unacceptable the world around.”

De makers van de site willen met hun kritiek op racisme binnen de spelregels vande revolutie blijven. Ze respecteren aldus het uitgangspunt van Fidel Castro die ooit heeft gezegd dat binnen de revolutie alles kan, buiten de revolutie niks. Kritiek mag dus nooit zagen aan de poten van de revolutie en de revolutie is de gebroeders Castro en de Cubaanse Communistische Partij.

De Cubaanse rapper Soandry op een still van een YouTubefilm

Elders op internet vind ik een Spaanstalig interview met de rapper Soandres (of Soandry). Twee van zijn songs over racisme op Cuba zijn  officieel verboden. De tekst van een van die songs luidt als volgt:  (Zie: “Lo que sucede cuando los cubanos hablan sobre el racismo anti-negro en su pais”)  

Ey, yo
El negro cubano quiere ser igual que el blanco
porque cree que lo oscuro es atraso y lo claro adelanto
tanto así que siempre esta riéndose de él mismo a carcajadas
cuando escucha algún chiste de racismo.
El negro cubano discrimina a su hermano
le levanta la mano
y aunque no tiene amo se arrastra como gusano
que no tiene nada suyo
pues tiene rota la autoestima y sumiso el orgullo.
El negro cubano es la escoria de su isla

Zie voor de Engelse tekst deze Facebookpagina

Hey, yo 
The black Cuban wants to be just like the white man
Because he thinks that darkness is obsolete and that whiteness is progress
It’s this way so much that he’s always laughing loudly at racist jokes
The black Cuban discriminates against his brother and is violent to him
And even though he has no master, he crawls like a worm
He has nothing of his own because his self-esteem and pride are
broken
The black Cuban is the rubbish of his island



Over racisme zegt hij in het interview nog het volgende: “The system pretends that there is no racism toward black people in Cuba. All along Cuba’s history, Cuba’s future has been put first, and the black people’s situation took a back seat. But we need to analyze this problem and face it up front and say that racism exists. Cuban soap operas show blacks almost like slaves. In the movies, the black man is always a thief, a criminal. This is what people are seeing. We need to say that we have a problem with racism, and we have to fight against it.” 

Onder mijn vorige blog over racisme op Cuba verwijst Cuba Verdad naar de Spaans/Engelstalige website Racismo en Cuba. Er staan zowel Spaanse en Engelstalige bijdragen op de site die allemaal op de een of andere manier over het thema racisme op Cuba gaan. Ik noem er een paar: Que no sea estéril la vista del Presidente Obama (opdat het bezoek van Obama niet zonder resultaat zal zijn), Afrodesciendientes miran la vista de Obama con escepticismo (Afro afstammelingen bekijken het bezoek van Obama met scepsis), Cuba’s Tourism Boom Still Fails to Benefit Some Black Cubans, Will American tourists change Cuba for better or worse? enz. enz.


vrijdag 12 september 2014

HET COMMUNISME VAN SARTRE 3 (de goden van de geschiedenis)

De portretten van Marx en Engels, de grondleggers van het communisme, worden elk jaar opgehangen op het plein van de Revolutie in Havana ter opsiering van de feestelijkheden op 1 mei, de dag van de arbeid. Op de achtergrond de contouren van de beeltenis van Che Guevara, een van de goden van de Cubaanse revolutie en dus van de Geschiedenis.(foto: Petrus, 2008, Havana)

Volgens Lévy (Bernard-Henri Lévy, De eeuw van Sartre, een filosofische zoektocht, Bert Bakker 2004) werd Sartre tot het communisme bekeerd vanwege zijn anti-Amerikanisme als gevolg van de Korea oorlog, zijn anti-kolonialisme vanwege de Algerijnse oorlog, zijn teleurstelling in het na-oorlogse Frankrijk en tenslotte 'het Revolutionaire Idee'. (zie 'Het communisme van Sartre 2) Drie van de vier hier genoemde drijfveren speelden ook een rol bij de bekering van veel van mijn generatiegenoten tot het communisme met bijbehorend lidmaatschap van de CPN, de Communistische Partij Nederland (uiteindelijk opgegaan in Groen Links). Overigens is Sartre nooit lid geweest van een de Franse Communistische Partij. Hoe streng hij ook in de leer was, hij wilde niet aan een partij gebonden zijn. Misschien ook een marketing strategie van hem? Als lid van de partij was zijn status van vooraanstaande intellectueel hoogst waarschijnlijk flink gedaald.

In plaats van de Korea oorlog was het in mijn tijd (jaren 60 vorige eeuw) de Vietnam oorlog, een nationaal-communistische bevrijdingsoorlog gesteund door de communistische Sovjet Unie en communistisch China, die veel jongeren tot anti-Amerikanen maakte. In hun gevecht tegen de communisten van Noord Vietnam steunden de VS met veel militair geweld een democratische burgerlijke regering in Saigon, de hoofdstad van het voormalige Zuid Vietnam. In communistische termen heette die regering 'een marionetten regering van de VS' te zijn. Het was inderdaad een zwakke regering. Wat we niet beseften toen was dat democratie in pas onafhankelijke landen een heel lange adem nodig hebben, een adem die ze als gevolg van de oorlog niet hadden. In Hanoi, de hoofdstad van het toenmalige Noord Vietnam, was de communistische partij aan de macht met Ho Tsji Minh als charismatisch leider. Daar waren dus geen tijdrovende democratische processen nodig om tot beslissingen te komen. Voor de protesterende studenten werd Ho een Derde wereld variant van andere voormalige linkse helden als Mao Tse-toeng en Lenin.

Een aan de nieuwe tijd digitaal aangepast portret van de Chinese communistische leider Mao Tse-toeng (tegenwoordig Mao Zedong), de grondlegger van modern China en een van de heldengoden van de Geschiedenis volgens het communisme. 

Het was een wrede oorlog zoals alle burgeroorlogen, met aan de ene kant dus de burgerregering van Zuid Vietnam en de VS als beslissende macht en aan de ander kant het communistische Noord Vietnam, gesteund door de Sovjet Unie en China. Wij, na-oorlogse babyboomers gewend aan vrijheid en toenemende welvaart, zagen geschokt hoe de VS met veel, heel veel geweld zoals massabombardementen en chemische wapens als het beruchte napalm, probeerden een – volgens ons - gerechtvaardigde bevrijdingsstrijd, te vernietigen.

Wij studenten vonden ook dat in ons eigen land, net als vlak na de Tweede Wereldoorlog met de politionele acties in Indonesië, de linkse PvdA weer aan de verkeerde kant stond. De intussen sterk uitgebreide studentenbevolking, dank zij nieuwe voorzieningen van staatswege als renteloze voorschotten en dubbele kinderbijslag, werd steeds kritischer d.w.z. anti-PvdA en anti-Amerikaans. We riepen op straat dat de Noord Amerikaanse president Johnson een moordenaar was.Toen dat niet langer mocht omdat Johnson een bevriend staatshoofd was, riepen we Johnson molenaar. De democratisering van de universiteit kwam door dit alles in steeds radicaler vaarwater, waar niet alleen de CPN van profiteerde maar ook splintergroepen als de Marxistische Leninistische Studentenbond (MLS), de Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland (KEN) en de tegenwoordige Socialistische Partij SP.

De wortels van de SP gaan terug tot o.a. het Maoïsme vandaar dit digitaal bewerkte portret van SP leider Emile Roemer in Mao pak met in zijn hand de onafscheidelijk sigaret van Mao.


Ongeveer tegelijkertijd werden Fidel Castro en vooral ook zijn commandant Che Guevara dankzij de overwinning van de Cubaanse revolutie (1959), de nieuwe Lenin of Mao Tse Toeng van Latijns Amerika. Een status die versterkt werd toen onder hun leiding het Cubaanse revolutionaire leger de Varkensbaai invasie van Cubaanse rechts vluchtelingen gesteund door de Noord Amerikaanse CIA (1961), ongedaan wisten te maken. Het door het Westen al dan niet heimelijk gesteunde Zuid Afrikaanse apartheidsregiem was ons een al even grote doorn in het oog. Vandaar dat vele van onze generatie als het ware vanzelf terecht kwamen bij de Anti Apartheidsbeweging en de Zuid Afrikaanse bevrijdingsbeweging ANC.

Voor velen was duidelijk dat de communisten de toekomst zouden hebben. Zij voerden immers de gerechtvaardigde strijd voor de bevrijding van hun volk (een romantisch begrip in de Derde Wereld en een taboe in het Westen als gevolg van de Tweede Wereldoorlog) en tegen kapitalisme en imperialisme. Dank zij de vele Vietnams in de Derde Wereld (bijvoorbeeld ook de bevrijdingsstrijd in Angola en Mozambique) zou het kapitalisme en imperialisme van de VS en zijn Westerse bondgenoten uiteindelijk verslagen worden. De Geschiedenis met een hoofdletter zou voortaan geschreven worden door de communisten. Het communisme had de Toekomst van de mensheid in handen.

Een digitale spotprent van de Cubaans-Argentijnse revolutionair Che Guevara. Een van de heel grote heldengoden van de Geschiedenis volgens het communisme.

Net als bij Sartre was in het alles verblindende licht van de Geschiedenis met een hoofdletter, de politieke democratie voortaan bijzaak. Rebelse studenten die regenten binnen en buiten de universiteiten aanvielen vanwege hun autoritaire bestuursstijl, die structuren als ondemocratisch en autoritair met bezettingen ontmaskerden, die hun kinderen anti-autoritair wilden
opvoeden, kozen vanwege hun anti-kolonialisme, anti-imperialisme en anti-kapitalisme voor het ondemocratische communisme.

De aantrekkingskracht van de Geschiedenis met de Revolutionaire Idee als motor was veel groter dan de politieke democratie met zijn vooroorlogse (en dus verouderde) politieke partijen, zijn onduidelijke, halfslachtige compromissen, zijn soms verwarrende openbare debatten, tegengestelde belangengroepen en onderlinge wedijver. De democratie bracht geen grootse visie op de toekomst, het communisme daarentegen wel. De ideële rechtvaardiging voor hun keuze voor autoritaire communisme werd gevonden bij de grondleggers van het communisme Marx en Engels, bij hun politieke volgelingen Lenin, Ho Tsji Minh, Mao Tse Toeng, Fidel Castro en Che Guevara en uiteraard vele Westerse linkse intellectuelen en partijgangers die hun ideeën vernieuwden, aanvulden en aanpasten.

Maar waar komt de idee van de Geschiedenis met een hoofdletter vandaan? Ook daar speurt Lévy naar in het leven van Sartre, de man die met zijn filosofie vertrok vanuit het individu, het Cartesiaanse 'Ik denk dus ik ben”. Volgens Lévy is de bron van alle kwaad de Duitse filosoof Hegel. Hij is de man die in zijn geschriften over de dialectiek van de geschiedenis de onwereldse Goden van onze voorvaderen heeft vervangen door de even ongrijpbare maar toch wereldse God van de Geschiedenis, Geschiedenis met een hoofdletter. Geschiedenis gemaakt door mensen, al dan niet bewust, even ongrijpbaar als de Oude Goden maar wel zo fascinerend om er in te geloven.


donderdag 11 juli 2013

EL REVOLUCIONARIO


El Revolucionario, a digital photocompsoition of Petrus.

zaterdag 12 november 2011

DE VERLOREN STAD HAVANA



 Gisterenavond naar de film “Lost City” van Andy Garcia (Havana 1956) op dvd gekeken. De film speelt zich af in Havana in het laatste jaar van dictator Batista (1958) en het begin van de machtsovername van Fidel Castro en zijn maatje Che Guevara (1959). Een goede film al komt ie maar traag op gang. Hij eindigt met het democratisch failliet van de revolutie en het vertrek van de oudste zoon naar New York. Een Cubaans drama met veel muziek, liefde en naïeve passie voor de revolutie ondanks de waarschuwingen van de pater familias.

Toen ik in 1966 ging studeren kreeg de passie van de Cubaanse revolutie ook vat op mij net als op veel medestudenten, wetenschappelijke medewerkers en intellectuelen waaronder uiteraard onze nationale schrijver Mulisch. Jaren lang was ik geabonneerd op het Cubabulletin dat werd uitgegeven door Maria Snethlage die het ook vol schreef en stencilde en per post verstuurde. Dat was andere koek dan een pagina bijhouden op Faceboek.


Maar waarom viel ik indertijd voor een revolutie op een eiland heel ver weg in de Caraïbische zee waar ik nooit was geweest, er niemand kende en zelfs de muziek onbekend was voor me? Hoewel lid van de linkse kerk, wie was dat niet in de jaren zestig, was ik geen dogmatische ideoloog. Het moest allemaal wel een beetje speels blijven met tijd voor liefde en vriendschap, muziek met bijbehorende happenings, wietavonturen,  vakantiewerk enz.

Ik denk dat de Cubaanse revolutie iets beloofde waar ik toen maar al te graag in wilde geloven, namelijk een nieuwe mens en een nieuwe maatschappij van liefde, waar onderdrukking en armoede voortaan verleden tijd zouden zijn. Ik geef het toe, een romantische droom maar wat is een jeugd zonder romantiek?


Pas aan het begin van de jaren zeventig toen Castro de kinderen van zijn eigen revolutie begon op te eten, zag ik dat mijn droom kinderachtig en naïef was.  Mijn liefde voor de revolutie maakte daarop plaats voor boosheid op Fidel Castro en zijn maatjes die mijn droom hadden misbruikt om hun dictatuur te rechtvaardigen en zich het leven van de Cubanen toe te eigenen alsof het hun en niemand anders toebehoorde.

Voor mij nooit geen revolutie meer zonder de garantie van democratische waarden als vrijheid van vereniging, meningsuiting, rechtsstaat enz. In goede bedoelingen alleen geloof ik nooit meer net zo min als de pater familias in de film die zijn zoons waarschuwde voor een politieke revolutie zonder democratie.

Zo herkende ik mezelf ook een beetje in de film. Ik zou misschien wel net zo naïef zijn geweest als twee van zijn zoons die de kant van de revolutie kozen. Een stierf tijdens een heldhaftige maar ondoordachte aanval op dictator Batista. De ander pleegde zelfmoord toen hij klem kwam te zitten tussen loyaliteit aan zijn familie en aan het communisme. Gelukkig heb ik die keuze nooit hoeven te maken.