woensdag 10 juni 2026

PANIEKFABRIEK. BOSBRANDEN

 

Je hoeft denk ik geen bosbeheerder te zijn om te zien dat het brandgevaar in een bos als hier op de foto, erg groot is. deze foto is gemaakt in de Maashorst.

De uitdrukking Paniekfabriek heb ik van chemisch ingenieur en wetenschapsjournalist Simon Rozendaal, tevens columnist van het weekblad EW. Hij probeert al jaren geduldig met feiten en cijfers  paniekzaaierij door de media over de gevolgen van klimaatverandering en het gebruik van verdelgingsmiddelen te bestrijden. 


Het is een ondankbaar karwei want niks zo moeilijk als kanttekeningen plaatsen bij ingeburgerde zekerheden, zelfs al zijn ze wetenschappelijk verantwoord. 


Een van de vaste waarden voor de paniekfabriek zijn bosbranden. Zodra er ergens in de wereld een brand uitbreekt, zien we daar op TV akelige beelden van met het angstwekkende commentaar dat dit ons te wachten staat als gevolg van klimaatverandering.


De beelden kloppen maar de begeleidende commentaren kunnen wel eens misleidend zijn aldus internationaal adviseur bosbeheer Leffert Oldenkamp. Dat begint al met zijn vaststelling dat “vanuit de klimaatregistraties het aantal bosbranden, wereldwijd, niet is toegenomen in de laatste decennia.”


“Ze zijn wel heviger en omvangrijker als gevolg van verkeerd bosbeheer. Het beheer van bossen is onvoldoende gericht op verwijderen van dood of dor materiaal c.q op het scheppen van groeimogelijkheden voor gezonde mengingen met ondergroei, waarmee brandgevaar kan worden getemperd.


Selectief bosbeheer, waarmee een etage van ‘fris’ loofhout kan ontstaan, is een verwaarloosd beginsel. In Europa is het laten liggen van dood hout in het bos vaak onnodig gemaximaliseerd, zo ook in Nederland."


Dat is ook wat mij is opgevallen op mijn fietsrondjes door de Maashorst bij Oss. Overal ligt dood hout. Ik heb me al vaak afgevraagd of dit verstandig is. Op het moment dat er brand uitbreekt is dit levensgevaarlijk.(zie foto boven deze blog)


"In Australië werden na oogst van  Eucalyptus bomen, de ‘restant-bossen’ aan natuurontwikkeling overgelaten. Er ontstond een dichte hergroei met sterk oliehoudende bladeren. Bij droog weer uiterst brandgevaarlijk.


In Canada werden vanaf de tweede helft van de vorige eeuw onverantwoord grote kapvlakten gemaakt, soms 200 ha of groter. Daar ontstonden dichte (spontane) verjongingen, die ondertussen voor vezelhout geschikt zijn. Bij aanhoudende droge perioden uiterst brandgevaarlijk en nauwelijks toegankelijk bij bestrijding. Dat is de reden dat bosbranden in Canada, die altijd al veel zorgen baarden, nu nog bedreigender zijn.


In Zuid-Frankrijk werden Pinusbossen verwaarloosd en werd door projectontwikkelaars de zaak in de brand gestoken. In meerdere landen was ik betrokken bij allerlei branden, waarbij meestal opzet in het spel was.


In de jaren 70 was ik als houtvester het contact tussen het Veluws Bosbrandcomité en de Rijksoverheid (met een subsidiekraan). De branden in 1976 hebben geholpen om voor de Veluwe het beleid te richten op snelle berichtgeving, steun van veldmedewerkers en jachtopzichters om vooral met kleine voertuigen snel een brand onder controle te krijgen.


Daarna is centralisatie voortgeschreden en werd met steeds groter materieel gewerkt, dat meestal (te) laat arriveerde. Er was bovendien onvoldoende terreinkennis. Bij de huidige branden zijn het vooral grote bluswagens die in beeld komen, die voor een deel dan ook nog uit het buitenland komen, soms met helikopters erbij. Bij ’t Harde bezetten (vernielden) die terreinwagens een deel van het natuurgebied, zoals de beelden lieten zien. “ ( overgenomen uit Brief van Leffert Oldekamp aan Marcel Crok)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten