Posts tonen met het label José Merced Gonzalez. Alle posts tonen
Posts tonen met het label José Merced Gonzalez. Alle posts tonen

vrijdag 26 juli 2024

51. AMERICA LATINA. MINISTER PRONK VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

 

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk (rechts) schudt de hand van José Merced Gonzalez, adjunct-algemeen-secretaris van het Wereld Verbond van Arbeid te Brussel, tijdens een speciale jubileum bijeenkomst in november1974. (foto: Ad van Dooren)

Dankzij de medewerking van bestuursleden van de vereniging en persoonlijke contacten worden de contacten met de vakcentrales NKV en CNV beter. Ze laten hun aarzelende houding tegenover CLAT en CLAT Nederland varen. Politiek voltrekt zich een gelijksoortige ontwikkeling. Dat is te danken aan de goede contacten die PPR Tweede Kamerlid Dolf Coppes. 

Dat alles - vakbonden en politieke partijen - maakte dat op regeringsniveau Minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking te kennen geeft mogelijkheden voor samenwerking met CLAT bonden in Latijns Amerika te zien.

In een interview in het maandblad ‘Onze Wereld’ van de NOVIB (15 juni 1974) spreekt hij de hoop uit dat het mogelijk zal zijn de vakbeweging in te schakelen bij het mede-financieringsprogramma. 

“Het is een belangrijke beweging in een aantal ontwikkelingslanden, die nog veel te weinig participeert in het ontwikkelingsproces en de hulpverlening. Binnenkort hebben we daar een gesprek over. En tenslotte hoop ik dat de Nederlandse regering ook direct hulp kan geven aan particulieren organisaties in ontwikkelingslanden zonder tussenkomst van organisaties in Nederland. Ik denk bijvoorbeeld aan directe hulpverlening aan bijvoorbeeld het CLAT , of aan de ANUC. Dat zou een belangrijke nieuwe dimensie in het projecten-programma van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid zijn.” (Blz.26 in Latijns Amerika, augustus 1974, 5e jaargang no.4)

Met deze opvatting schept minister Pronk een bredere basis voor ontwikkelingssamenwerking. Niet langer staat de samenwerking tussen en met regeringen voorop, al blijft die belangrijk, maar is er ook plaats voor samenwerking tussen particuliere organisaties in dit geval vakbonden. 

Het idee dat ook vakbonden in Nederland en de Derde Wereld betrokken kunnen worden bij de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking wordt gesteund door de bekende medefinancieringsorganisaties NOVIB ( links), Cebemo (katholiek) en Icco (protestants). 

In een interview dat minister Pronk heeft met Barend de Ronden van IKOR komen de opvattingen van CLAT algemeen secretaris Emilio Maspero die kunnen dienen als uitgangspunt voor samenwerking tussen vakbonden, aan de orde. 

Maspero waarschuwt voor het folkloristische derde-wereld-gedoe als een vorm van ontsnapping aan de werkelijke problemen moet worden vermeden. Wat ook vermeden moet worden is een zeker revolutionairisme dat in de plaats komt van het derde wereld folklorisme. Daarin wordt er vanuit gegaan dat als de rijke landen drastisch veranderen het vanzelf in orde zal komen in de arme derde wereld landen. 

Minister Pronk stelt vast dat het Derde Wereld folklorisme in de jaren zestig al is doorgeprikt. Daarvoor is een structurele aanpak voor in de plaats gekomen zoals de wereldwinkel beweging. Zij vertalen de problemen politiek. Zij laten zien “dat er een relatie bestaat tussen de problemen binnen de derde wereld, de problemen in de internationale verhoudingen tussen landen en de problemen binnen de rijke landen zelf.”

Vervolgens signaleert Minister Pronk dat er bewegingen zijn die de problemen loskoppelen van de derde wereld problemen. Dat zijn volgens hem de demokratiseringsbeweging en de milieubeweging. Tot slot vindt hij dat “het noodzakelijk is om door te gaan met politieke akties - maar ze zullen moeten worden overgenomen door regeringen; anders kan het niet; de activiteiten van aktiegroepen zijn er ook op gericht om te resulteren in konkrete politieke beslissingen - door te gaan met dat soort activiteiten, die te maken hebben met het hard maken van de relatie van problemen van rijke landen. Ze kunnen alleen maar in onderlinge samenhang worden opgelost.” (Blz. 26-27 in Latijns Amerika augustus 1974, 5e jaargang no.4)

vrijdag 16 februari 2024

29. AMERICA LATINA. PIKANTE SOEP IN BRUSSEL

José Merced Gonzalez zit als WVA Verbondssecretaris aan de bestuurderstafel van CLAT tijdens de opening van de Arbeidersuniversiteit UTAL in San Antonio de los Altos in Venezuela in 1975. Links Victor Durán verbonden aan de UTAL. Rechts Rangel Parra, voorzitter van de Latijns Amerikaanse Federatie van Boerenbonden FCL. 


Het moest ervan komen dat ook ik op bezoek naar het buitenland zou gaan. Niet naar Latijns Amerika, dat is te duur  maar naar Brussel waar het Wereld Verbond van de Arbeid zetelt. Als lid van het WVA heeft CLAT er een eigen verbondssecretaris in de persoon van de Mexicaan José Merced Gonzalez. Ter kennismaking heeft hij CLAT Nederland gevraagd een bezoek aan hem te brengen in de WVA burelen. 

Een goed idee want de kracht van onze vereniging zijn de contacten in het continent. Het maakt ons tot een van de best geïnformeerde instellingen over Latijns Amerika. Informatie die ook nog eens komt van een van de meest kwetsbare groepen, de boeren en de arbeiders. Zij geven ons een onschatbare kijk op de sociale, politieke en economische werkelijkheid van Latijns Amerika. José zit in Europa als een spin het CLAT web.

Aangezien het volop winter is met overal sneeuw op de weg, besluit ik met het openbaar vervoer te gaan. Ik neem de sneltram naar het Centraal Station in Utrecht en om vandaar met de trein naar Brussel te reizen.

Helaas werkt het openbaar vervoer in tijden van nood niet altijd zoals gewenst. Nog maar net op weg naar Utrecht stopt de tram. Bang dat ik mijn trein in Utrecht ga missen, vraag ik meteen de trambestuurder of dit lang gaat duren. Minstens tien minuten maar het kan ook langer zijn.

Dan ga ik de trein naar Brussel missen. Ik neem snel een besluit. Ik stap uit en loop in lichte draf terug naar huis alwaar ik mijn tweedehandse Renault 4 start. Tot aan de Belgische grens bij Breda valt het met de sneeuw op de weg nog mee. Er is afdoende gestrooid. 

Eenmaal op de snelweg naar Antwerpen is het andere koek. Er ligt een dik pak sneeuw met diepe sporen aan een kant van de tweebaansweg. Ik nestel mijn autootje in het spoor. Er is gelukkig heel weinig verkeer zodat ik niet hoef in te halen of andere eventueel risicovolle manoeuvres hoef uit te halen. Ik kom heelhuids en op tijd aan in Brussel.

José leidt mij rond door de eenvoudige kantoren van het WVA, veel eenvoudiger dan ik me van een internationale organisatie had voorgesteld. De kantoren zijn ondergebracht in een oud Brussels pand, de vergane glorie van een voormalige herenhuis. Tezamen met de zware, oude en ouderwetse bureau's maakt het een bijna armoedige indruk.  Het Wereld Verbond is in ieder geval geen rijke club. 

José vraagt honderduit over de vereniging en mijn werk. Uit zijn vragen maak ik op dat hij moeite heeft om zich voor te stellen wat of wie we zijn. Waarom bestaat in Nederland een solidariteitsvereniging met uitgerekend de Latijns Amerikaanse vakbeweging? Waarom zou je lid worden van een vereniging die solidariteit organiseert ver weg van eigen haard en huis?

Hoe gaat zo een vereniging te werk en waar komt het geld vandaan? Mijn uitleg helpt hem om er iets van te snappen maar het blijft moeilijk te plaatsen. Een reden om hem uit te nodigen naar ons kantoor aan de Nieuwe Gracht zodat hij met eigen ogen kan zien wie we zijn en wat we doen.

Ter afsluiting van mijn bezoek, nodigt José me uit bij hem thuis te eten. Dat sla ik niet af. Ik ben nieuwsgierig naar zijn huis en haard. Het is bovendien een manier om de banden aan te halen. 

Zijn vrouw is hartelijk en zwijgzaam. Haar enige zorg is of ik wel tegen pikant eten kan. Met in mijn achterhoofd het zogenaamde pikante eten in Colombia, een doodgewone kaasfondue vonden ze daar al erg pikant, verzeker ik haar dat het geen probleem is.

Tot mijn verrassing eten de Mexicanen wel degelijk pikant, super pikant. Colombia is niet te vergelijken met Mexico. De opgediende soep is pikanter dan ik ooit in mijn leven heb gegeten. Ik krijg tranen in mijn ogen en begin te zweten. Mijn hoofd wordt warm. Ik drink gauw veel water en eet stukken brood waarvan er gelukkig genoeg op tafel staan. Voorovergebogen probeer ik mijn bord zo normaal mogelijk leeg te lepelen.