Posts tonen met het label cobra. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cobra. Alle posts tonen

dinsdag 24 september 2019

IK HOU VAN HOLLAND


petrus nelissen, "Ik Hou van Holland", tweeluik, acrylverf op canvas, 2016, 75 x 110 cm

Korte Lezing gehouden in het Museum Jan Cunen te Oss bij bovenstaand schilderij.

Op dit zo op het eerste oog slordig geschilderde schilderij (acrylverf op canvas 2016), zie je twee van de belangrijkste symbolen van Nederland: de bekende molen en de Nederlandse driekleur rood-wit- en blauw met daarbij de tekst “Ik hou van Holland”.

Om met het laatste te beginnen. Het is een verwijzing naar een lied met dezelfde titel. Het zeemanslied is geschreven in 1937 door Willy Schootemeyer. Op de voorpagina van de oorspronkelijk uitgave van de tekst zie je een vaart met een typisch Nederlands zeilschip met aan de kant een molen en in de verte een kerk met huizen, een Nederlands dorp of stadje verbeeldend. Het bekende plaatje van Nederland dat gegrift staat in ons nationale geheugen. Ik heb de oorspronkelijke versie van het lied nooit gehoord wel de populaire versie van zanger Heintje in 1970.

In het lied wordt een lieflijk landje aan de Zuiderzee bezongen, met bloeiende bollen, bossen, hei, blonde duinen in een rij, met koetjes en weiden, molen aan de vliet. Een beeld dat nog wel bestaat maar al in de tijd van Heintje door de vooruitgang werd aangetast. Het is een nostalgisch beeld, een verlangen naar vroeger. In dit schilderij wankelt dit mooie plaatje van Nederland. De verf is losjes gehanteerd en druipt er vanaf alsof het beeld zelf langzaam van het doek druipt tot het niet meer te zien is.

Maar er is meer. De molen verwijst ook naar de molen van Piet Mondriaan, een van onze grootste moderne schilders. Mondriaan wilde met zijn strak gecomponeerde schilderijen, met zijn primaire kleuren de toekomst verbeelden van een nieuwe harmonieuze orde. Zijn eerste stappen op weg naar een abstracte verbeelding  van die nieuwe orde was een molen bij zonlicht.




Piet Mondriaan, 'Molen bij Zonlicht', 1908



“In 1908 schilderde Mondriaan dit werk in Abcoude. Hij had werken van van Gogh en Matisse gezien op een tentoonstelling en was gegrepen door de techniek. Ook het kleurgebruik, de fellere kleuren spraken hem aan. Maar hij verwerkte het in dit schilderij nog meer (primaire) kleur dan er in werkelijkheid was en maakte zich zo ook los van het realisme. Het was een voortzetting van het Franse (neo) impressionisme. De kunstenaar brengt hiermee een andere, intensere visie op de werkelijkheid naar voren. Hij zocht hiermee al naar een nieuwe vorm om zijn visie over te brengen. Dit werk is opgenomen in de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag.” (website  “Holandsche Meesters)

Mijn zwarte druipende molen is mijn vraagteken bij Mondriaan's idealisme van een harmonieuze samenleving. Het schilderij drukt mijn ongeloof uit in Mondriaan’s idee dat de mens de tegenstellingen (man-vrouw, licht-donker, geest-materie) uiteindelijk weet te overbruggen en tot harmonie weet te brengen. Ik denk dat wij mensen altijd zullen blijven klungelen en knoeien.

De Nederlandse vlag is op dit tweeluik ook niet stabiel, maar zwerft maar wat over het doek, onzeker, te groot of te klein en ook druipend. Nederland is geen eenduidig land meer waar een stoere vlag waait boven blonde duinen, bossen, hei en bloeiende bollen. Het is een zoekend land waar veel geestelijke verwarring rondwaart.

Tot slot. Het is een vrij geschilderd tweeluik: direct uit de hand, zonder tekening en zonder inachtneming van de ‘klassieke’ vormen en ideeën. Het verwijst daarmee ook naar de naoorlogse schilderkunst van COBRA, van meet af aan een inspiratiebron voor mij. Het tweeluik is een vrij experiment in kleur en vorm dat aansluiting zoekt bij de onze eigen tijd. Of dat ook gelukt is, laat ik graag aan u kijkers over.

Ik dank u voor uw aandacht.




Oss, 13 september 2019

woensdag 10 mei 2017

HERMAN BROOD: "KUNST ...BEGIN DRR NIET AN"


De schilderkunst van Herman Brood zou niet museaal zijn omdat zijn schilderkunst teveel een kunstje zou zijn. Een argument dat ik nog nooit eerder heb gehoord. Toch zijn er kunstjes genoeg te zien in musea voor moderne kunst. Wat denk je van de schilderijen van Keith Haring of van het werk van Damien Hirst, om een paar zeer bekende kunstjesmakers in de schilderkunst te noemen?

Het schilderwerk van Brood lijkt een kunstje omdat hij zo snel en ogenschijnlijk gemakkelijk werkt. Dat is te zien in verschillende documentaires die gemaakt zijn. Brood loopt driftig om het schilderij heen dat op de grond ligt terwijl hij een verfroller gebruikt, stukken papier op het doek plakt, verf op het doek smijt met behulp van iets wat op een vaatdoek lijkt en met een spuitbus verf en sjablonen werkt.


Herman Brood, Torso,120x80 cmAfbeelding uit de catalogus 
"That's Life, schilderijen en tekeningen van Herman Brood",
een uitgave van Kijk & Luistermuseum, maart 2007 Bennekom.

In de filmdocumentaire “Kunst... begin drrr niet an”, die hoofdzakelijk over zijn schilderkunst gaat, stelt hij zelf enigszins treurig en spijtig vast dat hij routine matig bezig is maar dat hij nu eenmaal niet anders kan want er moet brood op de plank komen. Brood leeft van zijn kunst. Maar probeer zijn kunstje maar eens na te doen. Dat zal je niet lukken. Trouwens van Gogh die helaas niet van zijn kunst kon leven, schilderde soms ook 3 schilderijen op een dag in zijn typische van Gogh stijl. Maar niemand waagt het om van een kunstje van van Gogh te spreken.


Herman Brood, That'sLife, 100x130 cm
Deze tekening/schilderij staat op de voorkant van de catalogus met dezelfde titel.

"That's Life, schilderijen en tekeningen van Herman Brood",
een uitgave van Kijk & Luistermuseum, maart 2007 Bennekom.

Brood zelf moest niets hebben van de officiële kunstwereld. Met zijn Rock and Roll leven paste hij niet in die wereld. Kunst minnende en kopende burgers begrepen weinig of niks van Brood. Ze waren er zelfs een beetje bang voor deze mateloze drugsgebruiker, anarchist en vrolijke frans. Voor hen was zijn manier van leven een bedreiging.  


Pagina 36 uit de catalogus bij de tentoonstelling "That's Life, Schilderijen
en tekeningen van Herman Brood.
De catalogus is een uitgave van 
Kijk & Luistermuseum, 
maart 2007, Bennekom.

Zijn schilderkunstige thema's zijn niet klassiek, 'hoog' of 'verheven' en ook niet intellectueel verpakt in hoogdravende taal, zoals je zo vaak hoort en leest in de officiële kunstwereld. Brood is eerder een fotograaf die in plaats van met foto's, met schilderijen, zijn leven en gevoelens probeert vast te leggen. Dat maakt van Brood meteen ook een heel eigentijdse schilder. 

De kunstwereld begreep al net zo weinig van zijn schilderstijl. Die heeft namelijk veel weg van graffiti kunst met spuitbussen, felle kleuren en zwarte of witte omlijningen. Graffitti is een vorm van vandalisme en dus daarom alleen al niet geliefd bij de gemiddelde burger. Het is moeilijk om in vandalisme kunst te zien. Kunst van de straat misschien, maar dat hang je ook niet boven je bank in de woonkamer.

De wereld van kunstgaleries, kunstkenners, verzamelaars en kijkers mag dan moeite hebben met de kunst van Brood, zijn generatiegenoten opgegroeid met Rock and Roll, marihuana, blues van de Rolling Stones en Muddy Waters en graffitti op de muren hadden er van meet af aan minder moeite mee. Zo verging het mij tenminste. Ik herkende in Brood een tijd en generatiegenoot op zoek naar een doel tussen chaos en orde. Brood had daarom van begin af aan zijn eigen publiek die zijn werk kocht.


Herman Brood, SpeedFlight 100x120 cm.
Afbeelding uit de catalogus "That's Life, schilderijen en tekeningen van Herman Brood",
een uitgave van Kijk & Luistermuseum, maart 2007 Bennekom.

Bij nadere beschouwing zien we dat Brood schildert in de stijl van Cobra en dan vooral van Karel Appel en Corneille. Dat zeg ik niet alleen maar anderen meer geschoolde kunstkenners dan ik. 

In tegenstelling tot de COBRA groep had Brood, voor zover mij bekend, helemaal niks met politiek. De COBRA groep was naar de intellectuele mode van die tijd communistisch, Brood was a-politiek. Hij wilde wel graag beroemde mensen ontmoeten, zoals de koningin. Maar tot zijn grote teleurstelling gebeurde dat nooit hoe vaak hij ook voor TV zei dat hij haar graag eens wilde ontmoeten. 

Hoe naïef Brood in de politiek is, blijkt uit zijn ontmoeting met de Surinaamse president Bouterse in Suriname. In de documentaire is dat gesprek te zien. Hoewel Bouterse beschuldigd wordt van het vermoorden van een tiental oppositieleiders en in Nederland veroordeeld is voor drugssmokkel, heeft Brood het enkel over de eenzaamheid die gepaard gaat met het presidentschap. Bouterse reageert nauwelijks. Hij blijft beleefd, dat is alles.

Van Brood wordt ook gezegd dat zijn tekenstijl te vergelijken is met die van de dichter en schilder Lucebert. Hun werelden zijn echter volkomen verschillend. Lucebert rekent af met de klassieke teken- en dichtkunst, Brood tekent zijn eigen wereld van Rock and Roll, drugs, avontuur en mensen.

Met zijn voornamelijk primaire kleurgebruik van rood, geel en blauw bouwt Brood verder op het werk van de wereldberoemde Nederlandse schilder Piet Mondriaan. Er is geen museum voor moderne kunst waar niet op zijn minst ook een Mondriaan hangt. Voor Mondriaan waren de 3 primaire kleuren omlijst met zwart en wit zijn de toekomst van de mensheid. De mens zou weldra zijn eigen wereld scheppen: harmonieus, in balans en in evenwicht. 

Brood schildert met dezelfde kleuren als Mondriaan maar gebruikt die juist om de chaos in zijn wereld te verbeelden op doek. De zinloosheid, leegte en eenzaamheid maar ook de humor en de menselijkheid. Brood is een vat vol tegenstrijdigheden zoals zijn lijnen ook zijn: strakke lijnen en golvende lijnen, strepen en krassen lopen door elkaar in verschillende kleuren. Het zette achteloze spatten, vlekken en druppels, schuine letters enz. op het doek; Ook dat zien we bij Lucebert.

Herman Brood, RedHat, 120x100 cm.Afbeelding uit de catalogus 
"That's Life, schilderijen en tekeningen van Herman Brood",
een uitgave van Kijk & Luistermuseum, maart 2007 Bennekom.

Brood was net als van Gogh een twijfelaar als maar op zoek naar zijn roeping. Dat maakte hem onzeker en wijfelachtig. Net als van Gogh twijfelde ook Brood aan zichzelf, aan de wereld en de mensen. Daarom zijn uitspraak in de genoemde documenaire “kunst... begin drrr niet an”.

Tegelijk heeft hij die mensen lief en wil er het middelpunt van zijn. Daarom trad hij zo graag op TV op. Brood is net als van Gogh een zacht en kwestbaar mens. Zo kwetsbaar dat ze op een gegeven moment geen andere uitweg meer zagen dan hun eigen dood te kiezen.

Reden genoeg dus om Herman Brood in de Nederlandse schilderkunstige canon op te nemen.



zaterdag 7 februari 2015

REMBRANDT EN DE MODERNISTEN

Een kunstwerk van Robert Watts.
In het museum stond de volgend tekst over 

Op de tentoonstelling “Die Gegenwart der Moderne” in het Weense MUMOK overviel mij opnieuw een gevoel van onmacht en wanhoop. De moderne kunst tot pakweg ongeveer 1960 boeit en inspireert me zoals bijvoorbeeld en uiteraard Picasso, Mondriaan en COBRA. Maar daarna wordt het moeilijk zoals de handtekening van Rembrandt in neonrood, die maakt je radeloos. Wat is daar de bedoeling van of is er geen bedoeling maar speelt de kunstenaar gewoon met de naam van de wereldberoemde schilder en ons kijkers in de hoop zo aandacht te trekken? Is het een vorm van marketing, van branding d.w.z. je naam op de markt brengen? Zou zo maar kunnen. Kunstenaars moeten ook brood op de plank hebben.

Aan de muur in het museum lees ik het volgende: "Het modernistische geloof in vooruitgang volgens hetwelk elke stijl voortkomt uit de voorafgaande om aldus een continue evolutie in de kunst mogelijk te maken,is herhaaldelijk bekritiseerd en ondermijnd....Robert Watts reduceert de helden van de klassieke kunstgeschiedenis (hier Rembrandt) tot neon handtekeningen."

Ik sprak later 2 mensen die toevallig ook naar de tentoonstelling waren geweest. Ze wisten er geen raad mee. Ze snapten bijna van geen enkel kunstwerk waar het over ging en wat de kunstenaar met zijn werk voor had. Gebrek aan scholing in de kunsten? Dat kan natuurlijk want kunst moet je leren net als muziek luisteren, fotograferen en muren metselen. Niks komt je zo maar aanwaaien. Je moet er moeite voor doen. De twee behoren beiden echter tot de beter geschoolden en daarom ook hadden ze het gewaagd om naar de tentoonstelling te gaan. Ondanks deze heldendaad kwamen ze zo goed als met lege handen terug.


Ik ontdekte dank zij de zaalwachters dat de kunstenares Anna Artaker (geen pseudoniem) oude groepsfoto's van experimentele en moderne kunstenaars van verzonnen namen had voorzien om zo aan te tonen dat vrouwen niet meetelden. Ze doet dat door de vrouwen op de foto's met hun echte naam aan te duiden en de mannen dus verzonnen namen te geven. Kunst in dienst van de vrouwenemancipatie, maar is dat kunst? Deze foto toont is van een groep COBRA kunstenaars voor het Stedelijk Museum in Amsterdam (1949) ter gelegenheid van de eerste en gerucht makende COBRA tentoonstelling. De enige vrouw in de groep is Lotte van der Gaag, toen blijkbaar de enige vrouwelijke schilder van het gezelschap.

Wat is er met de moderne maar vooral de eigentijdse kunst aan de hand? Ik denk dat we te maken hebben met 3 problemen voor de gemiddelde kunstminnaar:
1. Er is geen eenduidig alom begrepen verhaal meer.
2. De schilderkunst en beeldhouwkunst zijn niet meer ambachtelijk.
3. Het geloof in Schoonheid is in diskrediet geraakt.

Het alomvattende religieuze Christelijke verhaal verteld in het Oude en Nieuwe Testament waarmee de schilderkunst in de Westerse wereld is begonnen, is uiteen gevallen en wordt heden ten dage zelfs niet meer begrepen. Het is niet meer allesomvattend ondanks dat het nog steeds deel uitmaakt van onze historische identiteit.

Het religieuze verhaal is door de wetenschap uiteen gerafeld, in stukken opgedeeld en uiteindelijk in de marge van ons bewustzijn terecht gekomen als een relikwie uit het verleden. We hebben er niks meer mee. Intussen heeft de wetenschap geen kunstenaars nodig om zijn verhaal te vertellen. Het vertelt zelf zijn verhalen of vangt ze in foto's en films van soms onwaarschijnlijke micro- en macro ontdekkingen.

Dank zij de toegepaste wetenschap zijn realistische weergaven van de mensen en de natuur ook niet meer nodig. Dat kun je gerust overlaten aan fotografen en filmers. De kunstenaar kan natuurlijk nog wel zijn hoogst persoonlijke kijk op de werkelijkheid maar wie weet dan waar hij het over heeft? Je moet dus eerst zijn verhaal lezen en dan kijken of je er wat mee kunt en dat is natuurlijk ook weer een heel gedoe.

Een merkwaardig gevolg van de wetenschappelijke en technische vooruitgang is dus dat er geen bindend gemeenschappelijk verhaal meer is maar dat iedereen op zoek is naar zijn eigen verhaal. Dat heet individualisering en daar lijkt voorlopig nog lang geen einde aan te komen. De samenleving is terecht gekomen in een zich autonoom voltrekkende splitsing in individuen zoals bij een kernsplitsing. Zal die samenleving uiteindelijk net zoals een kernbom ontploffen om met mens en al definitief uit het heelal te verdwijnen of komt er toch weer samenhang?

De meeste mensen worden niet alleen geboeid door een verhaal maar ook door de manier waarop het verteld of uitgebeeld wordt. Daarvoor had je het ambacht van schilderen of beeldhouwen. Om zich die kunst van schilderen en beeldhouwen eigen te maken moest men jaren lang oefenen. Het was bovendien weinigen gegeven om meester te worden in het vak. Sinds de eis tot realisme is verdwenen uit de schilderkunst, is het ambachtelijke minder belangrijk geworden. Hedendaagse schilderkunst houdt zich niet meer bezig met de perfecte stof uitdrukking, de illusionaire weergave van de huid of de ingewikkelde plooien van een kleed. Allemaal zaken die we in de klassieke schilderkunst zo bewonderen en dus weten we nu niet meer waar ons nog aan te vergapen.


Twee zaalwachters in het Mumok.

De derde poot die onder de hedendaagse kunst is weggezaagd is die van de schoonheid. Zijn de kunsten niet altijd bedoeld geweest om ons de schoonheid te geven als wapen tegen het kwade en het lelijke? Maar de Tweede Wereldoorlog leerde ons dat schoonheid de mensheid helemaal niet wapent tegen onmenselijkheid. Schoonheid houdt het kwade niet op afstand. Integendeel, in de concentratiekampen met hun geïndustrialiseerde vernietiging van mensen, bleken schoonheid en kwaad zelfs naast elkaar te kunnen bestaan.

Daarom dichtte Lucebert (1924-1994) In deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand, zij troost niet meer de mensen zij troost de larven de reptielen en de ratten” (‘apocrief / de analphabetische naam’. In: Lucebert, verzamelde gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 2002, p. 13-79). De klassieke schoonheid is ongeloofwaardig geworden na de concentratiekampen en de alles verwoestende Tweede Wereldoorlog die eindigde met atoombommen op de Japanse steden Hirosjima en Nagasaki. Die verwarring over schoonheid en kunst bestaat nog steeds. Veel mensen geloven nog in de schoonheid maar de kunstenaar heeft er maar weinig meer mee.


De hedendaagse kunstenaar is dus op zoek naar een nieuw verhaal, nieuwe ambachtelijkheid en schoonheid die geen schoonheid mag zijn.