![]() |
| Koningin Juliana bezoekt in 1955 samen met Prins Bernhard het rijstproject Wageningen van de Stichting Machinale Landbouw SML in Suriname. |
Als er een project is wat aantoont dat ontwikkelingssamenwerking bijzonder moeilijk zo niet onmogelijk is, dan is dat wel het rijstproject Wageningen in Suriname. Ondanks alle goede bedoelingen - zowel financieel als organisatorisch - gaat het project Wageningen na de onafhankelijkheid van Suriname (1975) langzaam maar zeker naar de knoppen.
Zoals gebruikelijk is er niet een enkele oorzaak maar velen die elkaar in de loop der jaren opvolgen. Samengevat komt het erop neer dat na de Surinaamse onafhankelijkheid het Wageningenproject verwaarloosd wordt. De wisseling van regering blijkt in Suriname net zoals in veel Derde Wereld landen funest te zijn voor lange termijn projecten, zelfs als ze voordelig zijn voor het land.
Een voorbeeld van zo een Derde Wereld land is Venezuela dat net als Suriname rijk is aan grondstoffen. Dankzij Shell werd Venezuela aan het begin van de 20ste eeuw een belangrijk olieland. Zo lang oliemaatschappijen hun bedrijven kunnen beheren gaat het goed, ook nadat een groter deel van de winst wordt opgeëist door het land. Maar complete nationalisaties (1976) zijn het begin van de ondergang.
In 2007 doet de militaire regering Chavez er nog een schepje bovenop, waarop de olieboeren het land te verlaten. De grootschalige confiscatie was bedoeld om armoede te bestrijden, maar de sector wordt uitgehold (geen investeringen, geen onderhoud), wat resulteert in sterk verminderde productie. Voeg daarbij het ontslag van alle werknemers met ervaring en het plaatje van de ondergang is compleet.
Terug naar Suriname, een groot land (ongeveer 4 keer Nederland), rijk aan grondstoffen (bauxiet, goud, hout en inmiddels ook olie) en dun bevolkt (een van de dunst bevolkte gebieden in de wereld). Toch slaagt het er niet in om de rijkdom in dienst te stellen van zijn ruim 600.000 inwoners. Of de recente olievondsten dat wel zullen doen, is maar zeer de vraag. Over het algemeen blijkt olie in derde Wereld landen eerder een vloek dan een zegen.
Na de onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname “een florerend rijstbedrijf met zo’n duizend vakbekwame werknemers, inclusief een pelmolen en een drogerij, een pompgemaal met drie Storkmotoren, honderden kilometers aan bevloeiings- en lozingskanalen, een rijstareaal van 10.000 hectare, een veebedrijf met duizend koeien, het veredelingsstation in de Prins Bernhardpolder, een machinepark van tractoren en maaidorsers, ja, een compleet zelfvoorzienende Company Town met een postkantoor, een bibliotheek en een Hotel De Wereld - voor het symbolische bedrag van 1 Surinaamse gulden.” (Blz. 49/50 in ‘Hotel De Wereld’, Frank Westerman, Querido Fosfor 2025)
Voor de onafhankelijkheid was de rijstbouw winstgevend.
“Maar al in het eerste seizoen na de onafhankelijkheid blijken 23 van de 37 landbouwmachines voor zowel de droge als de natte grondbewerking aan vervanging toe. De directie wil investeren, maar het ministerie van Landbouw in Paramaribo heeft andere prioriteiten. De centraal geleide Company town komt pas echt in de knel wanneer sergeant Bouterse op 25 februari 1980 samen met 15 handlangers zijn eerste staatsgreep pleegt…. Voortaan vloeien de deviezen die Wageningen verdient met de rijstexport naar de kas van Bouterse en zijn kameraden. Geldnood dwingt de Stichting Machinale Landbouw al in 1981om honderd werknemers te ontslaan. Zij krijgen als dank een kapotte landbouwmachine mee naar huis, een grotere of een kleinere, al naargelang de duur van hun dienstverband.” (Blz 51/52 in voornoemd boek)
Hoewel Nederland het project heeft opgebouwd, kennis geleverd en de benodigde financiën voor de start krijgt het toch de schuld voor de ondergang. Het was immers een koloniaal project en dat deugt sowieso niet ook al is het een winstgevend project en brengt het via export deviezen in het land. Kolonialisme als excuus voor eigen mislukking. Dat schiet niet op. Surinamers moeten de hand in eigen boezem steken.
De Surinamers die er gewerkt hebben denken daar heel anders over. “Zij zien een verschil tussen een suikerplantage met slavenarbeid (koloniale uitbuiting) en een rijstpolder uit de tweede helft van de twintigste eeuw (ontwikkelingshulp). De plantage was een vloek, de polder een zegen. Voortaan deden machines het zware werk. Niemand hoefde meer te bukken om de zaailingen over te planten in de bevloeide akkers, nu vliegtuigjes het zaad kwamen uitstrooien.” (Blz. 57. Frank Westerman)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten