Posts tonen met het label ikv. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ikv. Alle posts tonen

woensdag 11 augustus 2021

14. HET KAN VRIEZEN, HET KAN DOOIEN. HOLLANDITIS

 

Een vrolijke koe met in haar buik het anti-atoomwapen symbool. Dat symbool was zo populair onder jongeren dat velen het met een ketting om hun nek droegen. (Een affiche van de ontwerper KAFAK. Zie: kafak.nl)

Voordat ik verder ga met de geschiedenis van het onbehagen in Nederland en de wereld, moet nog een bijzonder geval genoemd worden. In de vorige aflevering over de Club van Rome heb ik de vredesbeweging reeds genoemd die onder leiding van het Interkerkelijk Vredesberaad IKV en Pax Christi een brede verzetsbeweging op de been brachten tegen de plaatsing van kruisraketten. Misschien vergis ik me maar in Nederland was dit wel de grootste uiting van links onbehagen ooit. De oude neutraliteitspolitiek kreeg hierdoor bijna een nieuw jasje.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een patstelling tussen Rusland en Amerika met daar tussenin een verdeeld Europa, aan de ene kant een Europa dat hoorde tot het VS kamp en aan de andere kant Oost Europa dat hoorde tot de Sovjet kamp. Beide kampen waren op een gegeven moment tot de tanden gewapend met schietklare atoomraketten en alles wat daar militair strategisch bij hoort. Nederland hoorde bij het NAVO kamp.

Het onbehagen over deze Nederlandse positie werd onder de naoorlogse babyboomgeneratie, die zich ook al verzette tegen de Vietnamoorlog, groter naarmate de spanning tussen de VS en de Sovjet Unie steeg. In plaats van een wapenwedloop wilde men een vredesregeling. Vredesinitiatieven rezen als paddenstoelen uit de grond waarbij sommigen zo ver gingen om zich te scharen in het kamp van de Sovjet Unie. Vredesbeweging, anti-kapitalisme en communisme vonden elkaar in de afkeer van een agressieve opstelling van de VS. Dat groeiende linkse onbehagen, rechts voelde zich net zo onbehaaglijk maar was niet van plan concessies aan het communisme te doen, viel merkwaardig genoeg zo goed als samen met een groeiende welvaart.

Je zou bijna de hypothese kunnen formuleren dat naarmate de welvaart steeg, het onbehagen over het kapitalisme en niet te vergeten de consumptiemaatschappij tezamen met de Koude Oorlog en de wapenwedloop in de westerse samenleving groter werd. De naoorlogse generatie beschouwde de naoorlogse verhouding tussen Oost en West niet langer als een onwrikbaar gegeven. Er werd vooral ter linkerzijde flink gemorreld aan de vaststaande politiek ideologische en maatschappelijke opvattingen.
In Nederland werd het verzet tegen atoomwapens ‘Hollanditis’ genoemd alsof het om een virus ging. Vandaag de dag is het moeilijk voor te stellen hoe breed dat verzet was.

“‘Hollanditis’ is de term die gebruikt werd voor het Nederlandse verzet tegen de geplande plaatsing van kruisraketten in West-Europa, beginjaren 1980. Het begrip werd bedacht door de Amerikaanse geschiedkundige Walter Laqueur (geboren in 1921) in augustus 1981 in het artikel ‘Hollanditis: A New Stage in European Neutralism’. Hij wilde hierin onderstrepen dat de weerstand tegen kernwapens zich als een virus over Europa verspreidde. De Hollanditis bereikte in Nederland een hoogtepunt tijdens de grote anti-kruisraketdemonstraties in 1981 en 1983.” (website: historiek.net)

Het verzet tegen atoomwapens en bewapening breidde zich uit naar verzet tegen atoomenergie met de bouw van kerncentrales. Zo mondde het onbehagen uit tot een verzet tegen technologische modernisering. verzet tegen kernwapens en kernenergie werd de kern van het nieuwe onbehagen over de toekomst van de mensheid. Nederland werd geen kernenergieland maar bleef wel trouw aan de NAVO. Uiteindelijk zou de harde opstelling van de VS in 1989 tot de val van de muur leiden en de definitieve ondergang van de Sovjet Unie.  De tijd van het neutrale Nederland in een verdeeld Europa was nu voorgoed voorbij.

(wordt vervolgd)

 

zondag 5 mei 2013

GEACHTE HEER HELDRING

Bovenstaande foto is gemaakt in 1982 op een forum dat was georganiseerd door de toenmalige solidariteitsvereniging CLAT-Nederland. CLAT was een Latijns-Amerikaanse vakbeweging. 


Sinds zijn dood (27 april jl.) heb ik mooie en vooral ook lovende woorden over de NRC columnist en oud hoofdredacteur Heldring gelezen. Daar sluit ik me bij aan. Heldring was voor mij een anker in tijden van linkse verwarring over buitenlandse politiek. Na mijn terugkomst eind jaren 70 als oud VN en ILO medewerker in Latijns Amerika ontdekte ik dat er een heftige politiek ideologische strijd plaatsvond rond Latijns Amerika, Chili en later met name Midden Amerika waar toen net de Sandinistische revolutie in Nicaragua had plaatsgevonden (1979) en in El Salvador en Guatemala bloedige opstanden in volle gang waren.  


Ik vond hem een van de weinige betrouwbare analisten van de voornamelijk Nederlandse buitenlandse politiek omdat hij steeds rekening hield met de feiten. Dat mag nu gek klinken maar in die tijd wogen goede bedoelingen zwaarder dan feiten. Dat is gevaarlijk want het kan je het zicht benemen op wat er aan de hand is. Een van de mooiste voorbeelden daarvan was toen voor mij oud PvdA partijvoorzitter Max van den Berg. Die nam zonder enige kritische analyse de bewering van leiders van de Guatemalteekse opstandelingen over dat de Noord Amerikaanse president Reagan het voornemen had om met een atoombom in een klap een einde te maken aan de revolutionaire brandhaarden in Midden Amerika.

Toen ik dat in het PvdA partijblad las, heb ik het reisverslag zonder commentaar verstuurd aan Heldring. Die heeft daar toen in een van zijn columns een kort maar vernietigend commentaar aan gewijd. Ik heb daarna binnen de PvdA, waarin ik toen actief was las lid van de commissie Latijns Amerka, nooit meer iets over gehoord. In 1981 schreef ik Heldring een brief waarin ik mijn bezorgdheid uitte “dat in een aantal aktiegroepen met toenemend misprijzen over de demokratie wordt gesproken.” Ik schreef de brief naar aanleiding van een verslag van de IKV (Inter Kerkelijk Vredesberaad) studiedag “Kleine landen politiek, een strategie tegen de politiek van grootmachten”. Heldring zelf werd in dat verslag ook genoemd.

Heldring bedankte mij voor de brief en de bijlagen die hij met belangstelling had gelezen. Hij schreef daarna het volgende: “Indertijd heb ik de nota over de 'kleine-landenpolitiek” van het IKV gelezen. Ik was bitter teleurgesteld. Niet door de strekking, want die kon ik van tevoren wel raden, maar door de gebrekkige kwaliteit van het stuk. Ik vond de kwaliteit zo beneden de maat, dat ik besloot er geen aandacht aan te wijden in mijn rubriek. Ik vond dat jammer.” (14 september 1981).

Op 30 mei1983 stuurde ik Heldring een brief met als bijlage een interview met IKV internationaal secretaris Wim Bartels, mijn vroegere docent 'internationale betrekkingen' aan de voormalige Katholieke Universiteit van Nijmegen, in het blad 'Stella Maris' van de Nijmeegse politicologen. Ik maakte Heldring erop attent dat sinds het bezoek van Wim Bartels aan een vredesconferentie in Nicaragua, ooit het geliefde middel van o.a. de Sovjet Unie om de linkse vredesactivisten te betrekken bij hun politieke doelstellingen, het IKV zich ook meer ging bezig houden met Midden Amerika.

Hetlding bedankte mij voor de informatie: “Het zou mij anders niet onder ogen zijn gekomen. Hoewel ik, afgezien van de inhoud, de grootste moeite had met het jargon waarin Bartels zich uitdrukt (vooirtdurend dacht ik: wat bedoelt hij precies?), heb ik er toch wel wat interessants uitgehaald, zoals u waarschijnlijk in de krant van morgen (31 mei) kunt lezen.” Inderdaad, heb ik dat gelezen en in de bedoelde column met als titel 'Vredesberaad voor de keus' zette Heldring zoals bij hem gebruikelijk de zaken scherp op een rijtje. Het IKV zal uiteindelijk moeten kiezen tussen een vredesbeleid in samenspraak of samenwerking met de dissidenten in Midden en Oost Europa of met de regeringen in die landen.

In 1993 heb ik van Heldring nog een brief ontvangen als antwoord op een kopie van een ingezonden brief die ik hem gestuurd had. Dat was naar aanleiding van een column waarin hij o.a. de journalisten Herman Vuijsje en Max Arian er nog eens aan herinnerde dat ze hun engagement met de Chileense president Allende hadden verward met hun journalistieke taak. Voor Heldring een doodzonde. In zijn column van 17 september 1993 schreef Heldring het volgende: “Maar, gelukkig, de heren schamen zich nu een beetje niet zozeer voor hun engagement van toen – daar is ook geen reden voor: Allende was geen misdadiger – als wel omdat ze hun engagement zo sterk verwarden met hun journalistieke plicht. Arian zegt nu dat ze 'een schuld' hebben te voldoen. Ja, “het ergste is dat er nooit een intellectuele balans is opgemaakt. Wat hebben we er nu van geleerd?”

In zijn brief aan mij (4 oktober 1993) schreef hij daraover het volgende: “Overigens hebben zowel Max Arian als Herman Vuijsje gereageerd op mijn artikel van 17 september (in persoonlijke brieven aan mij). Vuijsje is helemaal niet boetvaardig. Arian eerder: hij vindt zelfs dat het lange artikel dat hij in de Groene van 2 juni jl. over het “derde-wereldisme” had geschreven, nog niet als “intellectuele balans” kan worden beschouwd. Ik zou er genoegen mee hebben genomen als ik er tijdig kennis van had genomen. Hoe dit ook zij – ik ben benieuwd wanneer die intellectuele balans, die hij terecht zo nodig vindt, dan wèl komt. Van Vuijsje hoeven we hem in elk geval niet te verwachten.”

De laatste brief die ik van hem mocht ontvangen was van 29 april 1999 (ik woonde toen al 7 jaar in België) ging over de afrekening met de Christen democratische politieke leider Martens in België. Ik geef onderstaand citaat uit die brief omdat daaruit blijkt dat Heldring nu ook weer niet zo pessimistisch was over de ontwikkelingen in Europa als sommigen denken: “ Toch ben ik niet volstrekt pessimistisch. Ik zag dat de benoemde president van de Europese Commissie, Romano Prodi, niet van plan is een landgenoot als chef van zijn kabinet te benoemen. Een unicum, dat misschien een precedent zal zijn.”

Waarmee maar gezegd wil zijn dat Heldring een precies oog voor politiek detail had en eerst de feiten liet spreken alvorens conclusies te trekken als hij die al trok. Voorwaar een groot maar vooral ook eerlijk en zuiver journalist. Een groot voorbeeld dat moeilijk na te volgen is.

Zie ook mijn blog 'Heldring' van 12 april 2012.

donderdag 12 april 2012

HELDRING


J.L. Heldring tijdens een forum van de solidariteitsvereniging met de Latijns Amerikaanse vakbeweging  CLAT-Nederland (1982). Aan zijn zijde Wim Jansen van het dagblad Trouw.

Begin jaren tachtig waren de buitenland columns van Heldring in NRC Handelsblad een houvast voor me. Ik was het grotendeels eens met zijn kijk op buitenlandse politiek die uitging van machtspolitieke verhoudingen, een analyse van nationale belangen en rekening hield met de rol van personen in de politiek als ook die van geschiedenis en tijdgeest.

Nu wordt dit als normaal beschouwd maar in de idealistische jaren tachtig waren machtspolitiek en nationaal belang voor de spraakmakende actievoerders verdacht en verwerpelijk. Het ontwikkelings - en vredeswereldje van actiegroepen en comités, NOVIB, de katholieke CEBEMO (tegenwoordig Cordaid), de protestantse ICCO, het Interkerkelijk Vredesberaad IKV, Pax Christi , PvdA Latijns Amerika Commissie (voorzitter Piet Reckman) en journalisten waren zwaar besmet door het socialistische virus. Zelfs democratie als basis voor ontwikkeling werd in vraag gesteld.

Dat was na mijn ervaringen in Midden Amerika onverteerbaar. Toen ik een verslag las van een IKV studiedag getiteld “Kleine landen politiek, een strategie tegen de politiek van de grootmachten” waarin misprijzend werd gesproken over Heldring en democratie, besloot ik hem te schrijven. Hij bleek de nota te kennen en schreef dat hij bitter teleurgesteld was, niet door de strekking, maar door de gebrekkige kwaliteit van het stuk.

Bijna 2 jaar later stuurde ik hem een interview toe met IKV secretaris internationaal Wim Bartels waaruit bleek dat het IKV van plan was zich ook op Derde wereld landen te gaan richten. In zijn column van 31 mei 1983 signaleerde Heldring daarop dat het IKV zich overschatte door te menen dat ze vanwege hun actie tegen de modernisering van de kernwapens op een welwillend oor konden rekenen van de Russische heersers.

In hetzelfde artikel constateert Heldring dat het IKV beleid in Midden en Oost Europa tegenstrijdig was door enerzijds vredesgroepen en dissidenten in Midden en Oost Europa te willen steunen maar anderzijds een dialoog te willen voeren met de regimes in die landen. Een spagaat die niet was vol te houden en door de dissidenten aldaar ook niet begrepen werd. Voor hen was dat vredespolitiek ten koste van hun strijd voor de mensenrechten.

We weten nu hoe het feitelijk is gegaan. De door president Reagan op gang gebrachte modernisering van de kernwapens, waar het IKV fel tegen was, heeft mede –niet alleen – Rusland en de Midden en Oost Europese dictaturen verzwakt en de dissidenten versterkt in hun oppositie (waaronder de Poolse vakbond Solidarnosc en de Tsjechische mensenrechtenbeweging Charta 77) wat uiteindelijk tot de val van de regimes aldaar leidde.

Waarschijnlijk heeft Heldring nooit beseft wat zijn stukken en mijn correspondentie met hem voor mij betekende. Des te meer dank ik hem voor beide. Ik beschouw hem als een leermeester en als een toeverlaat in tijden dat het wel eens moeilijk was om op het eigen kompas te vertrouwen.