Posts tonen met het label stalinisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stalinisme. Alle posts tonen

woensdag 25 februari 2015

HET DICHTERLIJKE COMMUNISME VAN PABLO NERUDA (deel 2)

In hetzelfde jaar 1951 dat hij verliefde dagen met Matilde Urrutia op het Italiaanse eiland Capri doorbracht (zie deel 1), bezocht hij samen met zijn tweede vrouw Delia de Carril (1884 - 1989) de Oost Duitse communistische dictator Erich Honecker en zijn  vrouw (beiden links). (foto uit het Duitse Bundes archief). De romance tussen Neruda en Carril begon in 1934 en duurde 20 jaar. Hij was toen nog niet gescheiden van zijn eerste vrouw de Nederlandse 'Maruca' Hagenaar. Uiteindelijk liet hij die met zijn dochter Mana achter in Monaco.

Neruda was daarentegen druk met door de Sovjet Unie opgezette vredesprijzen. “Ik bezocht China 2 keer na de revolutie. De eerste keer was in 1951, het jaar waarin het mijn beurt was om aan de missie deel te nemen om de Lenin Prijs voor de Vrede (toen nog 'Stalin Prijs voor de Vrede' geheten) te brengen naar mevrouw Sung Sin Ling, de weduwe van Sun Yat Sen. Zij kreeg die gouden medaille op voorstel van Kuo Mo Jo, vice-president van China en schrijver. Kuo Mo Jo was bovendien samen met Aragon ook vice-president van het comité voor de prijs. Van de jury waren ook lid Ana Seghers, de cineast Alexandrov, nog een paar die ik me niet herinner, Ehrenburg (kreeg de prijs in 1951) en ik (Neruda kreeg de prijs in 1953). Er bestond een geheime alliantie tussen Aragon, Ehrenburg en mijzelf waardoor we het klaar speelden dat de premie in andere jaren werd uitgereikt aan Picasso (1962), Bertolt Brecht (1954) en Rafael Albert (1964).” (blz. 281)

Toen Neruda de prijs kreeg, heette die nog de Stalin Prijs voor de Vrede. De prijs was bedoeld als Communistisch alternatief voor de Nobelprijs voor de vrede. In tegenstelling tot de Nobelprijs konden meerdere personen per jaar de Prijs ontvangen. Na het beruchte 20ste Congres waarop Stalin beschuldigd werd van het organiseren van de showprocessen en de moord op miljoenen gevangenen in concentratiekampen, werd de naam veranderd in Lenin Prijs voor de Vrede. Neruda schrijft daar niks over. Hij schaamt zich er in zijn boek nooit voor dat hij altijd de vriend is geweest van de officieel erkende schrijvers in Rusland, China en later ook Cuba. Zijn beste vriend onder de Sovjet schrijvers is Ilya Ehrenburg (1891-1967). Hoewel deze Bolsjewist af en toe twijfelde aan de Russische revolutie bleef hij de Sovjet Unie trouw dienen. In zijn latere leven werd hij zelfs afgevaardigde in de Opperste Sovjet.

Tijdens zijn ballingschap in Parijs in de periode van 1908 tot aan de Revolutie in 1917 raakte Ilya Ehrenburg bevriend met Pablo Picasso, de Mexicaanse schilder Diego Rivera en Amadeo Modigliana. Vermoedelijk heeft hij in die jaren de basis gelegd voor de latere internationale communistische artistieke kring die vanwege hun afkeer van het (Spaanse) Fascisme de kant van de communisten kozen en dan vooral de Sovjet Unie.  Daartoe behoorde dus Neruda, Picasso (die zijn leven lang lid bleef van de Franse Communistische Partij) de Mexicaanse schilders Siquieros en diens vriend Diego Rivera (blz. 213) en anderen. Siquieros
 zou als belijdend Stalinist betrokken zijn geweest bij een (mislukte) moordpoging op Trotski.

Er moet in die tijd in de Mexicaanse kunstenaarswereld een broeierige sfeer gehangen hebben. Zo was Frieda Kahlo - de minnares van Diego Rivera - ook een tijdje de minnares van de bij Stalin in ongenade gevallen Trotski in Mexico-stad. Het paar Rivera/Kahlo bekeerde zich echter na verloop van tijd van Trotskisten tot Stalinisten. Daarom werd het door de Mexicaanse politie er van verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op Trotski die uiteindelijk uitgevoerd werd door een agent van Stalin. (1940).

Pablo Neruda (links) met de Mexicaanse schilders Diego Rivera (naast Neruda) en Alfaro Siquieros tijdens de onderkenning van het boek dat in 1950 in Mexico werd gepubliceerd.

Neruda maakte kennis met deze Mexicaanse schilders kennis in het jaar 1940 van de moord op Trotski als hij als diplomaat van de Chileense regering naar Mexico wordt gestuurd. Rivera noemt hij terloops een “prachtige charlatan”.(blz. 212) Hij bezoekt Siquieros die in de gevangenis zit omdat zoals Neruda bagatelliserend schrijft “iemand hem had beschuldigd van een gewapende inval in het huis van Trotski.” Neruda spant zich als Chileens diplomaat in om Siquieros een vrijgeleide naar Chili te bezorgen. Hij is er trots op dat hij het visum zelf in het paspoort van Siquieros en diens vrouw heeft gezet. Over de moord op Trotski en Stalin schrijft hij niets.

In zijn poëtische verslag van zijn reis naar China in 1957 ontdekt hij echter iets wat hem bij Stalin duur te staan is gekomen, namelijk de persoonsverheerlijking van Mao. “Met de zaak Stalin heb ik mijn dosis persoonscultus gehad. Maar in die tijd was Stalin voor ons de overweldigende overwinnaar van Hitler's legers, als de redder van de menselijkheid in de wereld. De degeneratie van zijn persoonlijkheid was een mysterieus proces, tot op vandaag een raadsel voor velen van ons.” (blz.325) Hoezo merkwaardig of mysterieus? Stalin ensceneerde al in de jaren dertig showprocessen, vervolgde kritische kunstenaars en liet Trotski ondanks diens verbanning naar het buitenland alsnog vermoorden. Bovendien had Lenin zijn partijbroeders al gewaarschuwd voor de onbetrouwbare kameraad Stalin.

Maar Neruda had geen oog voor deze en andere feiten. Als romanticus bleef hij geloven (of was het zich vastklampen? ) aan het communisme als de juiste politieke leer die uiteindelijk zou overwinnen. Daarom had hij alleen oog voor de strijd van Stalin tegen Hitler. Het niet aanvalsverdrag dat Stalin eerder met Hitler sloot in het beruchte 'Molotov – VonRibbentroppact' (1939), dat leidde tot de opdeling van Polen tussen Rusland en Duitsland, was voor Neruda geen enkele reden tot twijfel. 

Neruda geloofde in de romantiek van het communisme dat het goede in de mens zal overwinnen en eeuwige broederschap onder de mensheid zal brengen. Waarom dan de praktijk van Stalin en het Sovjet Communisme daar helemaal niets van terecht brengen, anlyseert hij in zijn dichterlijke autobiografische boek nergens. Het is een geloof, een overtuiging die los staat van de werkelijkheid en de feiten. Stalin en het Stalinisme beschouwt hij als een vervelende onderbreking van zijn droom. Vraag is, hoe lang kan men zijn ogen sluiten voor de gruwelijke feiten uit naam van een ideologie? Zijn dichterlijke communisme maakte hem tot een opportunist die zich liet fêteren door de Communistische autoriteiten en de Partij. Daarom ook liet hij zich niets gelegen liggen aan zijn vervolgde Russische dissidente collega schrijvers.

Trouwfoto van de Chileense consul Pablo Neruda met de Nederlandse Maria  Antonia Hagenaar Vogelenzang. Zij trouwden in 1930 in Batavia, de hoofdstad van wat toen nog Nederlands Indië heette.

Een apart verhaal is zijn eerste huwelijk. Ook daarin laat hij zich meeslepen door zijn dichterlijke vrijheid. Dat zijn liefde voor zijn eerste vrouw snel uitdoofde kan gebeuren maar dat je in je autobiografie niet eens de moeite neemt om meer over haar de schrijven dan een paar spaarzame regels en voor de rest het woord te geven aan je biografe, lijkt op verraad. Hij heeft nadat hij haar in Monaco had achtergelaten met hun ziekelijke dochter Malva Marina, nooit meer contact met ze opgenomen.

Mijn eenzaamheid werd twee keer zo erg. Ik dacht erover om te trouwen. Ik had een creoolse leren kennen, ik moet zeggen een Nederlandse met enkele druppels Maleis bloed, die ik leuk vond. Het was een grote, zachte vrouw, volkomen onbekend met de wereld van de kunsten en de letteren. ( Jaren later, mijn biografe en vriendin Margarita Aguirre schreef over dit mijn huwelijk het volgende: “Neruda ging in 1932 terug naar Chili. Twee jaar daarvoor was hij getrouwd in Batavia met Mana Antonieta Agenaar (haar volledige naam was Maria Antonieta Hagenaar Vogelzang), een jonge Nederlandse die op Java woonde. Zij is er erg trots op de vrouw te zijn van een consul en heeft van Amerika nogal exotische idee. Ze spreekt geen Spaans en begint het te leren. Maar er is geen twijfel mogelijk dat ze niet alleen de taal is die ze niet leert. Ondanks alles is haar sentimentele band met Neruda erg sterk en je ziet ze altijd samen. Maruca, zo noemt Pablo haar, is erg groot, langzaam , gehecht aan hiërarchie.”). (blz.148-149)

De Nederlandse schrijfster Pauline Slot heeft zich met een boek over het leven van Maria Hagenaar, getiteld 'En het vergeten zo lang' (2010) over deze vergeten liefde van Neruda ontfermd. De onderstaande passage komt uit een VPRO bespreking van dat boek door Katje de Bruin, getiteld 'Een klein vergeten leven' . “Ooit heette ze Maria Antonia Hagenaar. Familie noemde haar Non. Maar vanaf het moment dat ze haar jawoord gaf aan Neftalí Ricardo Eliecer Reyes Basoalto (Pablo Neruda) heette ze Maruca Reyes. Zo zou ze zichzelf haar leven lang blijven noemen, ook nadat haar echtgenoot zijn naam al lang in Pablo Neruda had veranderd en niets meer van haar wilde weten. Maruca ontmoette de dichter in Batavia, waar zij was opgegroeid en waar hij een diplomatieke post bekleedde. Al gauw verlieten ze Java, om te beginnen aan een roerig huwelijksleven dat bestond uit een eindeloze reeks verhuizingen. Ze woonden in Santiago, in Buenos Aires, in Madrid, in Barcelona en waren een paar keer samen in Den Haag. Gedurende de jaren die volgden moest Maruca afscheid nemen van alles wat haar dierbaar was: Indië, haar moeder, haar man, haar kind en haar status.“


De dichterlijke vrijheid ging bij Neruda zover dat hij zelfs zijn verantwoordelijkheden tegenover zijn eerste vrouw maar vooral hun kind gewoonweg veronachtzaamde. Het in het communisme zo beleden beginsel van solidariteit kon hij niet voor zijn eerste vrouw en hun kind opbrengen. Terwijl zijn eerste vrouw en kind in armoede leefden in Nederland, werd hij als dichter alsmaar rijker en beroemder. 

maandag 23 februari 2015

HET DICHTERLIJKE COMMUNISME VAN PABLO NERUDA (deel I)

De voorkant van het autobiografische "Neruda, Confieso que he vivido"
(Ik bekend dat ik heb geleefd). De onderste foto is gemaakt in zijn huis
'La Chascona' in Santiago. Tegenwoordig is het een museum.

Reizend door Chili kom ik op het idee om de autobiografie van Pablo Neruda (1904-1973) te lezen: “Neruda, Confieso que he vivido” (Ik beken dat ik geleefd heb), een uitgave van Pehuén 2005. Een mooie gelegenheid om eens aan de hand van zijn eigen geschrift uit te zoeken wat deze dichter en Nobelprijswinnaar voor litteratuur (1971) bezielde om zijn leven lang communist te blijven. Het blijkt een wat men zou kunnen noemen dichterlijke autobiografie te zijn. Dichterlijk in de ouderwets of is het klassieke zin van het woord; veel omhaal van woorden, (politieke) romantische passie en getuigenissen.

Ik moest lijden en strijden, liefhebben en zingen; ik kreeg mijn deel van de wereld, de zege en de nederlaag, ik probeerde de smaak van het brood en het bloed. Wat wil een dichter nog meer? En alle alternatieven, vanaf het verdriet tot aan de kussen, vanaf de eenzaamheid tot aan het volk, overlevend in mijn poëzie, handelend in haar, want ik heb geleefd voor mijn poëzie en de poëzie heeft mij door worstelingen heen geholpen. Bij alle beloningen die ik gehad heb, vluchtige beloningen als vlinders die gelijk pollen ontsnappen, was een hoofdprijs, een prijs die velen minachten omdat hij voor velen onbereikbaar is. Door de harde les van de schoonheid, ben ik de dichter van mijn volk geworden.” (blz. 236)


De eetkamer in 'La Chascona' het voormalige woonhuis van Neruda in Santiago. Het huis is door Neruda gebouwd als een soort geheim liefdesnest voor hem en zijn  minnares Matilde Urritia met wie hij in 1963 trouwde. Voor haar schreef hij de liefdesgedichten in 'Los versos del Capitan' in 1951. Het hoofdstuk dat hij hieraan wijdt in zijn autobiografie heet ook 'Los versos del Capitan'. (290-296). Hij heeft de gedichten geschreven op het Italiaanse eiland Capri, waar hij samen met Matilde tijdelijk in een villa woonde, hen aangeboden door don Erwin, 'eigenaar van half Capri' zaldus Neruda.

Halverwege zijn autobiografie stuitte ik op deze dichterlijke passage van Neruda over de band tussen zijn poëtische en politieke geloof. Poëzie in dienst van het volk. Kan het romantischer en  Latijns Amerikaanser? De dichter die ten strijde trekt voor zijn volk. Voor Neruda is dat een volk van onderdrukte en uitgebuite mijnwerkers, arbeiders en armen. Net als bij de meeste communisten vallen ook bij Neruda volk en arbeidersklasse in de brede betekenis van het woord samen. Een misverstand dat tot veel politieke verwarring en erger heeft geleid.

Dat misverstand is begonnen in de Spaanse burgeroorlog, zoals trouwens bij veel intellectuelen en kunstenaars in die tijd. Zijn keuze voor het communisme wordt geboren enerzijds uit verachting voor de anarchisten die hij in Madrid tijdens de burgeroorlog leerde kennen. Volgens Neruda lijden die aan eigendunk en zelfgenoegzaamheid, ijdeltuiterij en opgeblazen heldenstatus anderzijds uit bewondering voor de communisten die “de enige georganiseerde macht waren die een leger vormde om het hoofd te bieden aan de italianen, de duitsers, de moren en de falangisten. En tegelijkertijd waren ze de morele kracht die het verzet en de anti-fascistische strijd overeind hielden.” (blz. 186) De rest van het hoofdstuk “Ik koos een weg” , het hoofdstuk waar hij zijn liefde voor het communisme belijdt (blz. 185 – 204), gaat over de Spaanse communistische dichter Rafael Alberti die voor hem een voorbeeld is. 

Pablo Neruda met zijn vrouw Matilde Urrutia (1912 - 1985), zijn derde vrouw, in Moskou met uitzicht op het Rode Plein. 
Met zijn keuze hoorde Neruda tot de “twintigste eeuwse communistische artistieke klasse” of liever “de twintigste eeuwse Sovjet communistische artistieke klasse” waartoe veel beroemd geworden West en Oost Europese kunstenaars behoorden, maar ook Russische en zelfs Chinese kunstenaars. In het boek maak je o.a. kennis met de Mexicaanse schilders Diego Rivera en Siqueiros, de Franse surrealistisch schrijver/dichter Paul Eluard, de Spaanse kunstschilder Picasso, de Italiaanse fotografe Tino Modotti enz. 

In 1949 brengt hij zijn eerste bezoek aan de Sovjet Unie. “Ik hield van het begin van de Sovjet grond en begreep dat vandaar niet alleen een morele les vertrok naar alle uithoeken van het menselijk bestaan, in gelijkheid van kansen en een groeiende vooruitgang in productie en verdeling maar ik voelde ook aan dat vanuit dit land van steppen, met zoveel pure natuur, een grote vlucht zou beginnen. De gehele mensheid beseft dat daar gewerkt wordt aan de reusachtige waarheid en dat de wereld verbijsterd wacht op wat er gaat gebeuren. Sommigen dachten aan terreur, andere wachtten simpelweg, anderen dachten te voorvoelen wat zou komen.” (blz.268)

Het is alles dichterlijke bewondering voor de Sovjet Unie, zonder ook maar een spoor van twijfel, nadere beschouwing of analyse. In 1949 was de Koude Oorlog al uitgebroken. Terwijl het de strijd van Stalin tegen het fascisme bewondert, besteedt hij in zijn boek nergens enige aandacht aan Engeland, de Verenigde Staten, Canada zeg maar de westerse democratieën die toch ook grote offers brachten en inspanningen hebben geleverd in de oorlog tegen Duitsland. De oorlog tegen Japan bestaat in zijn wereld zelfs niet.

De ontmaskering van Stalin met zijn moorddadige showprocessen en moorddadige concentratiekampen door Chroesjtsjov op het 20ste en 22ste Communistische Partijcongres (1956 en 1961) brachten Neruda niet van zijn geloof af in de Sovjet Unie en het Sovjet communisme. In zijn verslag over zijn tweede reis naar China (1957) wijdt hij er slechts een kleine overdenking aan. “Het document van het 20ste Congres was een golf die ons en alle revolutionairen, naar nieuwe situaties en conclusies bracht. Sommigen voelden het als geboren worden uit nood als gevolg van de harde onthullingen, het gevoel opnieuw geboren te worden. We worden vrij van duisternis en angst , paraat om door te gaan op de weg met de waarheid in de hand.” (blz. 322) Overigens prijst hij in dat verslag de Chinese Revolutie op dezelfde dichterlijke bijna  pathetische manier als de Russische Revolutie.

Geen wonder dus dat hij een schrijver en tevens Nobelprijswinnaar voor litteratuur, de Rus Boris Pasternak (de schrijver van o.a. Doctor Zhivago) neerzet als een “eerlijke reactionair die bij de omwenteling in zijn vaderland niet verder kon kijken dan een verlichte koster.” (blz. 269) In de rest van de volgende 200 bladzijden in zijn boek tot aan het jaar 1973 besteed hij geen enkele aandacht aan dissidente schrijvers of dichters in de Sovjet Unie. Geen Jevgenia Ginsberg, geen Nadezjda Mandelstam, geen Andrej Sinjavski, geen Jelena Bonner en Andrey Sacharov, geen Andrei Amalrik en zelfs geen Alexandre Solsjenitzin. Hoe het mogelijk is dat een dichter en diplomaat als Neruda deze schrijvers met hun processen, jarenlange opsluitingen en verbanningen nergens in zijn boek noemt, is mij een raadsel.







maandag 6 oktober 2014

HET COMMUNISME VAN SARTRE ALS GELOOFSAKT (5)

Sartre tussen Marx, Engels en Stalin.
Professor Dr. R.C. Kwant (1918-2012) graaft niet zo diep naar de bekering van Sartre tot het communisme in zijn bijdrage getiteld “Jean Paul Sartre” in de bundel “Filosofen van de 20e eeuw” (Van Gorcum/Intermediar 1974, blz. 113-123) als Bernard-Henri Lévy in zijn boek “De eeuw van Sartre, een filosofische zoektocht” (zie mijn vorige blogs), maar dat kan ook niet in zo'n kort overzicht. Niettemin signaleert Kwant ook de vreemde bekering van Sartre tot het communisme.“Sartre is steeds meer onder invloed is komen staan van het Marxisme. Dit bevreemdt aanvankelijk. Immers, Sartre benadrukt bij uitstek het strikt persoonlijke, de volstrekte vrijheid. Het marxisme benadrukt het sociale. Marx spreekt denigrerend over de persoonlijke vrijheid.” (blz.118)

Bij Lévy krijgt Sartre belangstelling voor wat hij noemt “het sociale” tijdens zijn verblijf in een kamp tijdens de Tweede Wereld oorlog. Een sociaal psychologische verklaring voor de start van Sartre's odyssee naar het sociale die eindigt bij het marxisme. Kwant daarentegen geeft een filosofische verklaring voor de aanpassing van Sartre's existentialisme aan het marxisme. Sartre zou tot de ontdekking zijn gekomen (misschien in het kamp?) dat hoewel de mens geboren wordt in volstrekte vrijheid, hij die vrijheid in de praktijk niet kan realiseren. Op zoek naar een verklaring voor dat gebrek aan werkelijke of echte vrijheid stuit Sartre volgens Kwant op het marxisme.

Wij werden, aldus Sartre, tijdens de bourgeoisperiode opgevoed in de bourgeoisideologie. Wij werden overladen met denkbeelden die geacht werden algemeen geldig te zijn, die echter ontworteld waren. Wij waren die ontwortelde denkbeelden moe en trokken ons terug in onszelf, in onze individuele existentie, in onze vrijheid. Vandaar de aanvankelijke benadrukking van de individuele vrijheid. De bevrijdingsbeweging, het marxisme, bestond reeds, maar wij kenden haar slechts als één van de vele theorieën. Wij hadden niet door dat in deze doctrine het werkelijke leven aan het woord kwam. Helaas ontwortelde ook het marxisme. Van vrijheidsvisie werd het vrijheidssyteem. Als syteem werd het opgelegd, en daardoor hield het op een echte bevrijdingsbeweging te zijn.”

Ik vind dit een onduidelijke verklaring. Voor de tijd van de bourgeoisie aanbrak was er immers ook geen werkelijke vrijheid? Ondertussen stelt Sartre wel vast dat de vrijheidsvisie van het marxisme faalt omdat het ontaardt in een vrijheidssysteem. Sartre zelf werkt dat uit, aan de hand van het regime van Stalin, maar hij weigert daaruit de conclusie te trekken dat volledige bevrijding en vrijheid niet mogelijk zijn. “Hij heeft immers op zeer scherpe wijze de onvrijheid geanalyseerd welke uit de marxistische bevrijdingsbeweging ontstaan is tijdens het regime van Stalin. Er was toen, volgens zijn eigen woorden, een soort pyramide en de door Marx beoogde vrijheid was slechts aanwezig aan een onbeschrijflijk kleine top, namelijk bij enkele tientallen leiders van een miljoenenvolk.” (blz.121)

Sartre blijft dus ondanks zijn eigen analyse blind voor het menselijk tekort dat de geschiedenis van de mensheid heeft getekend tot op de dag van vandaag. Hoe kan het dat je als filosoof, je niet tot het besef komt dat volmaakte vrijheid, volmaakt geluk, volmaakte schoonheid, volmaakte onschuld enz. niet bestaan en ook niet kunnen bestaan? Volgens Kwant komt dat omdat Sartre de vrijheid en de bevrijding tot die vrijheid te absoluut opvat. Daarmee is het volgens Kwant niets meer of minder dan een geloofsact. “Op deze wijze kunnen wij zowel het begin – als het eindpunt van Sartre's filosofie aanduiden: hij begint en eindigt met een blinde geloofsakt. Hij begint met het geloof in dé vrijheid, hij eindigt met het geloof in dé bevrijdingsbeweging...Maar wat indien begin en einde mythen zijn?

Het gaat dus om een blinde geloofsakt van Sartre in dé vrijheid en later in dé bevrijding, een niet zien van de werkelijkheid. Dat is haast onbegrijpelijk voor een filosoof als Sartre die zich met de existentie van de mens bezighoudt. Sartre beseft onvoldoende dat beide weliswaar in ons voorstellingsvermogen absoluut kunnen zijn maar dat ze in de wereld van alledag buiten ons bereik liggen. Het zijn mythes waarmee we trachten de kloof tussen voorstelling en werkelijkheid, tussen droom en daad te overbruggen.

De radicaliteit van Sartre maakte hem aldus kortzichtig over de politieke werkelijkheid in China, Rusland én Cuba en wat hij wel zag vergoeilijkte hij met het oog op de toekomst, het paradijs van de vrijheid. Hij bleef ziende blind, zoals trouwens velen met hem in zijn tijd, de tijd van na de Tweede Wereldoorlog toen het kwaad van het nazisme nog als een zwarte rookwolk boven de wereld hing. Zijn onmogelijke verlangen naar de volmaaktheid van onze vrijheid met hulp van een totale bevrijding naar het recept van Marx, maakte hem daardoor ook blind voor de politieke democratie, die immers gebaseerd is op het besef van het menselijk tekort, het besef van de verleidingen van het kwaad van de macht, de ijdelheid en de heerszucht.

Sartre wilde voor iets groters gaan, de radicale vrijheid met hulp van een al even radicale bevrijding. Maar wie niet tot het inzicht komt dat zoiets onmogelijk is, staat bloot aan de verleiding om uit naam van die mythen, die geloofsakt zoals Kwant het noemt, misdaden tegen de menselijkheid te begaan. Misdaden als gevolg van de hoogmoed om het menselijk tekort te aanvaarden.


De meeste mensen komen gelukkig gaandeweg, soms tot hun schade en schande, tot het inzicht dat volmaakte vrijheid en bevrijding buiten ons bereik ligt. Dat we altijd weer tekort schieten, bewust of onbewust, gewild of ongewild. We kunnen een besef hebben van het volmaakte, we kunnen er naar verlangen maar kunnen het in de wereld niet bewerkstelligen. In wezen is dat het diepste drama van de mensen. Een drama dat voor ieder van ons pas eindigt met de dood. De dood is de punt die achter onze onvolmaaktheid gezet wordt. Sterker nog, de dood herinnert ons voortdurend nog tijdens ons leven aan onze onvolmaaktheid. De dood is als het ware ons waarschuwingsbord niet te bezwijken voor de gedachte dat het volmaakte binnen handbereik ligt.