dinsdag 27 januari 2026

KANTTEKENINGEN BIJ KANDINSKY. 1. DE ZIEL VAN DE KUNSTENAAR

 

Zelfportret van Kandinsky, 1924


Wassily Kandinsky is in zijn boek ‘Spiritualiteit en Abstractie in de Kunst’ (uitgeverij Christofoor) een veeleisend man voor kunstschilders. Hij eist talent, idealisme en een hoge inzet. Hij heeft het over het gif van de gemakzucht dat zelfs de kunstenaars die naar een hogere geestelijke uitdrukking streven, kan aantasten en met minder genoegen doen nemen.


De gemakzuchtige kunstenaar blijft steken in het hoe. “De stof die haar inhoud moet geven zoekt zij in de harde materie omdat ze de fijne niet kent.” Hun wilde jacht naar succes maakt de kunst nog oppervlakkiger.


Hoe hard zijn oordeel is, blijkt uit het volgende citaat.


“Op de weg van het ‘hoe’ gaat de kunst voort’. Zij specialiseert zich, wordt alleen nog maar begrepen door de kunstenaars zelf, die beginnen te klagen over onbegrip van het publiek ten opzichte van hun werken. Aangezien de kunstenaars in zulke tijden doorgaans niet veel hoeven te zeggen om al door een geringe ‘anders’-geaardheid af te steken bij de rest en dan door een bepaald kliekje van beschermers en kenners om wille van dat ‘anders’-zijn worden opgehemeld (wat ook nog stoffelijke voordelen oplevert!) werpt zich een menigte van uiterlijk begaafde, handige lieden op deze kunst die blijkbaar zo eenvoudig te veroveren is. In elk ‘kunstcentrum’ leven duizenden en nog eens duizenden van zulke kunstenaars, waarvan het grootste gedeelte alleen maar een nieuw maniertje zoekt en zonder enthousiasme met koud hart en slapende ziel miljoenen kunstwerken produceert.” (blz.24 en 25 in genoemd boek).


Oordeelt Kandisky hier niet te hard over al die zwoegende kunstenaars die bij gebrek aan talent toch hun best doen om kunst te maken? Per slot van rekening kan niet iedereen het niveau bereiken van Beethoven die volgens Kandinsky aan de top staat van de driehoek van het culturele geestelijk leven.


Maar de top van de cultureel geestelijke driehoek berust op een brede basis. Je kunt daarom ook zeggen dat dankzij die brede basis van middelmatige, doorsnee kunstenaars die graag erkend willen worden en liefst ook materieel succes hebben, de top mogelijk maakt. Zonder brede basis geen top. 


Het ‘hoe’ is bij Kandinsky de ambachtelijke kant van de kunst. De kunstenaar moet zijn ambacht kennen: vertrouwd zijn met penseel en verf, weet hebben van composities en perspectieven, de effecten van kleuren enz. 


Maar dat is niet genoeg. De kunstenaar moet ook inhoud hebben. Kunst moet ergens over gaan anders valt op een gegeven moment de kunst door de mand. Dan is kunst als de kleren van de keizer die uiteindelijk in zijn nakie bleek te lopen.


De kunstenaar die verder kijkt dan het ‘hoe’ is een profeet met vooruitziende blik die het puur materiële, het realisme van het obeject, weet te overstijgen en een nieuwe spiritualiteit introduceert, het ‘wat’ van de kunst.


Kandinsky noemt dit ‘wat’ het geestelijk brood dat uit de ziel van de kunstenaar komt. “En dit ‘wat’ zal dan ook niet meer hetzelfde materiële, materialistische ‘wat’ zijn van de vroegere periode, maar een artistieke inhoud, de ziel van de kunst, zonder welke haar lichaam (het ‘hoe’) nimmer een volmaakt gezond leven kan leiden, evenmin als een mens of een volk. … Dit ‘wat’ is de inhoud die alleen de kunst eigen is en die alleen door de kunst en de aan haar inherente middelen op heldere wijze tot uitdrukking kan worden gebracht.” (blz 26)


Met deze mystieke bewoording van bijna religieuze aard plaatst Kandinsky de kunst op een voetstuk, een heel hoog voetstuk. Kunst als de boodschapper van het spirituele leven van de mensen. Een plaats die de kunst in de Middeleeuwen had, maar dan dankzij de kerk.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten