Posts tonen met het label joris ivens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label joris ivens. Alle posts tonen

dinsdag 9 april 2024

BRIEF AAN GERARD 6.

Je hoefde Reve niks wijs te maken over hoe hij zijn werk aan de man moest brengen. In de jaren zestig trad hij 4 keer op in he populaire TV programma 'Mies en Scène' van Mies Bouwman, in de tijd zo een beetje de nationale moeder van ons land. Hij en Mies kenden elkaar goed van het satirische programma "Zo is het toevallig ook nog eens een keer", een programma dat veel nationale aandacht kreeg vanwege zijn provocerend karakter. Dat laatste werd Mies Bouwman veel zwaarder aangerekend dan Reve.

 

Beste Gerard,


Van meet af aan is duidelijk dat je een dolende zie bent. Je eerste boek “De Avonden” meteen ook je meesterwerk, laat daar geen twijfel over bestaan. Het dompelt je onder in de beklemmende eenzaamheid van een opgroeiende jongen op zoek naar zijn bestemming of zijn lot. Die grondtoon verdwijnt nooit meer uit je boeken.


Ik ken lezers die grote moeite hebben gehad dat boek uit te lezen. Hun commentaar: er gebeurt niks. Gewend als ze zijn aan een verhaal met een begin en een eind, kunnen ze jouw verhaal niet vinden. Voor hen is er geen verhaal en dus stoppen ze met lezen.


Dat krijg je als lezers blijven steken in sprookjesverhalen, verhalen met een begin en een einde met daar tussenin de gebeurtenissen en avonturen. De verwikkelingen lopen uiteindelijk goed af voor de goeden en slecht of onbestemd voor de kwaadwillenden.


Tegenwoordig hoeft het niet altijd meer goed af te lopen. Het mag zelfs in de ondergang van de hoofdpersoon eindigen, als er maar een verhaal aan vast zit. Het echte leven is immers ook geen lolletje. Je valt ineens van je fiets, loopt je vriend(in) onverwacht weg, je huis vliegt in brand, je krijgt een ongeluk of je wordt op school gepest. Er gaat altijd wel iets mis in het leven, dus waarom niet in een boek?


In ons land gaat er tegenwoordig zoveel mis dat we zo langzamerhand meer getraumatiseerd zijn dan in Oekraïne, wat toch een land in oorlog is waar de bommen je om de oren vliegen.


Je brievenboeken zijn een mooie oplossing voor het zogenaamde gemis aan een verhaal. Brieven gaan over belevenissen, gedachten en gevoelens. Dat weten de lezers. Ze weten dus wat hun in een brievenboek te wachten staat: geen verhaal. Daar kunnen ze dan mee leven.


Je hebt geluk dat je een goeie brievenschrijver bent. Je hebt heel wat brieven uitgegeven in boekvorm. Ene Vincent Hunting heeft het allemaal nagerekend. 


"Het eerste dat daarbij opvalt, is dat de indruk van een eindeloze reeks delen met ontelbare brieven, onterecht is. Sinds 1974 zijn er van Reve dertien brievenboeken gepubliceerd, met daarin 1196 brieven. Daarnaast zijn er 152 brieven opgenomen in zes boeken met verspreid werk: de twee delen Archief Reve (1981-1982); In gesprek (1983); Album Gerard Reve (1983); Schoon schip (1984); Roomse heisa (1985) en Een eigen huis (herzien 1990). Bij elkaar gaat het dus om 1348 in boeken gepubliceerde brieven. Dat is een aanzienlijke hoeveelheid, meer dan van enig ander na-oorlogs Nederlands auteur." (Vincent Hunting, De Brievenboeken van Gerard Reve inde digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) 


Al met al hebben die boeken je geen windeieren gelegd. Je hebt je talenten goed vermarkt. Ik heb er geen verstand van maar lees dat je weinig scrupels had om brieven te verkopen aan de hoogste bieder. Het maakt een wat platte indruk voor iemand die op zoek is naar de hoogste liefde maar je hebt natuurlijk ook gelijk dat de kachel moet branden. 


Aan iedere kunstenaar kleeft trouwens wel een zwart vlekje. Picasso was lid van Communistische Partij net als Frida Kahlo. Joris Ivens was een aanbidder van Mao en net als Harry Mulisch ook van Fidel Castro. Wagner was een anti-semiet. Dan doe jij het al met al zo slecht nog niet.


Met Groet,


zaterdag 16 november 2013

HET VERRAAD VAN FRIDA KAHLO

De Mexicaanse kunstschilder Diego Rivera kust zijn vrouw Frida Kahlo. Foto in het Museo Casa Rivera in Guanajuato, de geboortestad van Diego Rivera.


In 2007 zag ik een foto van Frida Kahlo (1907 – 1954) in het geboortehuis van de Mexicaanse schilder Diego Rivera (1886 – 1957) in de Mexicaanse stad Guanajuato. Wat mij toen verbaasde waren de hamer, sikkel en ster op haar hemd. In plaats van een kruis, wat in Mexico en ook daarbuiten niet zo vreemd zou zijn geweest, zag ik communistische symbolen. Ik wist wel dat Communisme voor veel mensen een geloof was maar een zo duidelijke demonstratie daarvan, notabene op een ziekbed en uiteindelijk doodsbed, had ik nog nooit gezien.

In tegenstelling tot haar man is Frida lang onbekend gebleven. De verschijning van de biografie “Frida: a biography of Frida Kahlo” geschreven door Hayden Herrera, bracht daar verandering in. Ze kreeg vanwege haar vrijgevochten leven, ondanks haar persoonlijke, levenslange leed als gevolg van een tramongeluk op 18 jarige leeftijd, de status van feministe. Dank zij de film Frida (2002), gebaseerd op de genoemde biografie, met prachtige weemoedige Mexicaanse muziek van Elliot Goldenthal, werd ze bij een nog groter publiek bekend. Ik was dan ook niet verbaasd vorig jaar in Segovia een rondreizende fototentoonstelling van haar leven en werk te zien. Intussen zie je overal boeken over haar leven en haar werk.

Kort geleden las ik een boek van de Mexicaanse dichter en schrijver Octavio Paz (1914 – 1998) “De Kunst van Mexico” een uitgave van Meulenhoff 1993. Het boek bevat een aantal essays van Paz over kunst vertaald door Arie van der Wal. In een essay getiteld “Re/visies:Orozco, Rivera, Siqueiros”, oorspronkelijk gebaseerd op een interview voor de Franse TV, lees ik een keiharde kritiek van Paz op de biografie. Hij noemt het “een atractief werk, eerder het product van bewondering dan van zuiverheid van geest, vol met eigenaardige episoden en weinig bekende gegevens. Maar ook een boek dat op maat werd gesneden voor de heersende smaak van de Amerikaanse lezer, die niets liever wil horen dan intieme details uit andermans leven, en dat dan louter en alleen bedoeld is om een verhaal te vertellen en niet om een raadsel te ontsluieren of een karakter te schilderen. Frida's biseksualiteit bijvoorbeeld verdient op z'n minst enige reflectie, maar de auteur beperkt zich slechts tot een opsomming van de ene verovering na de andere.” (blz 95 in genoemd boek van Paz)

Volgens mij overtreft deze nieuwsgierigheid naar de meest intieme details van andermans leven intussen mede dank zij de TV en internet de ergste dorpsroddel. Dat werd toen nog niet gecommercialiseerd. Nu wordt er letterlijk geld verdiend aan de meest intieme details en emoties. Reputaties worden er net zo snel mee opgebouwd als afgebroken. Paz meent dat dit alles het gevolg is van een gebrek aan psychologische nieuwsgierigheid die “verandert in morele ongevoeligheid en historische bijziendheid wanneer ze politieke en sociale onderwerpen aanroert.”

Als voorbeeld noemt Paz de overgang van Diego Rivera en Frida Kahlo van Trotskisme naar Stalinisme. Voor de auteur is dit slechts een van de vele incidenten in het interessante leven van Frida terwijl Trotski, waarmee Frida een verhouding had gehad, sprak van een 'morele dood'. Hetzelfde geldt volgens Paz voor “Frida's laaghartige verklaring in het dagblad Excelsior een paar jaar na de dood van Trotski (Trotski is in 1940 in zijn huis in Coyoacan, Mexico-stad wreed vermoord door een geheim agent van Stalin) waarin ze hem een 'dwaze oude man noemt' en hem ervan beschuldigt verschillende voorwerpen uit haar huis te hebben gestolen, waaronder veertien geweren en een lamp.”

Vervolgens stelt Paz zich de vraag of iemand tegelijk een kunstenaar kan zijn en een verachtelijke smeerlap? Volgens hem kan dat maar niet ongestraft. ”Kunst kan niet omgekocht worden en is onverbiddelijk: de zwakheden, smetten en gebreken die de werken van Diego en Frida vertonen zijn moreel van oorsprong. Beiden hebben hun grote talenten verraden en dit is zichtbaar in hun schilderkunst. Een kunstenaar kan politieke fouten maken en zelfs regelrechte misdaden begaan, maar de werkelijk grote kunstenaars -Villon of Proust, Carvaggio of Goya – boeten voor hun vergissingen en redden daarmee hun kunst en eer.” (blz 95-96)

Ik zet daar vraagtekens bij. Hoe zit dat dan met de wereld beroemde Nederlandse filmmaker Joris Ivens (1898 – 1981)? Die vertrok in 1931 naar de Sovjet-Unie om voor het bewind van Stalin de propagandafilm Het lied van de helden te maken, over de bouw van de nieuwe stad Magnitogorsk in de Oeral. Deze stad werd voor een belangrijk deel gebouwd door Goelag dwangarbeiders, veelal slachtoffers van Stalins collectivisering van de landbouw (die gericht was tegen de koelakken en hun invloed). Ivens richtte zijn camera liever selectief op de duizenden Komsomol-vrijwilligers en partijleden die eveneens in Magnitogorsk werkten. De dwangarbeiders zou hij later vergelijken met 'onkruid'. Ook het Maoïstische China heeft Ivens gediend; in 1976 voltooide hij Hoe Yukong de bergen verzette, een film waarin Mao's Culturele Revolutie wordt verheerlijkt. In hoeverre is de filmkunst van Ivens 'besmet' met zijn politieke verleden? (Wikipedia

En wat te denken van Harry Mulisch (1927 – 2010) die ooit het regime van Fidel Castro op Cuba bejubelde en dat nooit heeft willen intrekken ondanks de grove schending van mensenrechten waaronder die van vrijheid van meningsuiting, toch van levensbelang van een schrijver. Waar is die 'politieke besmetting' van Mulisch terug te vinden in zijn schrijfkunst? Ik vrees dat de stelligheid van Paz hierovder romantisch is. Hij zou graag willen dat politieke fouten en misdaden van kunstenaars alsnog te zien zijn als zwakheden in hun nagelaten kunstwerken, maar in de praktijk is dat niet het geval, zo vrees ik.