Posts tonen met het label de verzoeking van de heilige antonius. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de verzoeking van de heilige antonius. Alle posts tonen

donderdag 19 januari 2023

9. DALÍ, "DE VERZOEKING VAN DE HEILIGE ANTONIUS'

 

Dalí, ' De Verzoeking van de Heilige Antonius', olieverf op doek, 1946 (89,7 x 119,5), Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel.

Ik ben gen Dalí kenner, dat is Dalí zelve, maar de erotische passage in de roman waarin de door de Graaf aanbeden Solange de Cléda vergeleken wordt “met een volbloed paard dat zich met soepele elegantie op de achterbenen verheft om zijn grenzeloze energie ter beschikking te stellen” doet me denken aan het schilderij ‘De verzoeking van de heilige Antonius’ (zie bovenaan de blog) dat Dalí gemaakt heeft in 1946 d.w.z. omtrent dezelfde tijd dat hij de roman schreef. Op dat schilderij staat een opvallend steigerend paard.

En inderdaad mijn associatie is zo vreemd nog niet als ik het volgende lees over het genoemde schilderij :

“Nog in New York schildert Dalí ‘De verzoeking van St. Antonius’. Hij knoopt in die tijd contacten met de film- en theaterwereld aan. Nadat hij verschillende decorontwerpen voor Hitchcocks film ‘Spellbound’ heeft geschilderd, besluit hij deel te nemen aan de door Albert Levin uitgeschreven prijsvraag voor diens verfilming van het ‘Bel Ami’ - thema naar de roman van Guy Maupassant. Max Ernst won uiteindelijk; zijn schilderij werd de enige kleuropname in deze zwart-film. Ook al werd ‘De Verzoeking van St. Antonius’ bij deze prijsvraag niet gehonoreerd, het doet niets af aan de betekenis ervan in Dalí’s oeuvre. Het markeert het gebruik van dimensies die bemiddelen tussen hemel en aarde in zijn universum, een dimensie die hier wordt belichaamd door de olifanten met ‘flinterdunne poten’. Ze wijzen vooruit naar het thema van de levitatie, dat later in zijn ‘mystiek-corpusculaire’ werken ten volle zou worden uitgewerkt. St. Antonius wordt achtereenvolgens in ‘verzoeking’ gebracht door een steigerend paard als het symbool van de macht - maar door zijn verschijningsvorm ook het symbool van de wellust - en door verschillende olifanten die het paard volgen.” (blz. 411-417 in Deel II van de Taschenuitgave ‘ Salvador Dalí, Het geschilderde werk 1946-1989’)

Dat is allemaal nogal wat, maar dat kun je verwachten als een kunsthistoricus een schilderij uitlegt. Hoe dan ook, het steigerend paard is dus blijkbaar bij Dalí een symbool van macht en wellust. Daar kom je zelf niet zo gemakkelijk op. 

Wat ik dan wel weer snap is dat de naakte Sint Antonius zich tegen de verleiding tot wellust wil verweren door een kruis omhoog te houden voor het paard, de naakte vrouw op de olifant en wat allemaal nog volgt. Het opgeheven kruis is een gebaar dat kennen we uit horrorfilms van personen die bedreigd worden door een bloedzuigende wellustige Dracula. het omhoog houden van 2 gekruiste stokken schijnt al te volstaan om het kwaad te bezweren.

Op de beroemde drieluik van schilder Jeroen Bosch genaamd 'De verzoeking van de Heilige Antonius' is het verzet tegen de aardse verleiding wat subtieler afgebeeld. De Heilige Antonius wijst ons toeschouwers op Christus aan het Kruis. Bosch waarschuwt ons dat we beter het oog gericht kunnen houden op Christus die voor ons zondige mensen gestorven is aan het kruis dan ons bezig te houden met allerlei verleidelijke wereldse zaken.   

De manier waarop Sint Antonius bij Dalí het kruis gebruikt is minder subtiel. Het heeft meer weg van een tovenaarsgebaar dan een verwijzing naar een ander geestelijk leven dat achter de Christus aan het kruis schuilt.

Wat met "dimensies die bemiddelen tussen hemel en aarde" wordt bedoeld, weet ik niet. Verwijzen het paard en de olifanten met hun dunne hoge poten naar de hemel? Kan zijn, de symboliek van Dalí is niet altijd even duidelijk, om het voorzichtig te zeggen.

Het thema van de levitatie, het veronderstelde bovennatuurlijke fenomeen van het omhoog zweven van voorwerpen of levende wezens, is bekend van goochelaars en illusionisten die op toneel hun buitenaardse krachten vertonen door aanminnige vrouwen te laten zweven.

woensdag 16 maart 2016

JHERONIMUS BOSCH: DE MEESTER VAN HET KWAAD

Jheronimus Bosch, Linker paneel van het
Drieluik "De Tuin der Lusten",
Prado Museum, Madrid

Begeleid door veel tromgeroffel lees ik op de website van het Noord Brabants Museum over Jheronimus Bosch dat hij met zijn karakteristieke werk, dat vol zit met illusies en hallucinaties, wonderlijke gedrochten en nachtmerries, de grote thema’s van zijn tijd verbeeldt: verleiding, zonde en rekenschap. Het thema “rekenschap” ken ik niet, maar verleiding en zonde klopt wel. In de tijd van Bosch waren die thema’s min of meer vanzelfsprekend voor een schilder als Bosch. 

Het Middeleeuwse leven was van hoog tot laag doordrengt met alles wat met geloven te maken heeft. Geen wonder dat de kerk een machtig instituut was. Daar moest je niet mee spotten. Bovendien was je als schilder afhankelijk van kerkelijke opdrachten of op zijn minst kerkelijke goedkeuring. Als ik naar het werk van Bosch kijk, moet je vaststellen dat hij vermoedelijk een gelovig man was, die niet twijfelde aan de waarden van de kerk. Sommige fantasten menen dat Bosch een soort vrijdenker was avant la lettre, maar dat lijkt mij onzin.

Dat hij echter wel degelijk werkte binnen de kaders van de Katholieke Kerk en de officiële geloofsleer blijkt uit het feit dat hij lid was van de Lieve Vrouwe Broederschap in den Bosch en dat zijn schilderijen hun weg vonden naar de zeer streng gelovige Koning Filips II en hoogst waarschijnlijk ook naar leden van zijn hofhouding waaronder ook de Nassau’s, de voorvaderen van onze huidige koning.

Het raadselachtige van het werk van Bosch, zijn vreemde schepsels, monstertjes en lugubere scènes die hem zo spannend maken voor de moderne toeschouwer zit hem in het feit dat wij zijn wereldbeeld niet meer kennen en er intussen als gevolg van onze wetenschappelijke geest zelfs heel ver vanaf staan. We kunnen Bosch niet meer begrijpen, net zo min als we nog snappen dat Middeleeuwse schilders geen enkele moeite hadden om engelen te schilderen of duivels alsof ze werkelijk bestonden. We beginnen er met psychologische theorieën en opvattingen een slag naar te slaan.

Jheronimus Bosch, "De Verzoeking van de Heilige Antonius",
Museum Prado, Madrid

In de lijn van de canon van de Katholieke Kerk en als gelovige was Bosch bezig met inderdaad zonde en verleiding of misschien scherper geformuleerd met goed en kwaad. Als we naar de schilderijen van Bosch kijken dan zien we als terugkerend thema het goede, bijvoorbeeld gesymboliseerd door Sint Antonius of de Heilige Hyronimus, dat bedreigd wordt door het kwade gesymboliseerd door monstertjes, half menselijke figuren, rovers en moordzuchtigen. Bosch zet deze goede personen in een landschap van het kwade.

Een treffend voorbeeld van zo een landschap van het kwaad is het linkerpaneel van het beroemde schilderij ‘De Tuin der Lusten’ dat in het Prado museum in Madrid hangt. Op dat paneel wordt het scheppingsverhaal op gebruikelijke wijze uitgebeeld. We zien God die net man en vrouw heeft geschapen. De nog naakte vrouw heeft hij vaderlijk aan de hand alsof hij haar aan de wereld voorstelt. Zo op het eerste gezicht, zien we een lieflijk paradijs met een overdaad aan prachtige planten, bomen en dieren die vredig uit een meertje drinken. Kortom, een paradijslijk toestand zoals het hoort.

Maar bij nader inzien, is dat alles slechts paradijselijke schijn. Aan de voeten van God en het pas geschapen mensenpaar ligt een akelige poel des bederfs vol met lugubere, misvormde en uit de hel afkomstige dieren. Links onder bij Adam sluipt een groot uitgevallen kat met zijn prooi weg. Ook al geen paradijslijk gezicht. De opvallend rose gekleurde plant-boom in het midden van het schilderij is al evenmin geruststellend. Ondanks de onschuldige rose kleur, heeft hij ook iets agressiefs en ongemakkelijks. Het zou zo maar een tropische vleesetende plant kunnen zijn. 

Jheronimus Bosch, "De zwerver", Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

Op de achtergrond links boven zien we een onheilspellende vlucht vogels die blijkbaar voor iets of iemand uit een duistere grot wegvliegen. Je vraagt je af wat die vogels daar deden? Hebben ze zich tegoed gedaan aan dode dieren? Bij nadere beschouwing voorspelt het landschap het nieuwe mensenpaar veel onheil en is dat ook niet wat de kerk toen en vandaag nog leert? Met het goede kwam ook het kwade in de wereld dat het goede bedreigt.

Op het schilderij “De verzoeking van de Heilige Antonius” , niet de drieluik te zien in het Nationaal Museum van Portugal in Lissabon, maar het schilderij in het Prado, zien we de goede mediterende Antonius. Hij zit midden in een landschap van het kwaad. Overal om hem heen zien we kleine akelige monsters, tekenen van geweld en oorlog, mannen die achter een schild ten strijde trekken en stropers die met hun buit sjouwen. Voor Antonius in een poel wijst een afgrijselijke heks naar hem. De kapel naast de boerderij heeft een zwarte toren die meer op een gevechtstoren lijkt dan op een vreedzame klokkentoren. De heilige Antonius blijft echter onaangedaan door dit dreigende landschap, het kwaad krijgt geen vat op hem.

Met zijn schilderij “De Landloper”, te zien in Rotterdam bij Boymans van Beuningen, heeft Bosch de gewone man geschilderd die, ondanks de liederlijkheid om hem heen en het zichtbare leed dat hem is aangedaan door het kwade, blijft vasthouden aan het goede. Zijn gezicht drukt vrede uit en aanvaarding van zijn lot.

Duivel boven op het dak van de Kathedraal van den Bosch.

Zijn kapotte kleren en slordig verbonden verwondingen symboliseren het kwaad dat hem is aangedaan op zijn weg door het leven. Naast hem ligt een hond onvriendelijk te grommen, bereid om hem aan te vallen. Op de achtergrond staat een bordeel met rechts een pissende man en links in de deuropening een minnekozend stel waarvan de man naar de borsten van de vrouw grijpt. In het bovenraam hangt een mannen onderbroek te drogen. Kan het liederlijker? Toch vervolgt de zwerver onverstoord zijn weg. Hij bezwijkt niet voor de verleidingen van de lusten en het kwaad. 

Ziedaar het centrale thema van Bosch dat in alle schilderijen van Bosch terugkeert. Dat wij dat niet of moeilijk zien, komt omdat wij niet meer geloven in de gedaanten die het kwaad in de Middeleeuwen aanneemt. Wij geloven niet meer in duivels en kwade machten en krachten die ons willen meeslepen in de hel. Omdat we dat niet meer geloven, herkennen we de beeldtaal van  Bosch niet meer en vragen we ons af wat de man toch bezield moet hebben om zulke akelige onheilspellende monsters te schilderen, duivelse misvormde wezens die vaak ook nog eens helse straffen ondergaan? 


Maar Bosch schilderde eenvoudig de wereld van de gewone Middeleeuwer. Die zag op de schilderijen dan ook meteen het kwaad dat het goede bedreigt net zoals elke Bosschenaar begreep dat de lelijke monsters op het dak van van de kathedraal het kwaad symboliseren dat de kerk bedreigt, gelukkig zonder resultaat. De kathedraal is te groot en te mooi om door het kwaad ten val te komen.

vrijdag 10 oktober 2014

ÖSTERREICH ANDERS GESEHEN 24 (Kunst von Lofer nach Zell am See)

De Heilige Familie, Lofer 13 juni 2014


Arsloch, Lofer 13 juni 2014


"Dali, De Verzoeking van de Heilige Antonius, 1946", Lofer 13 juni 2014


 Bosbeeld, 13 juni 2014


Kletteren auf den Skulpturen verboten!, 13 juni 2014


In Memorie van een verongelukt kind, 13 juni 2014

zaterdag 3 december 2011

DE BOMMELSKONT VAN JHERONIMUS BOSCH

Het drieluik "De verzoeking van de Heilige Antonius" van Jheronimus Bosch is te zien in het Museu Nacional de Arte Antigua in Lissabon. Met een beetje geluk kun je het schilderij in alle rust zo lang bekijken als je zelf wilt. Je mag er zelfs zoveel foto's van maken als je wilt.*

Nee, beste lezertjes Bommelskont heeft niks te maken met Heer Olivier B. Bommel. Ik ken het woord van mijn moeder. “Loop naar Bommelskonten “ zei ze als je wat vroeg wat haar niet zinde of “die is naar Bommelskonten” als ze niet wist waar hij of zij heen was.

Dat Bommelskonten niet echt bestond, was duidelijk. Waar de fictieve plaatsnaam vandaan kwam, wist mijn moeder niet en ik dus ook niet totdat ik een artikel van Ewoud Sanders in NRC Handelsblad van 17 maart 2003 las. Ik citeer: “De spreekwoordenverzamelaar P.J. Harrebomée bracht de naam  (Bommelskonten) halverwege de 19de eeuw in verband met het woord bommer dat 'bluffer, opschepper' betekent. De letterkundigen De Beer en Laurillard dachten met een verbasterde vorm van een bestaande plaatsnaam van doen te hebben, namelijk Bommelskous of Den Bommel, beide in Zuid-Holland. ,,Met Hel'', schreven zij in 1899 over de toevoeging drie uur boven de hel, ,,zal wel Hellevoet(sluis) bedoeld zijn.'' Een paar jaar later bracht het Woordenboek der Nederlandsche Taal uitkomst. Waarschijnlijk betekent het precies wat er staat, schreef dit woordenboek, namelijk 'kont van de bommel', waarbij bommel moet worden opgevat als een van de talloze volksnamen voor 'drommel' of 'duivel'. Bommelskont is dus 'duivelsgat' of 'duivelsaars'. Het gaat, met andere woorden, om ,,de ingang der onderwereld, later in 't algemeen: eene plaats waar 't niet pluis is, en waarheen men iemand verwenscht''. En zo is het. Wie iemand naar Bommelskont verwenst, dirigeert hem eigenlijk naar de aars van de duivel, waar het - naar verluidt - slecht toeven is.”

Onlangs kwam ik een nieuwe én dezelfde betekenis van Bommelskont tegen in het boek “De ‘geheimtaal’ van Jheronimus Bosch, een interpretatie van zijn werk” van Jeanne van Waadenoijen (Hilversum 2007). Bij een bespreking van het schilderij “ Het Antonius Drieluik” schrijft ze het volgende over Bommelskont: “Kennis van het Middelnederlands blijkt ook goede diensten te kunnen bewijzen bij het intrepreteren van de scène van de reus die met zijn blote achterwerk in het volle zicht is afgebeeld. Het lijf van de reus is namelijk niet alleen een bordeel maar ook een bolronde heuvel, in het Middelnederlands, bommel genoemd. ‘Bommelskont’ betekende het achterwerk van de duivel. Iemand zijn blote achterwerk toekeren was een beledigend gebaar, maar de weinig bevallige houding van de reus is hier ongetwijfeld vooral bedoeld om hem belachelijk te maken, want niets werd in de Middeleeuwen zo komisch gevonden als een onbedoeld bloot achterwerk”. (Blz.81/82). Volgens mij is dat overigens nog altijd zo. Ik herinner  me een hilarische scène met de acteur Jack Nicholson die in een van zijn latere films (welke ben ik vergeten) onbedoeld zijn kont laat zien als hij zich in zijn ziekenhuiskleed omdraait. 

 Het drieluik in volle glorie. Het pronkstuk van het museum waar je zo maar voor kunt gaan staan. Nauwelijks publiek, geen veiligheidsglas en vrij om te fotograferen. Hoe lang nog?

Dat met Bommelskont het gat van de duivel of een duivels gat wordt bedoeld, lijkt duidelijk. Hoe anders had zo’n woord zoveel eeuwen kunnen overleven in de volkstaal? Maar of de heuvel op het schilderij ook zelf een duivel is, waag ik toch te betwijfelen. Een duivel met een pijl in zijn voorhoofd en het gezicht en achterwerk van een dwaas, vind ik gek. De duivel was zeker in de tijd van Bosch de verpersoonlijking van het kwaad en dus niet zo maar iemand om als een dwaas en slachtoffer af te beelden. Op het schilderij zien we echter een onnozele en in zekere zin hulpeloze reus. Eerder een slachtoffer van iemand of iets dan een duivel die het kwaad zelve is.

Wat wel klopt is dat het er niet pluis is. Aan een been zit een kous. Een vrouwenkous? Her en der zitten aan de benen dorre takken. En wat staat er op de vlag of het uithangbord aan een van die takken? Waarom zit er een valhek onder zijn kont? Wat betekenen de ton met de kan naast de speer of lans links naast de ingang onder heuvelreus? Wat doet die vrouw daar in het raampje? Is het een bordeelhoudster?

Alles bij elkaar vraag ik me af of Bosch hier niet een ‘duivels gat’ in plaats van een 'gat van de duivel' heeft afgebeeld? Een subtiel maar belangrijk verschil. Zo’n duivels gat zou namelijk wel eens een verwijzing kunnen zijn naar homofiele praktijken in de tijd van Bosch. Homofilie is immers van alle tijden maar in de tijd van Bosch, toen heteroseksuele seks ook al verdacht was, moet het een vreselijke zonde geweest zijn die hoewel algemeen bekend toch ook voor velen geheimzinnig was en iets duivels had. Homofielen moesten zich bijgevolg of gedeisd houden of in het grootste geheim hun seksualiteit beleven.

Onder priesters en monniken moet in die tijd homoseksualiteit ook veel zijn voorgekomen. We zien dan ook dat een groepje op weg is naar ‘ het duivelse gat’ bestaande uit zo te zien een valse bisschop, een monnik met de bek van een lepelaar en een aangekleed hert. Misleidende kerkelijke figuren die niet deugen, op weg naar een van de grootste ondeugden zo lijkt de scène ons te tonen.

Dit groepje sluit overigens naadloos aan bij de hele voorstelling op alle drie de panelen van Bosch. Het Drieluik ademt namelijk een algehele sfeer van misleiding en verleiding uit, zelfs zonder dat je op de hoogte bent van de betekenis van de afbeeldingen. Je voelt intuïtief aan dat niets is wat het lijkt te zijn of zou moeten zijn. Vissen vliegen, dieren zijn halve mensen, priesters zijn duivels. Dat is natuurlijk ook wat verzoeking of verleiding in wezen is en waaraan dus ook de Heilige Antonius aan wordt onderworpen door de duivel. Je denkt dat je het geluk vindt in het genot van seks, in drank en eten maar het tegendeel is het geval, het wordt je ondergang. Dit spel van Bosch dat wat je niet weet wat je echt ziet, maakt de drie panelen zo fascinerend. Je kunt er uren naar blijven kijken en je telkens weer opnieuw afvragen wat je nu eigenlijk ziet.
   
* In 2016 is het 500 jaar geleden dat Bosch is gestorven. Reden waarom men in zijn geboorteplaats Den Bosch druk is met de voorbereidingen voor een Jheronimus Bosch manifestatie. Dat zal zeker ook boeiend worden voor de Bosch liefhebbers. Maar degenen die op hun gemak Bosch zijn schilderijen te bekijken, raad ik aan om naar Lissabon te gaan kijken.