Posts tonen met het label meierij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label meierij. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2026

ROOMS ONGEDIERTE

 

Cornelis Saftleven (1607-1681), Satire op de uittocht van de geestelijkheid uit 's Hertogenbosch. De uittocht vond plaats na de overgave van de stad aan het Republikeinse leger van prins Frederik Hendrik van Oranje in 1629. Saftleven behoorde tot een kunstenaarsfamilie. Hij werkte in Antwerpen, Utrecht en Rotterdam.


Bovenstaand schilderij is te zien in het Noord Brabants museum. Het is een satire op de uittocht van katholieken en soldaten uit Den Bosch in 1629. Den Bosch was een belangrijke prooi voor de Republiek der Nederlanden. De oorlog tegen de Spanjaarden stagneerde al een tijd waardoor de geloofwaardigheid van de Republiek op het spel stond.


De verovering van Den Bosch zou daar een einde aan kunnen maken. Het zou de Republiek een poort naar het zuiden opleveren en het zou Spanje doen bloeden. Den Bosch stond bekend als een onneembare vesting dank zij het omringende water, de vestingwerken en de aanwezigheid van Spaanse troepen.


Spanje zat overigens om geld verlegen o.a. door het verlies van de Zilvervloot aan de Nederlandse admiraal Piet Hein met als gevolg dat het zijn troepen niet op sterkte kon hebben. Dankzij dezelfde zilvervloot had de Republiek geld genoeg om een flink leger op te tuigen. Een leger onder leiding van Prins Frederik Hendrik van Oranje, een strateeg die met geduld de stad maanden lang belegerde. Hij legde de rivieren de Dommel en AA droog zodat zijn troepen door loopgraven steeds dichter naar de stad konden kruipen.


De Tachtigjarige oorlog was ook een oorlog tussen protestanten en katholieken. De Bosschenaren waren tevreden met hun geloof en hun Spaanse bestuurders. Het was een welvarende stad die helemaal niet zat te wachten op een politiek avontuur met de Republiek en al helemaal niet op een oorlog.


De belegering werd beëindigd door onderhandelingen over de overgave van de stad. Een van de voorwaarden was het vertrek van alle katholieke mannelijke geestelijken en soldaten uit de stad. Je ziet op het schilderij de katholieke Bisschop Ophovius als een olifant in een kruiwagen zitten met zijn flaporen als een mijter. 


De kruiwagen wordt geduwd door een groot lelijk varken met een bel om zijn nek. Voor de kruiwagen loopt een rat met een gekke muts op, vast het hoofddeksel van een of andere geestelijke. Achter het varken zingen twee gluiperige honden uit een liedboek, waarschijnlijk monniken verbeeldend.


Verderop zie je boven de stoet katholieke beelden van heiligen uitsteken. In de ogen van protestanten waren dat afgodsbeelden. Het vereren van heiligen was afgodendienst.  Het woord van God in de bijbel was genoeg. De bijbel zelf toelichten met beelden mocht natuurlijk wel.


Middenpaneel van de drieluik "de Hooiwagen" van Jeroen Bosch (1450-1516). Een versie hangt in het Escorial, de andere in museum El Prado in Madrid. 

De hele enscenering doet denken aan schilderijen van Jeroen Bosch, de vijftiende eeuwse schilder uit den Bosch wiens schilderijen toen al tot in alle hoofdsteden van Europese rijken - Spanje, Portugal en Wenen - bekend waren. 


Bosch is de schilder die de strijd van goed tegen kwaad, op voortreffelijke wijze uitbeeldde door gebruik te maken van een wereld van fantasiedieren en mensen die half dier, demoon en mens zijn. Heel in de verte doet de stoet achter de hooiwagen aan het gelijknamige schilderij van Jeroen Bosch denken. De hooiwagen staat voor wereldse verlangens. Niet alleen wereldse machtigen lopen achter het hooi aan maar ook geestelijken van hoog tot laag.


Het werd de katholieken na de verovering van Den Bosch tot ver in de Meierij  en de omgeving verboden hun geloof openlijk te belijden. Bestuurlijk werd het een generaliteitsland, een soort halve kolonie, een wingewest onder Haags bestuur. 


Alleen het stadje Megen aan de Maas bleef gespaard voor de Republikeinse dwingelandij. Het graafschap Megen genoot de bescherming van de Duitse Keizer. Een oorlog met de Duitse keizer om een stadje aan de Maas was er een teveel zo moeten de Oranjes en Den Haag gedacht hebben. 


Pas onder Napoleon tijdens de Bataafse republiek in 1795 kwam er een einde aan de status van onderwerping van de katholieken in de generaliteitslanden en aan het graafschap van Megen kwam een einde tijdens de Bataafse republiek. Megen heeft er nog twee kloosters aan over gehouden.


vrijdag 23 oktober 2020

83. MIJN SPROOKJESJAREN ZESTIG, VRIJSTAAT MEGEN

 

Interieur van de zeventiende eeuwse Sint Franciscuskerk behorend aan de Minderbroeders/ Franciscanen die in een klooster naast de kerk wonen. Zie de website "Minderbroeders Franciscanen"

Door de val van ’s Hertogenbosch in 1629 maakte de meierij met daarin ook Oss voortaan deel uit van de Generaliteitslanden die onder direct bestuur van de Staten-Generaal vielen. De hele meierij? Nee, er was een graafschap met als centrum het stadsdorp Megen at verzet bood. Gesteund door de Duitse Keizer en de Spaanse koning, hield de Graaf van Megen vol dat zijn Graafschap niet tot de meierij van den Bosch hoort en dat de Republiek dus niks te zeggen had over Megen en de bijbehorende dorpen. 


Nu had de Republiek het karwei kunnen afmaken door een legertje onder leiding van prins Frederik Hendrik van Oranje te sturen maar dat zou voor de Duitse keizer een vijandige daad zijn en vijanden had de Republiek al genoeg. Er zat dan ook niks anders op dan een commissie aan te stellen die moest uitzoeken of het Graafschap al dan niet onder de meierij valt. Een beproefde methode om het probleem zonder gezichtsverlies op de lange baan te schuiven. Een methode die tot op de dag van vandaag wordt toegepast in de voormalige Republiek.


“Na de Vrede van Münster (1648) tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Spanje, werd het graafschap als onderdeel van de meierij van 's-Hertogenbosch volgens de Staten-Generaal onderdeel van de Republiek c.q. van Staats-Brabant en dus hervormd. De toenmalige graven van Megen, de Spaanse koning en de Duitse keizer dachten hier echter anders over. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of het graafschap in 1648 inderdaad formeel nog tot de meierij behoorde. Dit soevereiniteitsconflict werd ten slotte onderdeel van een arbitrage-procedure (compromis) tussen de Staten-Generaal en de keizer, welke laatste voor de toenmalige Duitse graaf van Megen opkwam. Er werd een arbitragecommissie van diplomaten en juristen ingesteld: twee leden namens de Staten-Generaal, twee leden namens de keizer, en een voorzitter op voordracht van de Staten-Generaal benoemd door de keizer. Het is niet duidelijk of deze commissie ooit tot een formeel afgerond advies kwam en zo ja, of dit advies door partijen formeel is opgevolgd.

 
Duidelijk is wel, dat sinds ca. 1683 de Staten-Generaal de facto Megen als een zelfstandig graafschap gingen zien wat het bleef tot 1795, toen het Frans werd. Toen werd tevens de burgerlijke stand ingevoerd wat elders in Nederland pas in 1811 gebeurde. Op 5 januari 1800 werd het door Frankrijk bij het verdrag van Parijs verkocht aan de Bataafse Republiek; pas toen werd Megen weer onderdeel van Brabant en Nederland. Daarna werd ook Megen onderdeel van het Koninkrijk Holland van 1806 tot 1810, om daarna voor de tweede keer Frans gebied te worden van 1810-1813. In 1814 ging het met de rest van Nederland op in het Koninkrijk der Nederlanden.”
(Wikipedia: Megen)
 

Zodoende werd het Graafschap Megen een katholiek vrijstaatje aan de Maas. Terwijl in het nabij gelegen Oss het katholieke leven zoveel mogelijk werd afgeknepen door het protestantse Generaliteitsbestuur, een soort koloniale bezetting door de Republiek, zochten de Ossenaren voor hun katholieke zieleheil hun toevlucht in Megen. Ze konden op hun klompen gerust naar de Heilige Misviering en andere katholieke feestelijkheden in Megen gaan. Den Bosch mocht dan gevallen zijn, Megen bleef zelfstandig Republiek met de gevangenistoren aan de dijk als een symbolische opgestoken vinger naar de Republiek.


De ironie wil dat de Franse oorlogsgeneraal Napoleon met zijn bezetting van Holland de Brabanders na ruim tweehonderd jaar het volwaardige burgerschap gaf en Megen verenigde met de Bataafse Republiek door hun rechten op het Graafschap te verkopen aan de Republiek. Een betere gewoonte dan oorlog voeren. Noord Vietnam zou dan Zuid Vietnam kunnen kopen of andersom. Dat is veel menselijker en goedkoper dan oorlog voeren.


(verschijnt elke vrijdag)
What do you want to do ?
New mail

woensdag 14 november 2018

DE TACHTIGJARIGE OORLOG IN OSS

De Kerk & Pastorie der Ned. Herv. Gemeente Osch nam de plaats in van de voormalige katholieke Schuurkerk die overbodig werd toen de katholieken hun kerkgebouwen terugkregen. In 1966 moest deze Hervormde waterstaatskerk met pastorie en tuin, gelegen op de hoek van de Wal en de Molenstraat, plaats maken voor een wanstaltig consumptiepaleis van de V&D dat tot op de dag van vandaag de stad ontsiert. Er zijn plannen om op de plek een Cultuurhuis te bouwen waarmee de plek weer een bestemming krijgt die aansluit bij het geestelijke en culturele erfgoed.

Toevallig ben ik tijdens de uitzending van de TV serie ‘De Tachtig Jarige Oorlog’ het boekje “De tijd van Theodardus, Oss en omgeving beschreven door frater Theodardus Roelofs (1872-1954) een uitgave van het Stadsarchief Oss, aan het lezen. Hij was als frater zijn hele leven onderwijzer en leraar met een passie voor geschiedenis. Hij schreef een nooit uitgegeven geschiedenis van Oss en van het Land van Ravenstein. Die beide manuscripten vormen in ingekorte vorm het boekje.

Het boekje illustreert net als de TV serie de nuances van de Tachtig Jarige Oorlog als zou het een bevrijdingsoorlog zijn geweest waar alle weldenkende bewoners der Nederlanden op zaten te wachten. Integendeel, met name onder de grote rivieren bleven steden en dorpen trouw aan de koning en katholiek. Het gevolg was dat Brabant nog heel lang leed onder de naweeën van de brandschatting, plundering en moorden die gelijkelijk door Staatse en Spaanse troepen gepleegd werden. Na de zogeheten bevrijding van Brabant door de Staatse legers werd katholieken de vrijheid van godsdienst ontzegd, katholieke eigendommen onteigend en pastoors verbannen of opgesloten.

“Pastoor Septius werd in 1623 met het pastoraat van de stad belast. Hij moest het aanzien, dat zijn kerk voor de nieuwe leer (het protestantisme) in gebruik werd genomen. Vijftien maanden zuchtte hij in de kerker en na zijn bevrijding vestigde hij zich in Herpen in het vrije land van Ravenstein, om vandaar uit zijn verweesde parochie te besturen. In het rampjaar 1846 werden de katholieken in Oss gedwongen hun kerk aan de Hervormden af te staan, die haar tot 1800 in gebruik hielden. Wel werd hen omstreeks 1672 toegestaan op de Wal, waar thans de kerk van de Nederlandse Hervormden staat een schuilkerk met pastorie te bouwen… Op 17 oktober 1800 kwamen de katholieken weer in het bezit van hun vroeger kerkgebouw, dat door de bloei van de stad in de negentiende eeuw te klein werd” (blz. 51-52 van voornoemd boekje)

De Hervormde Kerk, een zogeheten Waterstaatskerk, met pastorie en omliggende tuin zijn in 1966 afgebroken om plaats te maken voor een misplaatst en wanstaltelijk consumptiepaleis van de V&D. Zo werd cultuur en geestelijk erfgoed opgeofferd aan het gouden kalf van de consumptiemaatschappij.

Met de inname van den Bosch in 1629 door de Staatse troepen deed de strijd tussen de koning van Spanje en de Republiek zich pas goed gevoelen onder de bevolking in de streek de Meierij bij den Bosch.

“In ’s Hertogenbosch werd na de inname van de stad in 1629 de priesters aangezegd haar te verlaten en de kerken aan de predikanten te geven. Nog in hetzelfde jaar ontvingen de geestelijken in de Meierij eenzelfde bevel. De koning van Spanje deelde echter niet de zienswijze van de Staten van Holland, dat met ’s Hertogenbosch ook de Meierij in hun bezit was gekomen en liet een plakkaat afkondigen, waarin aan de geestelijkheid in dat gewest streng verboden werd hun parochies te verlaten. De vroegere toestand bleef er voortduren tot 1632, toen in de voornaamste plaatsen predikanten werden aangesteld.
Ook in Oss werd in 1632 een protestantse gemeente gesticht, die er steeds is blijven bestaan, maar in de eerste jaren van haar bestaan ene gering aantal leden telde. Zo vinden wij vermeld , dat in die dagen de predikant slechts een twee- of drietal stadsbewoners onder zijn gehoor telde….
In 1648 bij het sluiten van de Vrede van Munster kwam de Meierij aan onze Republiek. Toen vestigde zich een predikant blijvend in Oss. De grote kerk met haar bezittingen en inkomsten werden eigendom van de staat…
Omstreeks 1800 werd oss bewoond door 2890 katholieken, 94 protestanten en 32 joden.”
(blz. 57 t/m 59 in voornoemd boekje)